Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF0863

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
07/3807
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser maakt aftrek levensonderhoud van zijn kinderen als bedoeld in artikel 6.13 van de Wet IB 2001 niet aannemelijk aan de hand van specificaties of betalingsbewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/2013
FutD 2008-2169

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB07/3807

Uitspraakdatum: 14 maart 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 22 mei 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan eiser voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Bij het onderzoek ter zitting van 27 februari 2008 te Haarlem is verschenen eiser, tot bijstand vergezeld van Y, alsmede Z. Namens verweerder is verschenen P, tot bijstand vergezeld van Q.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Eiser, geboren in Afghanistan in 1964 en gehuwd, woont sinds juni 2000 in Nederland.

2. Eiser heeft vijf kinderen: A [datum], B [datum], C [datum], D [datum] en E [datum].

3. In het onderhavige jaar verbleven eisers echtgenote en kinderen in Pakistan en sinds januari 2005 staan zij ingeschreven op hetzelfde woonadres als eiser in de basisadministratie persoonsgegevens bij de Gemeente Z.

4. In 2004 heeft eiser in totaal een bedrag van € 7.428 uitgegeven aan kosten voor het levensonderhoud van zijn kinderen.

5. Eiser heeft voor het onderhavige jaar aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.339.

6. Aan eiser is met dagtekening 14 maart 2007 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.767.

7.Verweerder heeft de volgende correctie aangebracht op het door eiser aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning:

Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aangifte € 12.339

Bij: uitgaven levensonderhoud van kinderen € 7.428

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 19.767

8. In geschil is of het bedrag van € 7.428 in aftrek kan worden gebracht als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar.

9.Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende uitgaven voor kosten van levensonderhoud voor zijn kinderen zijn gedaan.

10.Eiser bestrijdt dat het bedrag niet in aftrek kan worden gebracht als uitgaven voor levensonderhoud van zijn kinderen. Ter zitting heeft eiser een kopie van een bankafschrift van de Postbank overlegd, waaruit blijkt dat hij in 2003 in totaal € 4.600 heeft opgenomen, welke bedrag hij heeft meegenomen bij een reis naar Pakistan. Het resterende bedrag van € 2.828 heeft eiser meegegeven aan een kennis, die naar Pakistan ging. Eiser heeft verder geen schriftelijke bewijsstukken of onderbouwingen kunnen overleggen. Eiser heeft aangevoerd dat hij de genoemde bescheiden niet kan overleggen wegens zijn toenmalige status als vluchteling afkomstig uit Afghanistan en het voor hem onmogelijk was een bankrekening te openen bij een financiële instantie in Pakistan.

11.Artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2004) luidt als volgt:

1. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.Voor de beoordeling in welke mate een kind door de belastingplichtige wordt onderhouden, worden, indien de belastingplichtige een partner heeft, de uitgaven van de belastingplichtige en zijn partner voor het levensonderhoud van het kind samengevoegd.(...)

Artikel 2 van de uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2004) luidt als volgt:

Een kind wordt in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 386 per kwartaal beloopt. De ouder wordt geacht een kind in belangrijke mate op zijn kosten te onderhouden indien hij voor het kind recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met de Algemene Kinderbijslagwet overeenkomende buitenlandse regeling. (...)

12.De rechtbank stelt voorop dat op eiser de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de kinderen voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van zijn financiële ondersteuning. Nu eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken aan de hand van specificaties of betalingsbewijzen, waaruit blijkt dat hij in belangrijke mate heeft bijgedragen in het levensonderhoud van zijn kinderen als bedoeld in artikel 6.13 van de Wet IB 2001, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het bedrag niet in aftrek heeft toegelaten. Gezien het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 14 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. O.C.H.C. Pilet, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.