Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BE9495

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
124938 - HA ZA 06-748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van de ondervervoerder en de feitelijk vervoerder voor diefstal van de lading. Negatieve verklaring voor recht. Geen sprake van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld van de vervoerder. Vervoerder is derhalve beperkt aansprakelijk op grond van de CMR.

Tussen de hoofdvervoerder en de feitelijk vervoerder bestaat geen contractuele relatie. De schadevordering van de hoofdvervoerder jegens de feitelijk vervoer wordt daarom gebaseerd op onrechtmatige daad. Met toepassing van artikel 28 CMR is ook de feitelijk vervoerder beperkt aansprakelijk.

Schadevordering in reconventie wegens het niet zuiveren van het T1-biljet niet toewijsbaar omdat deze kosten geen onderdeel uitmaken van de (gelimiteerde) afzendwaarde van de goederen. Deze kosten kunnen evenmin worden gerekend tot de douanerechten of overige kosten als bedoeld in artikel 23 lid 4 CMR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis in gevoegde zaken van 27 augustus 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 124938 / HA ZA 06-748 van

1. [Eiser],

wonende te Budel-Schoot, gemeente Cranendonck,

2. [Eiseres],

wonende te Budel-Schoot, gemeente Cranendonck,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

L & A FREIGHT B.V.,

gevestigd te Luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

HIGH LEVEL TRADING GMBH,

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

3. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER LOGISTICS AG + CO KG,

gevestigd te Vorarlberg (Oostenrijk),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

4. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER + CO. TRANSPORT AG,

gevestigd te Glattbrugg (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

5. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER + CO. TRANSPORT AG,

gevestigd te Muttenz (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

6. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER + CO. TRANSPORT AG,

gevestigd te St. Margrethen (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

7. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

SABIEDRIBA AR IEROBEZOTU ATBILDIBU PRIVATAIS INVESTICIJU FONDS,

gevestigd te Riga (Letland),

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 124968 / HA ZA 06-760 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RUTTEN TRANSPORTEN B.V.,

gevestigd te Heijen, gemeente Gennep,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaten mr. V.R. Pool en mr. C.E. Vollebregt te Rotterdam,

tegen

1. [Gedaagde 1],

H.O.D.N. D.V.E. LOGISTICS,

wonende te Budel-Schoot, gemeente Cranendonck,

gedaagde,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Budel-Schoot, gemeente Cranendonck,

gedaagde,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

L & A FREIGHT B.V.,

gevestigd te Luchthaven Schiphol,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

4. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

HIGH LEVEL TRADING GMBH,

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

5. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER LOGISTICS AG + CO KG,

gevestigd te Vorarlberg (Oostenrijk),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

6. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER + CO. TRANSPORT AG,

gevestigd te Glattbrugg (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

7. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER + CO. TRANSPORT AG,

gevestigd te Muttenz (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

8. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

DELACHER + CO. TRANSPORT AG,

gevestigd te St. Margrethen (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F.P. Nabben,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

9. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

SABIEDRIBA AR IEROBEZOTU ATBILDIBU PRIVATAIS INVESTICIJU FONDS,

gevestigd te Riga (Letland),

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

De eisers in de zaak met nummer 124938 / HA ZA 06-748, tevens gedaagden sub 1 en 2 in de zaak met nummer 124968 / HA ZA 06-760 en verweerders in reconventie in beide zaken, zullen hierna tezamen DVE genoemd worden. De eiseres in de zaak met nummer 124968 / HA ZA 06-760, tevens verweerster in reconventie in die zaak, zal hierna Rutten genoemd worden. De in beide zaken verschenen gedaagden, tevens eiseressen in reconventie in beide zaken, zullen hierna tezamen Delacher genoemd worden.

1. De procedure

in de zaak 124938 / HA ZA 06-748

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 juli 2007 (hierna: het tussenvonnis);

- de nadere conclusie van 12 september 2007 zijdens Delacher;

- de antwoordconclusie in conventie van 5 december 2007 zijdens DVE.

in de zaak 124968 / HA ZA 06-760

1.2. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 juli 2007 (hierna: het tussenvonnis);

- de nadere conclusie van 12 september 2007 zijdens Delacher;

- het antwoord op voornoemde nadere conclusie bij nadere conclusie van 7 november 2007 zijdens Rutten.

