Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF1556

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
19-09-2008
Zaaknummer
127472 / HA ZA 06-1116
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over de rechtsgeldigheid van een huwelijk van de erflater. De rechtbank acht de kinderen van de erflater geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen de huwelijksakte, maar laat de echtgenote van de erflater op grond van de aard van het geschil toe tot het leveren van (nader) bewijs door middel van een deskundigenbericht van een deskundige op het gebied van (forensische) schriftexpertise.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 127472 / HA ZA 06-1116

Vonnis van 27 augustus 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te Biscarosse, Frankrijk,

2. [eiser sub 2],

wonende te Biscarosse, Frankrijk,

eisers,

procureur mr. E.A.J. Verschuur-van der Voort,

tegen

[gedaagde],

wonende te Zandvoort,

gedaagde,

procureur mr. B.S. Matser.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 november 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 12 december 2007

- het proces-verbaal van voortzetting van comparitie van 8 april 2008

- de akte na comparitie met producties van [gedaagde]

- de akte uitlating producties van [eisers]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [erflater] (hierna: erflater) is op 27 oktober 2000 overleden.

2.2. Erflater was van 24 april 1973 tot 8 februari 1985 gehuwd met [A] (hierna: [A]).

2.3. [eisers] zijn geboren uit het huwelijk van erflater met [A].

2.4. Erflater was van 4 mei 1990 tot 5 november 1998 gehuwd met [gedaagde]. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren.

2.5. In de loop van 2000 is bij erflater een kwaadaardige tumor in de hersenen geconstateerd.

2.6. Op 24 augustus 2000 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand [B] te Zandvoort een akte opgemaakt van het (tweede) huwelijk tussen erflater en [gedaagde], in aanwezigheid van de getuigen [C] en [D].

2.7. Op 1 september 2000 heeft erflater tegenover notaris mr. H.C.H. de Kiewit zijn (laatste) testament opgemaakt. Hierin is – voor zover thans van belang – het volgende bepaald:

“(..) verscheen voor mij (..) de heer [erflater], (..) op huwelijkse voorwaarden gehuwd met mevrouw [gedaagde], wederzijds in derde echt.

(..)

B. ERFSTELLING

Ik benoem tot enige erfgenamen, ieder voor een gelijk deel, mijn echtgenote en mijn kinderen (..)

C. BOEDELVERDELING

Gebruikmakende van de door artikel 4:1167 en volgende Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid verdeel ik bij deze tussen mijn echtgenote en mijn overige erfgenamen mijn nalatenschap als volgt:

1. Ik deel toe aan mijn echtgenote: alle goederen die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren (..)”

Erflater heeft dit testament ondertekend.

2.8. Bij beschikking van 17 maart 2005 heeft de kantonrechter te Haarlem [gedaagde] ontslagen uit haar functie van executeur-testamentair in de open gevallen nalatenschap van erflater.

2.9. In een rapport van forensisch schriftonderzoek van 14 april 2005 heeft drs. P.L. Zevenbergen geconcludeerd dat de handtekening op de sub 2.6 bedoelde huwelijksakte die zou zijn gezet door de erflater naar zijn opvatting niet als een echte handtekening valt aan te merken, zelfs niet als een imitatie daarvan.

2.10. Bij beschikking ingevolge artikel 12 Wetboek van Strafvordering van 10 oktober 2006 heeft het gerechtshof te Amsterdam de officier van justitie te Haarlem bevolen om [gedaagde] te vervolgen ter zake van – onder meer – het vervalsen door [gedaagde] van de handtekening van erflater onder de huwelijksakte van diens tweede huwelijk met [gedaagde].

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. zal verklaren voor recht dat er tussen [gedaagde] en de erflater op 24 augustus 2000 geen huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden;

II. zal vernietigen de toedeling van de nalatenschap van de erflater met redressering van alle rechtshandelingen en onttrekkingen die na de toedeling door [gedaagde] zijn verricht;

III. [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van door [eisers] geleden schade, nader op te maken bij staat, die zij hebben geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens hen;

IV. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of erflater op 24 augustus 2000 met [gedaagde] (voor de tweede maal) in het huwelijk is getreden. De overige vorderingen gaan er alle vanuit dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Derhalve dient eerst te worden vastgesteld of het door [eisers] bestreden huwelijk bestaat.

