Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF0913

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
07/8675
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Berekening middelingsverzoek. Artikel 3.154, lid 8 van de Wet IB 2001 laat geen andere conclusie toe dan dat de premies volksverzekeringen voor alle jaren in het middelingstijdvak, in casu 2002, 2003 en 2004, moeten worden gesteld op het bedrag dat zou zijn geheven indien AOW-premie in al die jaren verschuldigd zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2008/21.7
FutD 2008-2166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/8675

Uitspraakdatum: 20 augustus 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 23 februari 2007 is door eiser een verzoek om middeling gedaan over het tijdvak 2002 tot en met 2004. Hierbij verzoekt eiser om een teruggave van € 10.473.

Op 4 april 2007 is door verweerder een beschikking op dit verzoek genomen. Het verzoek wordt gehonoreerd tot een bedrag van € 4.522.

Eiser heeft daartegen bij brief van 3 april 2007 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak van 30 november 2007 de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 17 december 2007, ontvangen bij de rechtbank op 18 december 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben voor de zitting nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan K. Namens verweerder is verschenen P.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1 Eiser is geboren op 23 januari 1937. In de loop van 2002 heeft hij zijn onderneming, een akkerbouwbedrijf, gestaakt.

2.2 Het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser bedroeg in:

2002 € 86.755;

2003 € 12.021;

2004 € 13.416.

2.3 Ter zake van het onder 2.2. bedoelde inkomen zijn de volgende bedragen inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen (IB/PVV) geheven:

2002 € 33.353;

2003 € 1.832;

2004 € 2.099.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de berekening die door verweerder is gemaakt naar aanleiding van het door eiser gedane verzoek tot middeling, correct is uitgevoerd en meer in het bijzonder of hij daarbij artikel 3.154, lid 8 van de wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) op de juiste wijze heeft toegepast .Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend, eiser ontkennend.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en is van oordeel dat de teruggave op grond van de middelingsregeling dient te worden vastgesteld op € 10.473.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 3.154 van de Wet IB 2001 is, voor zover hier van belang het volgende bepaald:

1. Op verzoek wordt aan degene die gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten gehele kalenderjaren (middelingstijdvak) binnenlands belastingplichtige is geweest een teruggaaf van belasting op inkomen uit werk en woning (middelingsteruggaaf) verleend.

2. (…)

3. De middelingsteruggaaf wordt berekend op het verschil van de belasting op inkomen uit werk en woning die over de jaren van het middelingstijdvak is geheven en de belasting op inkomen uit werk en woning die verschuldigd zou zijn indien het belastbare inkomen uit werk en woning in elk van die jaren een derde gedeelte zou bedragen van het totaal van de - ten minste op nihil te stellen - belastbare inkomens uit werk en woning in die jaren (herrekende belasting), voorzover dit verschil meer bedraagt dan € 545.

4. (…)

5. (…)

6. (…)

7. Indien artikel 27 b, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964, of artikel 9.1, derde lid, is toegepast, wordt voor de toepassing van dit artikel onder geheven belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de geheven premie voor de volksverzekeringen en wordt onder de herrekende belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de premie voor de volksverzekeringen die zonder toepassing van artikel 9.4 zou zijn geheven.

8. Indien in het middelingstijdvak het jaar is begrepen waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt voor de toepassing van het zevende lid de geheven en herrekende premie voor de volksverzekeringen voor alle jaren in het middelingstijdvak gesteld op het bedrag dat zou zijn geheven of herrekend indien de premie voor de algemene ouderdomsverzekering in al die jaren verschuldigd zou zijn.

(…).

4.2. Eiser is op 23 januari 2002 65 jaar geworden. In artikel 6 van de AOW is onder meer bepaald dat mensen die de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt, verzekerde en premieplichtige zijn in de zin van de AOW. Voorts is in artikel 10, lid 2, van de Wet financiering sociale verzekeringen bepaald dat in de maand waarin men 65 wordt, geen AOW-premie is verschuldigd. Gezien beide bepalingen was eiser noch in 2002 noch in 2003 en 2004 AOW-premie verschuldigd.

4.3 Eiser is van mening dat artikel 3.154, lid 8 van de Wet IB 2001 alleen van toepassing is indien in het middelingstijdvak in enige maand AOW-premie is verschuldigd. Nu daarvan in het onderhavige geval geen sprake is, heeft verweerder naar hij meent ten onrechte de middelingsberekening gemaakt met toepassing van deze bepaling.

Deze stelling wordt door de rechtbank verworpen. De tekst van artikel 3.154, lid 8 van de Wet IB 2001 biedt geen aanknopingspunten voor de zienswijze van eiser. Vast staat dat in het middelingstijdvak, de periode 2002 tot en met 2004, ook het jaar is begrepen waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. De tekst van 3.154, lid 8 van de Wet IB 2001 laat geen andere conclusie toe dan dat alsdan de premies volksverzekeringen voor alle jaren in het middelingstijdvak, in casu 2002, 2003 en 2004, moeten worden gesteld op het bedrag dat zou zijn geheven indien AOW-premie in al die jaren verschuldigd zou zijn. De middelingsberekening zoals die is opgesteld door verweerder is dan ook juist. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de stelling van eiser dat, ware hij een maand eerder geboren, artikel 3.154, lid 8 van de Wet IB 2001 niet van toepassing zou zijn geweest. Immers aan elke begrenzing in de tijd, waaronder die gesteld in artikel 3.154, lid 8 van de Wet IB 2001, is inherent dat er gevallen zijn die net binnen of net buiten die begrenzing vallen. Anders dan eiser meent, brengt die omstandigheid niet mee dat voor die gevallen de gestelde grenzen niet (onverkort) zouden gelden. Ook het feit dat eiser zijn onderneming noodgedwongen diende te staken door de beëindiging van rechtswege van de pachtovereenkomst bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, doet aan deze conclusie niet af.

Nu de berekening van verweerder op grond van de hiervoor vermelde uitgangspunten niet in geschil is, is het gelijk dan ook aan verweerder.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. C.J. Hummel, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. H.A.M. Röell-Mulder, rechters, in tegenwoordigheid van O.C.H.C. Pilet, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.