2. De verdere beoordeling

in de zaken 124938 / HA ZA 06-748 en 124968 / HA ZA 06-760

in conventie en in reconventie

2.1. Wat betreft de feiten, de vorderingen en de grondslag daarvan verwijst de rechtbank naar hetgeen in het tussenvonnis is vastgesteld en overwogen.

2.2. De rechtbank zal eerst afzonderlijk de vorderingen in conventie in beide zaken bespreken en vervolgens, wegens inhoudelijke gelijkenis, gezamenlijk de vorderingen in reconventie in beide zaken.

in conventie

2.3. Delacher en DVE zijn verschenen. Tegen L & A Freight, High Level Trading (hierna: HLT) en Sabiedriba ar Ierobezotu Atbildibu Privatais Investiciju Fonds (hierna: SIAPIF) is verstek verleend. De rechtbank stelt voorop dat dit vonnis ingevolge artikel 140 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tussen alle partijen heeft te gelden als een vonnis op tegenspraak.

in de zaak 124938 / HA ZA 06-748

in conventie

2.4. De rechtbank zal in het navolgende de vordering van DVE per gedaagde bespreken.

DVE - gedaagden sub 3, 4 en 6

ontvankelijkheid

2.5. Delacher heeft bij conclusie van antwoord kennelijk bedoeld aan te voeren dat alleen gedaagde sub 5 de rechtens relevante Delacher vennootschap is. Zij heeft immers in haar conclusie van antwoord vermeld dat Delacher Oostenrijk – gedaagde sub 3 – niets met het transport van doen heeft en dat de vestigingen van Delacher in Glattburg en St. Margrethen geen entiteiten met rechtspersoonlijkheid zijn, maar adressen waar Delacher kantoor houdt. Gedaagde sub 3, gedaagde sub 4 en gedaagde sub 6 zijn derhalve ten onrechte in rechte betrokken, aldus Delacher.

2.6. Door DVE is niet betwist dat Delacher Oostenrijk niets met het transport van doen heeft. Voorts is door DVE niet betwist dat de Delacher vestigingen in Glattburg en St. Margrethen slechts adressen zijn waar Delacher kantoor houdt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat gedaagde sub 3, gedaagde sub 4 en gedaagde sub 6 met betrekking tot de diefstal geen vordering op DVE hebben en ook geen vordering jegens DVE zullen instellen, nu zij, zoals Delacher zelf aanvoert, niets met het transport van doen hebben dan wel geen rechtspersoonlijkheid bezitten. DVE heeft derhalve geen belang bij haar vorderingen jegens gedaagde sub 3, gedaagde sub 4 en gedaagde sub 6, zodat de rechtbank DVE niet ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen jegens de zojuist genoemde gedaagden.

DVE - Delacher

procesbelang

2.7. Anders dan Delacher bij nadere conclusie heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat DVE, zoals de rechtbank reeds bij tussenvonnis van 4 juli 2007 heeft overwogen, wel belang bij haar vordering jegens Delacher + Co Transport AG (hierna: Delacher) heeft. Vast staat dat tussen Delacher – gedaagde sub 5 – en DVE een vervoerovereenkomst is gesloten. Op deze vervoerovereenkomst is ingevolge artikel 1 van het CMR het CMR van toepassing, ook wanneer het zo zou zijn dat DVE het vervoer zonder overleg heeft uitbesteed terwijl in de aan DVE verstrekte opdracht staat dat dat niet mag.

aansprakelijkheid DVE

2.8. Het geschil tussen DVE en Delacher spitst zich toe op de vraag of, en zo ja in welke mate, DVE aansprakelijk is voor de schade die Delacher heeft geleden dan wel zal lijden ten gevolge van de diefstal van de goederen.

2.9. Op grond van artikel 17 lid 1 CMR is de vervoerder aansprakelijk – voor zover hier van belang – voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen. Indien de vervoerder voor het vervoer gebruik heeft gemaakt van ondergeschikten of hulppersonen, dan is hij ingevolge artikel 3 CMR ook aansprakelijk indien het verlies te wijten is aan het handelen van de ondergeschikte of de hulppersoon. In beginsel is de aansprakelijkheid van de vervoerder, ingevolge artikel 23 CMR, beperkt tot 8,33 SDR per kilogram gewicht. Wanneer het verlies van de goederen echter veroorzaakt is door schuld van de rechthebbende of wanneer er – kort gezegd – sprake is van vervoerdersovermacht, is de vervoerder op grond van artikel 17 lid 2 CMR ontheven van alle aansprakelijkheid. Anderzijds geldt, ingevolge artikel 29 CMR, dat de vervoerder aansprakelijk is voor de volledige schade indien de schade voortspruit uit zijn opzet of uit schuld zijnerzijds.

eigen schuld rechthebbende?