4.2. Ingevolge artikel 1:78 Burgerlijk Wetboek (BW) kan – voor zover voor dit geschil van belang – het bestaan van een in Nederland gesloten huwelijk niet anders worden bewezen dan door de huwelijksakte. Het bestaan van een huwelijk wordt, zowel tussen de gestelde partijen bij dat huwelijk als jegens derden dwingend en volledig bewezen door de huwelijksakte (en dus niet op andere wijze, bijvoorbeeld door getuigen). Op grond van artikel 151 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is tegenbewijs evenwel mogelijk. Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het door de andere partij geleverde bewijs erdoor wordt ontzenuwd of, anders gezegd, dat het geleverde bewijs aan het wankelen wordt gebracht. Een en ander betekent in dit geschil dat tussen partijen is bewezen dat de erflater en [gedaagde] op 24 augustus 2000 met elkaar zijn gehuwd, tenzij [eisers] daartegen tegenbewijs leveren. Hoewel het bestaan van het huwelijk uitsluitend door middel van de huwelijksakte kan worden bewezen, kan het leveren tegenbewijs tegen die akte ingevolge artikel 152 lid 1 Rv met alle middelen, nu de wet niet anders bepaalt.

4.3. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd ter zake de wettelijke voorschriften omtrent nietigverklaring van een huwelijk (artikel 1:69 e.v. B.W.), is in deze niet relevant, omdat die regels zien op gevallen waarin een huwelijk tot stand is gekomen, terwijl dat door [eisers] juist wordt bestreden.

4.4. [eisers] heeft het volgende tegenbewijs aangedragen. Als direct bewijs tegen de juistheid van de huwelijksakte van 24 augustus 2000 geldt het deskundigenrapport van Zevenbergen dat hierboven sub 2.9 is genoemd. In dit rapport beschrijft Zevenbergen hoe hij de door [gedaagde] gestelde handtekening van de erflater op de huwelijksakte heeft vergeleken met handtekeningen die – door partijen onbetwist – van de erflater afkomstig zijn en door hem waren geplaatst op het register van het door hem aangehouden safeloket bij een bank. Zevenbergen beschrijft:

“In de betwiste handtekening heb ik in alle relevante onderdelen uitsluitend schriftkundige verschillen kunnen vaststellen met het vgml. [rechtbank: vergelijkingsmateriaal] van betrokkene. Met andere woorden: de betwiste handtekening valt dus geheel buiten de variatiebreedte van het vgml. Voor de echtheidshypothese, noch voor de nabootsingshypothese is dus enige steun te vinden. Voor de toevalshypothese is uiteraard evenmin steun te vinden.

Gelet op hetgeen ik hiervoor heb betoogd, gelet op zowel het aantal, de aard, als de kwaliteit van de (combinatie van) de als essentieel te kwalificeren schriftkundige verschillen, overwegende het ontbreken van schriftkundige overeenkomsten, gelet op de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de betwiste handtekening, overwegende de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van het vgml., kom ik tot de conclusie, dat de betwiste handtekening op alle relevante details buiten de bandbreedte valt van de variatie van het vergelijkingsmateriaal.

7. Conclusie

Afgezet tegen de definiëring zoals beschreven in de bijlage II is de betwiste handtekening naar mijn opvatting niet als een echte handtekening te beschouwen van de persoon, die de vergelijkingshantekeningen produceerde.

8. Aanvullende opmerkingen

Uit de context van dit onderzoek begrijp ik dat de betwiste handtekening kort voor het overlijden van de betrokkene zou zijn geproduceerd. In de regel neemt het vermogen tot het produceren van adequaat schrift af, als gevolg van hoger wordende leeftijd, van ziekte, van medicijngebruik en dergelijke. In de vergelijkingsproducties op de bijlage III is van een eventueel afnemende schrijfvaardigheid, met uitzondering van de laatste handtekening rechtsonder, geen sprake. Uit de laatst bedoelde vergelijkingsproductie, die kennelijk is geproduceerd op 1 september 2000, dus kort voor het overlijden van betrokkene, blijkt wel een afgenomen schrijfvaardigheid. De vage contouren van de grondvorm van de ‘normale’ handtekening is in alle redelijkheid echter nog te herkennen. De betwiste handtekening is van 24 augustus 2000, dus eveneens kort voor het overlijden van de betrokkene, doch vóór de laatste geproduceerde vergelijkingshandtekening. In de betwiste handtekening is helemaal geen sprake van een op de grondvorm van de vergelijkingsproducties herleidbaar bewegingspatroon. De laatste ‘normale’ vergelijkingshandtekening is van 2 juni 2000. Wanneer de laatste vergelijkingshandtekeningen en de betwiste handtekening in een tijdsvolgorde worden geplaatst, dan valt de betwiste handtekening buiten de dan te constateren variatiebreedte. De stelling, dat het afwijkend patroon van de betwiste handtekening het gevolg zou kunnen zijn van een ‘afgetakeld’ motorisch vermogen tot het produceren van een handtekening is daarom niet aannemelijk.”

