Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF0884

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
07/2473
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Nu de arbeidsrelatie tussen eiseres en de teammanagers moet worden gekwalificeerd als een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2473

Uitspraakdatum: 26 augustus 2008

Uitspraak in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag (aanslagnummer 8076.00.490.A.1.350.0) loonbelasting/premie volksverzekeringen (lb/pvv) opgelegd tot een bedrag van € 249.528, alsmede bij beschikking een boete van € 1.701.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2007 de naheffingsaanslag vermin¬derd tot een bedrag van € 15.342.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 2 april 2007 door de rechtbank ontvangen op 3 april 2007, beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn aangevuld bij brieven van 8 mei 2007 en 7 mei 2008. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008. Eiseres is daar verschenen bij haar gemachtigde K, alsmede bij L en M. Namens verweerder is verschenen P.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die aan het dossier is toegevoegd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1 De onderneming van eiseres ontwerpt, maakt en verkoopt houten speelgoed en houten decoraties. Voor de verkoop van haar producten maakt eiseres gebruik van demonstratrices. Op zogenoemde party’s bij een gastvrouw dragen zij zorg voor de verkoop en levering van de producten. Sommige demonstratrices zijn tevens teammanager.

2.2 Eiseres heeft met de voor haar werkzame demonstratrices afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder een demonstratrice speelgoed verkoopt voor eiseres,. Deze afspraken zijn neergelegd in een “Afsprakenbrief J B.V.”(hierna de Afsprakenbrief).

Eiseres heeft in de Afsprakenbrief met de demonstratrices afspraken voor onbepaalde tijd gemaakt, onder meer over het volgende:

- de demonstratrice organiseert speelgoedparty’s op naam en rekening van eiseres, waarvan de inhoud en de aard in onderling overleg worden afgesproken;

- de demonstratrice bepaalt zelfstandig hoeveel party’s zij organiseert en wanneer;

- na overleg en goedkeuring van eiseres kan de demonstratrice de werkzaamheden door een andere demonstratrice van eiseres laten verrichten;

- de demonstratrice moet tijdig aan eiseres opgave doen van de georganiseerde party’s en daarvan verslag doen aan eiseres, al dan niet via de teammanager;

- de demonstratrice mag niet zelf advertenties plaatsen of deelnemen aan beurzen, braderieën en markten;

- bij beëindiging van de werkzaamheden voor eiseres moet de demonstratrice dit schriftelijk een maand van te voren schriftelijk aan eiseres meedelen;

- de afspraken kunnen worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, tenzij sprake is van onbehoorlijk gedrag van de demonstratrice; in dat laatste geval kan eiseres de afspraken per direct opzeggen.

2.3 De betaling van provisie van eiseres en de demonstratrices over de door de demonstratrices verkochte producten is vastgelegd in de “Betalings- en leveringsvoorwaarden van J B.V.” De provisie voor de werkzaamheden als teammanager zijn mondeling overeengekomen. De demonstratrices die tevens teammanager zijn in een regio, overleggen ongeveer 6 keer per jaar met hun team. Eiseres streeft ernaar om tweemaal per jaar een overleg met de teammanagers te voeren, in welk overleg met name ingegaan wordt op nieuwe producten van eiseres.

Bij hun werkzaamheden maken de teammanagers en demonstratrices uitsluitend gebruik van producten en materiaal van eiseres.

2.4 Naar aanleiding van een boekencontrole en het daarvan opgemaakte rapport, heeft verweerder aan eiseres naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 1998 tot en met 2003, onder meer met betrekking tot de aan de teammanagers uitbetaalde beloningen.

3. Geschil

Tussen partijen is met name in geschil het antwoord op de vraag of de arbeidsrelatie tussen eiseres en de teammanagers moet worden gekwalificeerd als een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) en of derhalve de naheffingsaanslag in zoverre terecht is opgelegd.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag voor zover deze ziet op de betalingen van eiseres aan de teammanagers.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Eiseres stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de overeenkomst tussen haar en de teammanagers zich laat kwalificeren als een overeenkomst tot opdracht en dat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet LB.