2.10. DVE stelt dat zij ingevolge artikel 17 lid 2 CMR niet aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de diefstal omdat de diefstal heeft kunnen gebeuren door schuld van de rechthebbende, nu er geen bijzondere instructies zijn gegeven en DVE niet op de hoogte was van de waarde van de goederen. Wanneer DVE op de hoogte was geweest van de hoge waarde, waarmee zij gezien de omschrijving geen rekening behoefde te houden, had zij de zending kunnen weigeren of veiligheidsmaatregelen kunnen treffen, aldus DVE. De rechtbank begrijpt dat DVE heeft bedoeld te stellen dat de diefstal heeft kunnen gebeuren door schuld van Delacher en dat Delacher als rechthebbende in de zin van het CMR moet worden gezien. Het is immers Delacher geweest die met DVE een vervoerovereenkomst heeft gesloten. Voorts is het, zo stelt DVE, Delacher geweest die heeft nagelaten instructies betreffende het vervoer aan DVE te geven.

2.11. De stelling van DVE wordt verworpen, waartoe als volgt wordt overwogen. Veronderstellenderwijs er van uitgaande dat DVE slechts wist dat het om het vervoer van “electronic equipment” ging en dat zij niet wist dat de lading bestond uit waardevolle computerprocessoren, maakt die omstandigheid niet dat het verlies van de goederen veroorzaakt is door schuld van Delacher. Hetzelfde geldt voor het feit dat er geen bijzondere instructies zijn gegeven. Van DVE mag overigens worden verwacht dat zij vraagt waar de lading uit bestaat, zeker wanneer DVE, zoals zij zelf stelt, de te nemen veiligheidsmaatregelen en de vrachtprijs afstemt op de waarde van de lading.

vervoerdersovermacht?

2.12. DVE beroept zich voorts op vervoerdersovermacht. Zij stelt daartoe dat zij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregelen om diefstal te voorkomen heeft genomen.

2.13. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. De omstandigheid dat (de chauffeur van) ondervervoerder Rutten de vrachtwagen met daarin de lading in de avond van 30 januari 2006 vóór het terrein van L & A Freight op de openbare weg geparkeerd heeft en zelf in de vrachtwagen is gaan slapen, terwijl het terrein voor de deur van L & A Freight niet als onveilig bekend staat, leidt niet tot de conclusie dat DVE alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder – daaronder begrepen de personen van wier hulp hij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt – te vergen maatregelen om diefstal te voorkomen heeft genomen. Andere omstandigheden voor een geslaagd beroep op overmacht heeft DVE niet gesteld, zodat ook het beroep op overmacht faalt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat van (de chauffeur van) Rutten – ook al verkeerde hij in de veronderstelling dat er bij L & A Freight 24 uur per dag gelost kon worden – in ieder geval redelijkerwijs verwacht kon worden dat hij voor aanvang van het transport van het terrein van Rutten in Limburg (waar de vrachtwagen in het weekend stond) naar Schiphol, met L & A Freight contact zou opnemen, zeker nu de goederen al in de ochtend van 30 januari 2006 bij L & A Freight afgeleverd hadden moeten worden.

doorbreking beperkte aansprakelijk wegens schuld of daarmee gelijk te stellen opzet?

2.14. Aldus komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vraag of DVE beperkt dan wel volledig aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de diefstal. DVE heeft zich in dit verband beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking op grond van artikel 23 CMR en zich voorts op het standpunt gesteld er geen grond is voor doorbreking van die beperkte aansprakelijkheid op grond van artikel 29 CMR wegens opzet of daarmee gelijk te stellen schuld.