4.5. [eisers] heeft voorts indirect bewijs aangedragen tegen de juistheid van de huwelijksakte. Het betreft het volgende. Tot de nalatenschap behoren onder meer (een deel van) de aandelen in N.V. Internationaal Beleggingsfonds Interbel, N.V. Nationaal Beleggingsfonds Onroerend Goed Nabog en Beleggingsmaatschappij Onroerende Goederen Randstad Holland B.V. De erflater was voorts bij leven bestuurder van de stichtingen Stichting Eduka en Stichting Jufika. Blijkens inschrijvingen in het handelsregister is [gedaagde] op 25 augustus 2000 tot bestuurder van genoemde rechtspersonen benoemd. Vervolgens heeft de kantonrechter te Haarlem in een viertal beschikkingen in de periode van 6 november 2003 tot 31 januari 2006 deze inschrijvingen van [gedaagde] als bestuurder van de genoemde rechtspersonen in het handelsregister laten doorhalen, op de grond dat de handtekening onder het handelsregisterformulier niet van de erflater was. Daarbij heeft de kantonrechter zich (mede) gebaseerd op twee rapporten van schriftkundige Ter Kuile-Haller, waarin zij concludeert dat de betwiste handtekening waarschijnlijk niet is vervaardigd door erflater. [gedaagde] is van één van deze beschikkingen – die van 6 november 2003 – in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof heeft de beschikking bekrachtigd, overigens zonder een beslissing te geven over de echtheid van de handtekening van erflater.

4.6. Uit de hierboven sub 2.10 genoemde beschikking van het gerechtshof te Amsterdam kan voorts nog worden afgeleid dat betrokkenen tegenover de politie – samengevat – als volgt hebben verklaard (in afwijking van de oorspronkelijke tekst is [erflater] aangeduid als erflater):

“Op 28 oktober 2004 is [E] (hierna: [E]) door de politie als getuige gehoord. [E] heeft in zijn functie van ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zandvoort verklaard dat [gedaagde] bij hem de huwelijksaangifte (ondertrouw) heeft gedaan. Voorts heeft hij verklaard dat [gedaagde] de akte van ondertrouw thuis door erflater zou hebben laten ondertekenen. [E] heeft destijds de officier van justitie verzocht om vrijstelling van de voorgeschreven wachttijd tussen de ondertrouw en de huwelijkssluiting. [E] heeft onder meer de huwelijksakte van het eerste huwelijk tussen erflater en [gedaagde] overhandigd. Na confrontatie met de handtekeningen onder diverse stukken heeft [E] verklaard dat de handtekening op de akte van ondertrouw zichtbaar afwijkt van de gewoonlijk door erflater geplaatste handtekeningen.

Getuige [B], bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand te Zandvoort heeft verklaard zich de huwelijkssluiting tussen erflater en [gedaagde] niet te kunnen herinneren. Voorts heeft hij verklaard de identiteit van de huwelijkskandidaten en de getuigen niet te controleren.

[C] (hierna: [C]), de moeder van [gedaagde], is op 10 november 2005 door de politie als getuige gehoord. Zij heeft verklaard getuige te zijn geweest bij de tweede huwelijkssluiting tussen [gedaagde] en erflater. Enkele haar onbekende personen zijn bij de huwelijkssluiting aanwezig geweest; deze personen hebben met erflater gesproken. Voorts heeft zij verklaard dat erflater ondanks zijn tumor geen lichamelijke of geestelijke belemmeringen ondervond; hij was tot het laatst goed ter been en helder van geest. Erflater schreef volgens [C] afwisselend in blokletters en in hellend schrift.

[D] is op 10 november 2005 door de politie als getuige gehoord. Hij heeft verklaard getuige te zijn geweest bij de tweede huwelijksvoltrekking tussen erflater en [gedaagde]. Hij heeft verklaard dat buiten hemzelf, [C], erflater en [gedaagde] niemand anders bij de huwelijksplechtigheid aanwezig is geweest. Voorts heeft hij verklaard dat erflater ondanks zijn ziekte tot op het laatst geen geestelijke of lichamelijke beperkingen heeft gekend.

Op 14 november 2005 heeft de politie [F] (hierna: [F]), de huisarts van erflater als getuige gehoord. (..) [F] heeft niet kunnen verklaren of erflater rond zijn huwelijk met [gedaagde] over zijn volledige lichamelijke en geestelijke vermogens beschikte.