4.2 Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van evengenoemd artikellid is sprake, indien tussen eiseres en de teammanagers (mondeling of schriftelijk) een arbeids¬overeenkomst is gesloten, waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen betaling van loon gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten. Op grond hiervan moet voor het aannemen van een dienstbetrekking voldaan zijn aan drie elementen:

- er moet sprake zijn van een gezagsverhouding;

- de werknemer is verplicht tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende een zekere

tijd, en

- de werkgever heeft een verplichting tot het betalen van loon.

4.3 Tussen partijen is niet in geding dat eiseres de verplichting heeft tot het betalen van loon in de vorm van provisies aan de teammanagers. De provisie bestaat uit een gedeelte van de gerealiseerde omzet als demonstratrice en uit een gedeelte van de door het team gerealiseerde omzet.

Eiseres betwist met name dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen eiseres en de teammanagers en dat de teammanagers verplicht zijn tot persoonlijke arbeidsverrichting. Het ligt op de weg van verweerder, die de aanwezigheid van een gezagsverhouding en plicht tot persoonlijke arbeidsverrichting heeft gesteld, om dit aannemelijk te maken. De rechtbank zal hetgeen door verweerder hiertoe naar voren is gebracht, met name het hiervoor onder 2.4 genoemde rapport, bespreken.

De functie teammanager

4.4 De rechtbank is van oordeel dat uit de omstandigheid dat teammanagers tevens en voor het grootste gedeelte van hun werkzaamheden voor eiseres werken als demonstratrice en dat zij uitsluitend geselecteerd worden uit de kring van demonstratrices, volgt dat de arbeids¬verhouding van de teammanagers tot eiseres niet los gezien kan worden van die van de demonstratrices tot eiseres. Ter beoordeling in dit geding staat derhalve de arbeidsrelatie die gevormd wordt door de combinatie van werkzaamheden als teammanager en demonstratrice.

Het betoog van eiseres, dat de teammanagers wat betreft het gedeelte van hun werkzaam¬heden als teammanager - welk gedeelte ook volgens haar eigen stellingen van zeer bijkomstige aard is - niet gebonden zijn aan de Afsprakenbrief en dat er sprake is van een aparte arbeidsrelatie als teammanager die afzonderlijk op eigen merites moet en kan worden beoordeeld naast die van demonstratrice, is gelet op de hiervoor bedoelde verwevenheid van deze twee werkzaamheden, onjuist en wordt verworpen.

Gezagsverhouding

4.5 Voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding is reeds voldoende dat de werkgever bevoegd is de werknemer bindende aanwijzingen te geven omtrent het te verrichten werk of de inrichting daarvan. Niet noodzakelijk is dat de werkgever in feite van deze bevoegdheid gebruik maakt. Uit de onder 2.2 en 2.3 vermelde feiten en omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gezagsverhouding tussen eiseres en de teammanagers. De teammanagers zijn immers gehouden aanwijzingen van eiseres op te volgen ten aanzien van de inrichting van het werk (bij gastvrouwen thuis en niet op beurzen, braderieën of markten), aan haar verslag te doen van hun werkzaamheden (zodat eiseres tijdig de benodig¬de producten kan produceren) en behoeven goedkeuring van eiseres in geval zij zich wil laten vervangen. De door eiseres gestelde omstandigheid dat de bepalingen in de Afsprakenbrief “in de praktijk niet dwingend” zijn en regelmatig door de demonstratrices en teammanagers worden overtreden zonder dat eiseres daartegen optreedt, doet niet af aan de verbindendheid van deze arbeidsvoorwaarden in de Afsprakenbrief.

Persoonlijk verrichten van arbeid

4.7 De rechtbank acht op grond van onder meer het bepaalde in de Afsprakenbrief aannemelijk dat de teammanagers/demonstratrices verplicht zijn om persoonlijk arbeid te verrichten. Uit de vaststaande feiten blijkt immers dat zij zich slechts in overleg met en na goedkeuring van eiseres mogen laten vervangen. In de door eiseres geschetste werkwijze blijkt voorts dat de demonstratrices een opleiding krijgen en zich slechts mogen laten vervangen door iemand uit de beperkte kring van voor eiseres werkzame demonstratrices.