2.15. Er is geen grond voor de door Delacher bepleite conclusie dat op DVE de bewijslast rust om aan te tonen dat de goederen zijn verdwenen buiten haar opzet of daarmee gelijk te stellen schuld. De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld rusten krachtens artikel 150 Rv in beginsel op Delacher. Ingevolge de hoofdregel van artikel 23 CMR is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot 8,33 SDR per kilogram gewicht, tenzij op grond van artikel 29 CMR sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld van de vervoerder. Het is aan de ladingbelanghebbende, in dit geval Delacher, om te stellen en zonodig te bewijzen dat er om die reden grond is voor doorbreking van de in beginsel beperkte aansprakelijkheid van de vervoerder. Die bewijslastverdeling vloeit voort uit de systematiek van de artikelen 23 en 29 CMR en is niet afhankelijk van de partij die het initiatief neemt tot een procedure. De omstandigheid, zoals door Delacher naar voren gebracht, dat het in dit geval DVE is die in conventie een verklaring voor recht vordert dat zij niet, althans beperkt, aansprakelijk is, doet derhalve niet af aan de bewijslastverdeling tussen vervoerder en ladingbelanghebbende.

2.16. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de stelling van Delacher dat DVE niet heeft aangetoond dat de goederen zijn verdwenen buiten haar, of die van de door haar ingeschakelde hulppersonen of ondergeschikten, opzet of daarmee gelijk te stellen schuld.

2.17. Delacher heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat DVE onvoldoende gegevens naar voren heeft gebracht over de oorzaak van het verlies van de goederen en dat DVE daarmee niet heeft voldaan aan haar plicht om Delacher voldoende aanknopingspunten te verschaffen voor de onderbouwing van haar stelling en zondig bewijslevering dat sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld aan de zijde van DVE. Volgens Delacher heeft DVE niet kunnen volstaan met een blote ontkenning van opzet of bewuste roekeloosheid en dient daarom haar beroep op artikel 23 CMR te worden afgewezen.

2.18. Het betoog van Delacher faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. DVE heeft immers gedetailleerd de gang van zaken uiteengezet tussen het moment van ontvangst van de goederen door de chauffeur in Zwitserland op vrijdag 27 januari 2006 en het moment van constatering van verdwijning van de goederen op dinsdagochtend 31 januari 2006. Dat DVE, dan wel Rutten of diens chauffeur, geen verklaring kan gegeven over de precieze toedracht van de verdwijning van de lading in de nacht van 30 op 31 januari 2006 kan niet aan DVE worden toegerekend, te meer nu uit de door DVE overgelegde verklaring van het parket Haarlem blijkt dat een strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar diefstal of verduistering van de lading, maar dat dit onderzoek onvoldoende gronden c.q. redenen van verdenking heeft opgeleverd om ook maar iemand ter zake van enig strafbaar feit met enig succes te kunnen gaan vervolgen. Gesteld noch gebleken is dat DVE over meer gegevens beschikt of had kunnen beschikken dan zij thans in het geding heeft gebracht.

betrokkenheid DVE bij diefstal?

2.19. Onder voornoemde omstandigheden had het op de weg van Delacher gelegen om haar stelling dat de goederen zijn verloren gegaan door opzet of daaraan gelijk te stellen schuld aan de zijde van DVE nader te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. Delacher heeft gesuggereerd dat sprake zou kunnen zijn geweest van diefstal in verband met een zogenoemde btw-carrousel, waarbij goederen via tussenhandelaren in verschillende landen worden verhandeld met als doel btw-afdracht te omzeilen en waarbij men de goederen uiteindelijk door diefstal uit de carrousel laat verdwijnen. Delacher heeft haar vermoeden onderbouwd met de door haar overgelegde aanslagen voor invoerrechten van de Duitse fiscus en een verklaring van de deskundige Schmöger dat daar bovenop nog een omvangrijke btw-vordering zal volgen. Deze aanslagen, wat daarvan overigens zij, zijn echter gericht tot HLT, de afzender van de goederen. Van enige betrokkenheid van DVE, dan wel Rutten van wier diensten DVE bij het vervoer gebruik heeft gemaakt, blijkt daaruit echter niet. Ook anderszins heeft Delacher de betrokkenheid van DVE bij de verdwijning van de goederen niet geconcretiseerd.