[G], behandelend neuroloog van erflater, heeft verklaard zich te beroepen op zijn medisch beroepsgeheim en niet te willen verklaren met betrekking tot het ziektebeeld van erflater.”

4.7. [eisers] hebben tot slot aangevoerd dat [gedaagde] heeft geweigerd om aan een schriftkundig onderzoek mee te werken, hetgeen volgens [eisers] dient te worden geduid als een aanwijzing van schuld.

4.8. [gedaagde] heeft – bij akte na comparitie voor het eerst uitvoerig – het rapport van Zevenbergen bestreden. In de eerste plaats is volgens [gedaagde] sprake van een eenzijdig, in opdracht van [eisers] opgesteld rapport door een niet beëdigde deskundige. Verder maakt de deskundige in zijn rapport het voorbehoud dat hij niet de beschikking heeft gehad over het origineel van de betwiste handtekening en het vergelijkingsmateriaal. Ook betoogt [gedaagde] dat Zevenbergen onvoldoende rekening heeft gehouden met de ziekte van de erflater.

4.9. Aldus heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank het rapport van Zevenbergen onvoldoende weersproken. Het had immers op haar weg gelegen om, gelet op de expliciete conclusies van het rapport en de motivering daarvan, ter voldoening aan haar stelplicht aangaande het bestaan van het tweede huwelijk tussen haar en erflater, het rapport van Zevenbergen op een meer onderbouwde wijze te weerspreken, bijvoorbeeld door middel van een rapport van een eigen deskundige.

4.10. Ook inhoudelijk treffen de bezwaren van [gedaagde] geen doel. Dat de deskundige, zoals [gedaagde] stelt, niet is beëdigd, is niet relevant; ook de door de rechtbank benoemde deskundige behoeft niet te worden beëdigd. De omstandigheid dat Zevenbergen heeft gerapporteerd in opdracht van [eisers] is evenmin doorslaggevend. De rechter is immers vrij in zijn waardering van het bewijs. Het door de deskundige genoemde (principieel) voorbehoud dat als gevolg van het kopieer proces microkenmerken kunnen verdwijnen of ontstaan, is blijkens het rapport van minder belang, omdat het bewegingsverloop van het schriftspoor voldoende is te volgen. Ook heeft de deskundige geen kenmerken van een ‘onnatuurlijk productieproces’ waargenomen en vastgesteld dat dit gezien de aard van het document ook niet erg waarschijnlijk is. Anders dan [gedaagde] acht de rechtbank de conclusie van de deskundige dat het vergelijkingsmateriaal een redelijk voldoende en representatieve steekproef uit het totale handtekeningrepertoire van de erflater is vooralsnog terecht en is de rechtbank voorts vooralsnog van oordeel dat met de ziekte van de erflater voldoende rekening is gehouden. Het vergelijkingsmateriaal betreft namelijk handtekeningen van de erflater in de periode van ruim een jaar voor tot enkele maanden voor zijn overlijden, de handtekening onder het testament daaronder begrepen. Tot slot blijkt uit hetgeen hierboven onder 4.3 is geciteerd onder het kopje “8. Aanvullende opmerkingen” dat Zevenbergen de ziekte en het naderend overlijden van erflater heeft meegewogen.

4.11. [gedaagde] heeft voorts met betrekking tot het indirect bewijs – samengevat en voor zover hier van belang – aangevoerd dat erflater het bestaan van zijn huwelijk met [gedaagde] met het opmaken van zijn testament tegenover notaris De Kiewit heeft bevestigd. Tevens heeft zij schriftelijke verklaringen overgelegd van [H], belastingadviseur van erflater en [I], accountant van erflater. [H] verklaart daarin dat hij van [I] heeft vernomen dat erflater had besloten met [gedaagde] te hertrouwen. [I] verklaart dat tijdens zijn bezoek aan erflater en [gedaagde] bij erflater thuis door [gedaagde] in bijzijn van erflater is verteld dat zij hertrouwd waren. Voorts heeft [gedaagde] schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van [C] en [D] met betrekking tot de gang van zaken rond de huwelijkssluiting op 24 augustus 2000.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] met het hierboven sub 4.4 en volgende weergegeven materiaal vooralsnog voldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen de juistheid van de huwelijksakte van 24 augustus 2000 van het huwelijk tussen erflater en [gedaagde]. Niet alleen heeft [gedaagde] het rapport van Zevenbergen onvoldoende weersproken, maar ook hetgeen [gedaagde] heeft aangedragen tegenover het indirecte (tegen)bewijs van [eisers] is onvoldoende om dit tegenbewijs het hoofd te kunnen bieden. Het voorhanden bewijsmateriaal geeft thans het volgende beeld:

- erflater leed op 24 augustus 2000 aan een hersentumor waaraan hij kort daarna zou overlijden; geen van partijen heeft met verklaringen van zijn behandelend artsen onderbouwde stellingen geponeerd over zijn fysieke en geestelijke conditie op en omstreeks de gestelde trouwdatum; zonder een deugdelijke onderbouwing kan gelet op de aard en de ernst van de aandoening echter moeilijk worden aangenomen dat de lichamelijke en geestelijke conditie van erflater daaronder niet heeft geleden;

- [gedaagde] heeft de akte van ondertrouw meegekregen ter ondertekening door erflater; naderhand heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaard dat de daarop namens erflater gestelde handtekening zichtbaar afwijkt van de gewoonlijk door hem geplaatste handtekeningen;

- de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft bij het sluiten van het huwelijk de identiteit van de huwelijkskandidaten niet gecontroleerd;

- de getuigen bij het huwelijk zijn direct bij [gedaagde] betrokken personen; bovendien verklaren zij niet steeds eensluidend over de huwelijksvoltrekking; zo verschillen hun verklaringen op het punt van het aantal aanwezigen en ter zake de door de huwelijkskandidaten gedragen kleding;

- in de verschillende tussen [eisers] en [gedaagde] gevoerde procedures hebben verschillende schriftkundigen, tot driemaal toe, beschreven dat een volgens [gedaagde] door erflater geplaatste handtekening (waarschijnlijk) niet van hem afkomstig is;

- [gedaagde] weigert zelf mee te werken aan schriftkundig onderzoek;

- de belastingadviseur van erflater die over het huwelijk heeft verklaard, heeft zijn wetenschap van accountant [I], die op zijn beurt van het tweede huwelijk met [gedaagde] heeft vernomen van [gedaagde]; zij zou hierover volgens [I] weliswaar in bijzijn van erflater hebben verklaard, maar gelet op de onduidelijkheid over de fysieke en geestelijke conditie van erflater is die verklaring vooralsnog van beperkt belang;

- het testament en de door [gedaagde] overgelegde verklaring van notaris De Kiewit van 26 september 2006 acht de rechtbank weliswaar van belang maar vooralsnog evenmin bepalend, omdat in de contacten tussen erflater en de notaris het op te maken testament centraal stond (en dus niet het recente huwelijk van erflater), de notaris niet bekend was met de betwisting van het huwelijk, de notaris ook niet heeft beschreven dat hij de huwelijkssluiting van 24 augustus 2000 met erflater (en de aanwezigheid van erflater daarbij) heeft besproken en evenmin hoe hij de geestelijke gezondheid van erflater heeft gecontroleerd.

4.13. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om, mede gelet op de aard van het geschil, [gedaagde] toe te laten tot het leveren van bewijs dat het tweede huwelijk tussen erflater en [gedaagde] is gesloten door te bewijzen dat de huwelijksakte van 24 augustus 2000 betreffende het huwelijk van erflater en [gedaagde] juist is. Gelet op de bewijsaanbiedingen van [gedaagde] zoals bij conclusie van antwoord sub 45 gedaan, stelt de rechtbank zich voor een deskundigenbericht te gelasten, teneinde de echtheid van de handtekening van erflater onder de voornoemde huwelijksakte (wederom) te laten beoordelen.

4.14. Teneinde te voldoen aan het voorschrift van artikel 194 lid 2 Rv tot het voeren van overleg over de te benoemen deskundige(n) zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen een akte te nemen, waarin zij zich kunnen uitlaten over het aantal deskundigen, de persoon van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

4.15. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van (forensische) schriftexpertise en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Is de door [eisers] bestreden handtekening van erflater onder de huwelijksakte van 24 augustus 2000, redenerend vanuit uw vakgebied, naar uw gemotiveerd deskundig oordeel de handtekening van erflater?

2. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

Partijen dienen aan de te benoemen deskundige alle door hem gewenste originele documenten inhoudende het handschrift en/of de handtekening van erflater te verstrekken. De rechtbank zal als partijen niet aan deze instructie voldoen, daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht.

4.16. De rechtbank ziet in de bewijslastverdeling aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de gedaagde partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [gedaagde] moeten worden betaald.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 september 2008 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, M. Flipse en mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.?