4.8 Nu aan de elementen genoemd in 4.2 is voldaan, is er in de arbeidsverhouding van de teammanagers ten opzichte van eiseres sprake van een dienstbetrekking.

Eiseres heeft nog verwezen naar een andersluidende conclusie van het UWV in een besluit van 26 mei 2006. De rechtbank deelt deze conclusie niet, reeds omdat daarin de werkzaam¬heden als teammanager separaat van die van de demonstratrices zijn beoordeeld , welk uitgangspunt hiervoor onder 4.4 is verworpen.

Gelijkheidsbeginsel

4.9 Eiseres heeft gesteld dat het aannemen van een dienstbetrekking tussen haar en de teammanagers strijd met het gelijkheidsbeginsel oplevert, omdat verweerder bij door haar genoemde andere organisaties die producten op dezelfde wijze als eiseres verkopen, geen dienstbetrekking aanneemt.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen kan slagen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen voortkomend uit een door verweerder gevoerd begunstigend beleid of uit een oogmerk van begunstiging dan wel wanneer de meerderheidsregel zou zijn geschonden.

Dat sprake is van begunstigend beleid dan wel verweerder heeft gehandeld met het oogmerk van begunstiging is echter gesteld noch gebleken.

Voor een geslaagd beroep op de meerderheidsregel is vereist dat in een meerderheid van vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Uit de door eiseres genoemde gevallen blijkt slechts dat deze organisaties op een vergelijkbare wijze werken als eiseres met demonstratrices op houseparty’s, maar niet dat er ook in de overige hiervoor genoemde feiten en omstandigheden sprake is van gelijke gevallen, en evenmin dat die door verweerder ongelijk behandeld worden.

Verhouding IB/PVV

4.10 Met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 heeft eiseres gesteld dat een drietal teammanagers hun verdiensten als teammanager onder aftrek van kosten in hun aangiften Inkomstenbelasting (IB) hebben aangegeven en dat deze omstandigheid naheffing van lb/pvv verhindert.

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de aangiften IB van de drie teammanagers zonder nader onderzoek zijn gevolgd. Volgens verweerder zijn de op de inkomsten in aftrek gebrachte kosten echter te hoog en dienen te worden gecorrigeerd.

Eiseres, op wie in dezen de bewijslast drukt, heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het opleggen van een navorderingsaanslag IB aan de drie teammanagers niet mogelijk is wegens het ontbreken van een nieuw feit.

Onder deze omstandigheden staat niets er aan in de weg het loon van de teammanagers in de naheffingsaanslag lb/pvv te betrekken.

Brutering

4.11 Eiseres heeft eerst in 2007 de beslissing genomen om de in de naheffing begrepen brutering van het loon niet te verhalen op de teammanagers. Volgens eiseres volgt hieruit dat door de teammanagers eerst in 2007 het voordeel als bedoeld in artikel 13a LB is genoten en dat eerst in dat jaar een indirecte bruteringsaanslag kan worden opgelegd. Naar eiseres stelt is ten onrechte - voor zover in dit geding van belang - reeds in 2005 de indirecte brutering meegenomen in de naheffing over de jaren 2000 tot en met 2003.

Dit betoog ziet voorbij aan het bepaalde in artikel 31, vierde lid, tweede volzin van de Wet LB (tekst 2004), waarin - kort gezegd - is bepaald dat het door de werknemer genoten voordeel in de eindheffing wordt betrokken naar de situatie ten tijde van het voor rekening van de inhoudingsplichtige nemen, doch uiterlijk ten tijde van de naheffing.

4.12. Nu verweerder heeft gesteld dat degene die de naheffingsaanslag heeft opgelegd niet dezelfde persoon is als degene die de beslissing op het bezwaar heeft genomen, en deze stelling door eiseres niet is weersproken wordt het beroep van eiseres op schending van artikel 10:3, lid 3 van de Awb verworpen.

Conclusie

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet bij deze uitkomst van het geding geen aanleiding voor een proceskosten-veroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr.G.W.J. Harten, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.C.H.C. Pilet, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.