2.20. De door Delacher naar voren gebrachte omstandigheid dat zij het te toevallig acht dat de chauffeur juist op maandagavond na sluitingstijd bij L & A Freight aankwam en daardoor op openbare weg moest parkeren, dat de chauffeur niet om nadere instructies vroeg en vervolgens diezelfde nacht de goederen uit de vrachtwagen werden ontvreemd zonder sporen van braak, is onvoldoende concreet om daaruit een (vermoeden van) betrokkenheid van DVE bij de verdwijning te kunnen destilleren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat DVE gemotiveerd en onbetwist heeft aangegeven wat de reden van de vertraagde aankomst van de chauffeur bij L & A Freight was, gelegen in de persoonlijke omstandigheden van de chauffeur, het overlijden van zijn schoonvader, waardoor een chauffeurswisseling noodzakelijk was.

niet opvolgen instructies

2.21. Delacher heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat DVE geen beroep op aansprakelijkheidsbeperking op grond van artikel 23 CMR toekomt, omdat DVE, althans (de chauffeur van) Rutten, de instructie van Delacher om de goederen op 30 januari 2006 voor 10.00 uur af te leveren heeft genegeerd en geen nadere instructies heeft gevraagd en DVE daarnaast de instructie heeft genegeerd om het transport niet uit te besteden. Tussen partijen is niet in geschil dat DVE zich niet aan voornoemde instructies heeft gehouden en evenmin nadere instructies heeft gevraagd. Die omstandigheid kan echter niet leiden tot doorbreking van de in beginsel beperkte aansprakelijkheid van DVE. Daartoe dient immers ingevolge artikel 29 CMR sprake te zijn van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld, waarvan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad eerst sprake is indien de vervoerder zich ervan bewust was dat aan zijn gedraging het concrete gevaar dat zich heeft verwezenlijkt is verbonden en dat de kans dat dit gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit gevaar zich niet zou verwezenlijken. Het niet opvolgen van de instructies van de ladingbelanghebbende betekent niet zonder meer schending van voornoemde norm. Essentieel element van deze norm is immers dat aan de gedraging gevaar verbonden is en dat de kans dat dit gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan dat dit niet zal gebeuren (vgl. HR 11 oktober 2002, SES 2003, 61). Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan niet worden geconcludeerd dat het uitbesteden van het vervoer en het niet tijdig afleveren van de goederen een dergelijk grote kans op het verlies van de goederen heeft meegebracht

schending artikel 14 lid 1 en 12 lid 7 CMR?

2.22. Delacher heeft voorts betoogd dat sprake is van schending van artikel 14 lid 1 CMR door het niet vragen van nadere instructies en van artikel 12 lid 7 CMR door het negeren van de instructie om het vervoer niet uit te besteden. Nu de CMR voor de gevolgen van schending van artikel 14 lid 1 en artikel 12 lid 7 geen specifieke regeling kent, moet de aansprakelijkheid van DVE worden beoordeeld naar Nederlands recht, hetgeen ingevolge artikel 6:74 BW tot onbeperkte aansprakelijkheid leidt, aldus Delacher. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 17 CMR is de vervoerder in beginsel aansprakelijk voor het verlies van goederen, ongeacht of dit verlies verband houdt met het al dan niet naleven van de voorschriften van de CMR, en deze aansprakelijkheid is op grond van artikel 23 CMR in beginsel beperkt. Doorbreking van die beperkte aansprakelijkheid is exclusief neergelegd in artikel 29 CMR. Het bepaalde in artikel 29 CMR biedt geen ruimte voor toepassing van het nationale aansprakelijkheidsrecht, anders dan ter invulling van het criterium van met aan opzet gelijk te stellen schuld aan de zijde van de vervoerder. Zoals in het voorgaande reeds overwogen, is van aan opzet gelijk te stellen schuld aan de zijde van DVE niet gebleken.

conclusie

2.23. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de goederen zijn verloren gegaan door schuld van Delacher of dat sprake is van overmacht aan de zijde van DVE. Evenmin is komen vast te staan dat de goederen zijn verloren gegaan door opzet of daarmee gelijk te stellen schuld van DVE. DVE is derhalve beperkt aansprakelijk tot de in artikel 23 CMR genoemde limieten. De rechtbank zal de vordering van DVE in die zin toewijzen. Voor (verdere) beperking van haar aansprakelijkheid op grond van de Physical Distribution voorwaarden, zoals door DVE in haar nadere conclusie van antwoord bepleit, is geen grond, reeds omdat DVE aansprakelijkheidsbeperking op die grond niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.

DVE – gedaagden 1, 2 en 7

2.24. Ten aanzien van de niet verschenen gedaagden L & A Freight, HLT en SIAPIF komt de vordering te verklaren voor recht dat DVE beperkt aansprakelijk is op grond artikel 23 CMR niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom ook jegens hen worden toegewezen.

ten aanzien van alle partijen

2.25. Aangezien in conventie partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten in conventie compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de zaak 124968 / HA ZA 06-760

in conventie

2.26. De rechtbank zal in het navolgende de vordering van Rutten per gedaagde bespreken.

Rutten - gedaagden 5, 6 en 8

ontvankelijkheid

2.27. Rutten heeft evenals DVE in gevoegde zaak 124938 / HA ZA 06-748 niet betwist dat Delacher Oostenrijk niets met het transport van doen heeft en dat de vestigingen van Delacher in Glattburg en St. Magrethen slechts adressen zijn waar Delacher kantoor houdt. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 2.5 en 2.6 ten aanzien van DVE is de rechtbank derhalve van oordeel dat ook Rutten geen belang heeft bij haar vorderingen jegens gedaagde sub 5, gedaagde sub 6 en gedaagde sub 8, zodat de rechtbank Rutten niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen jegens voornoemde gedaagden.

Rutten - Delacher

procesbelang

2.28. Anders dan Delacher bij nadere conclusie heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat Rutten, zoals de rechtbank reeds bij tussenvonnis van 4 juli 2007 heeft overwogen, wel procesbelang heeft bij haar vordering jegens Delacher + Co Transport AG gevestigd te Muttenz (Delacher). Dat thans niet vast staat dat Delacher in de Zwitserse procedure zal worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, en derhalve een vordering zal hebben op Rutten, zoals door Delacher aangevoerd, is geen grond terug te komen op het in het tussenvonnis gegeven eindoordeel over het procesbelang van Rutten, nog daargelaten dat Delacher blijkens haar reconventionele eis wel degelijk een vordering stelt te hebben op Rutten in verband met het verlies van de goederen. De rechtbank verwijst derhalve naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis omtrent het procesbelang van Rutten.

2.29. Het geschil tussen Rutten en Delacher spitst zich derhalve toe op de vraag of, en zo ja in welke mate, Rutten aansprakelijk is voor de schade die Delacher heeft geleden dan wel zal lijden ten gevolge van het verlies van de goederen.

onrechtmatige daad en toepasselijk recht

2.30. Tussen partijen is niet in geschil dat een eventuele vordering tot schadevergoeding van Delacher jegens Rutten wegens het verlies van de goederen zal dienen te zijn gebaseerd op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, omdat tussen Delacher en Rutten geen contractuele relatie bestaat. De CMR is op die verhouding tussen Delacher en Rutten in beginsel niet van toepassing, behoudens het aan Rutten toekomende en in het navolgende te bespreken beroep op artikel 28 CMR. Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt een vordering uit onrechtmatige daad in beginsel beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden. Deze regel kan echter uitzondering lijden ingeval beide partijen zijn gevestigd in een ander land dan waar de onrechtmatige daad plaatsvond en de rechtsgevolgen daarvan zich geheel in dat andere land afspelen. Nu partijen zich er niet over hebben uitgelaten welk recht volgens hen van toepassing is, Rutten in Nederland is gevestigd en door Delacher mogelijk te vorderen schade in Nederland is geleden, is de rechtbank van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is.

2.31. De rechtbank is van oordeel dat het verlies van de goederen het gevolg is van een onrechtmatige daad van Rutten, omdat zij niet als zorgvuldig vervoerder heeft gehandeld door de vrachtwagen met daarin de lading in de avond van 30 januari 2006 vóór het terrein van L & A Freight op de openbare weg te parkeren en aldaar te overnachten, terwijl zij wist dat – zo is door haar niet betwist – de goederen al in de ochtend van 30 januari 2006 bij L & A Freight afgeleverd dienden te worden. Dat (de chauffeur van) Rutten in de veronderstelling verkeerde dat 24 uur per dag bij L & A Freight gelost kon worden doet daaraan niet af, nu Rutten niet heeft onderbouwd dat die veronderstelling gerechtvaardigd was. Ook door na te laten te informeren waaruit de lading bestond die zij vervoerde dan wel wat daarvan de waarde was, terwijl zij naar eigen zeggen de te nemen veiligheidsmaatregelen daarop afstemt, en voorts door na te laten voor aanvang van het transport van haar terrein in Limburg contact op te nemen met L & A Freight om te melden dat de goederen niet die ochtend konden worden afgeleverd, heeft Rutten niet als zorgvuldig vervoerder gehandeld door diefstal van de goederen zo veel als in redelijkheid mogelijk te voorkomen.

artikel 28 CMR

2.32. Wanneer het verlies van de goederen volgens de toepasselijke wet kan leiden tot een vordering die niet op de vervoersovereenkomst is gegrond, kan de vervoerder zich ingevolge artikel 28 lid 1 CMR beroepen op de bepalingen van de CMR die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of de verschuldigde schadevergoeding vaststellen of beperken. Nu het verlies van de goederen kan leiden tot een vordering van Delacher jegens Rutten uit onrechtmatige daad, komt Rutten een beroep toe op artikel 28 lid 1 CMR.

eigen schuld rechthebbende?

2.33. Rutten heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ingevolge artikel 17 lid 2 CMR niet aansprakelijk is voor de schade tengevolge van het verlies van de goederen omdat de diefstal heeft kunnen gebeuren door schuld van de rechthebbende, omdat er geen bijzondere instructies zijn gegeven en Rutten niet op de hoogte was van de waarde van de goederen. Wanneer Rutten op de hoogte was geweest van de hoge waarde, waarmee zij gezien de omschrijving geen rekening behoefde te houden, had zij de zending kunnen weigeren of veiligheidsmaatregelen kunnen treffen.

2.34. Het primaire verweer van Delacher dat het beroep op schuld van de rechthebbende naar zijn aard alleen kan werken tussen de oorspronkelijke contractspartijen en derhalve geen (derden)werking kan hebben ten opzichte van Delacher, die noch afzender noch geadresseerde is ten opzichte van Rutten, slaagt niet. Rutten kan zich immers, wanneer zij wordt aangesproken op grond van onrechtmatige daad en zonder dat sprake is van een contractuele relatie, ingevolge artikel 28 lid 1 CMR beroepen op de bepalingen van de CMR die zijn aansprakelijkheid uitsluiten. Het beroep van Rutten op eigen schuld van de rechthebbende als bedoeld in artikel 17 lid 2 CMR, is ontegenzeggelijk een beroep op een bepaling die zijn aansprakelijkheid uitsluit.

2.35. De rechtbank komt aldus toe aan de vraag of het beroep van Rutten op schuld van de rechthebbende ingevolge artikel 17 lid 2 CMR slaagt. Nu Rutten zich ten aanzien van deze vraag materieel van nagenoeg dezelfde argumenten heeft bediend als DVE in zaak 124938 / HA ZA 06-748, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.11, waarbij voor “DVE” steeds “Rutten” dient te worden gelezen, en wijst derhalve het beroep op eigen schuld van Delacher af.

vervoerdersovermacht?

2.36. Rutten heeft zich voorts beroepen op vervoerdersovermacht als bedoeld in artikel 17 lid 2 CMR. Zij heeft daartoe materieel eveneens nagenoeg hetzelfde aangevoerd als DVE in zaak 124938 / HA ZA 06-748. De rechtbank verwijst derhalve naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13, waarbij voor “DVE” “Rutten” dient te worden gelezen, en wijst het beroep op vervoerdersovermacht af.

doorbreking beperkte aansprakelijk wegens schuld of daarmee gelijk te stellen opzet?

2.37. Het komt derhalve ook in onderhavige zaak aan op de vraag of Rutten beperkt dan wel volledig aansprakelijk is voor de schade tengevolge van het verlies van de goederen. Rutten heeft zich beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking op grond van artikel 23 CMR en zich voorts op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor doorbreking van die beperkte aansprakelijkheid op grond van artikel 29 CMR wegens opzet of daarmee gelijk te stellen schuld.

2.38. Partijen hebben zich ook ten aanzien van dit geschilpunt bediend van materieel nagenoeg dezelfde stellingen en argumenten als de partijen in de gevoegde zaak 124938 / HA ZA 06-748. De rechtbank volstaat derhalve met een verwijzing naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.15 tot en met 2.23, met uitzondering van hetgeen is overwogen onder 2.22 nu Delacher zich ten aanzien van Rutten niet op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van schending van artikel 14 lid 1 en 12 lid 7 CMR, waarbij voor “DVE” steeds “Rutten” dient te worden gelezen. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat Rutten ten opzichte van Delacher beperkt aansprakelijk is voor het verlies van de goederen tot de in artikel 23 CMR genoemde limieten. De rechtbank zal de vordering van Rutten in die zin toewijzen.

Rutten - DVE

2.39. Het geschil tussen Rutten en DVE betreft de vraag of, en zo ja in welke mate Rutten aansprakelijk is voor de schade die DVE heeft geleden dan wel zal lijden ten gevolge van het verlies van de goederen.

eigen schuld rechthebbende of vervoerdersovermacht?

2.40. Een eventuele schadevordering van DVE zal gebaseerd kunnen worden op artikel 17 lid 1 CMR, nu tussen Rutten en DVE wel sprake is van een vervoersovereenkomst. Ook ten aanzien van DVE heeft Rutten zich echter op het standpunt gesteld dat zij ingevolge artikel 17 lid 2 CMR niet aansprakelijk is voor de schade omdat sprake is van eigen schuld aan de zijde van DVE en omdat sprake is van vervoerdersovermacht. Partijen hebben in dit verband materieel eveneens nagenoeg dezelfde argumenten aangevoerd als de partijen in het voorgaande besproken geschil tussen Rutten en Delacher en partijen in de gevoegde in zaak 124938 / HA ZA 06-748. De rechtbank verwijst derhalve naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.11 en 2.13, waarbij voor “Delacher” “DVE” respectievelijk voor “DVE” “Rutten” en voor “Delacher” “DVE” dient te worden gelezen. De rechtbank wijst derhalve het beroep van Rutten op schuld van de rechthebbende en op vervoerdersovermacht af.

doorbreking beperkte aansprakelijk wegens schuld of daarmee gelijk te stellen opzet?

2.41. Gelet op het voorgaande is het uitgangspunt dat Rutten ingevolge artikel 23 lid 1 CMR beperkt aansprakelijk is voor de (eventuele) schade van DVE voor het verlies van de goederen. De door DVE in haar conclusie van antwoord opgeworpen mogelijkheid dat sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld in de zin van artikel 29 CMR aan de zijde van Rutten, in welk geval Rutten zich niet op de aansprakelijkheidsbeperking zou kunnen beroepen, is door haar niet nader geconcretiseerd. De rechtbank zal haar stellingen op dit punt daarom als onvoldoende onderbouwd passeren. Het standpunt van DVE dat Rutten onvoldoende gegevens heeft verstrekt over de toedracht van het verlies van de goederen om haar beroep op schuld of daarmee gelijk te stellen opzet te onderbouwen slaagt niet, nu gesteld noch gebleken is dat Rutten over meer relevante gegevens beschikt of had kunnen beschikken dan waarover DVE blijkens het overwogene onder 2.18 heeft beschikt. Voor zover DVE heeft beoogd aan te sluiten bij hetgeen Delacher in deze procedure heeft aangevoerd omtrent de gestelde opzet of daarmee gelijk te stellen schuld aan de zijde van Rutten, slaagt haar verweer evenmin. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van Delacher onder 2.37 en 2.38.

2.42. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat Rutten ook ten opzichte van DVE beperkt aansprakelijk is voor het verlies van de goederen tot de in artikel 23 CMR genoemde limieten. De rechtbank zal de vordering van Rutten in die zin toewijzen.

Rutten - gedaagden 3, 4 en 9

2.43. Ten aanzien van de niet verschenen gedaagden L & A Freight, HLT en SIAPIF komt de vordering te verklaren voor recht dat Rutten beperkt aansprakelijk is op grond van artikel 23 CMR niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom ook jegens hen worden toegewezen.

ten aanzien van alle partijen

2.44. Aangezien in conventie partijen in conventie over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten in conventie compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de zaken 124938 / HA ZA 06-748 en 124968 / HA ZA 06-760

in reconventie

2.45. Ten aanzien van de vordering van Delacher om DVE en Rutten te veroordelen tot betaling van de som waartoe Delacher in de Zwitserse procedure mocht worden veroordeeld, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 4 juli 2007 de zaak aangehouden totdat de uitkomst van de Zwitserse procedure vast staat. De rechtbank zal daarom de zaak in reconventie in zoverre naar de parkeerrol verwijzen in afwachting van de uitkomst in de Zwitserse procedure.

2.46. Thans staat in reconventie ter beoordeling de vordering van Delacher om DVE en Rutten te veroordelen tot betaling van EUR 153.810,32, zijnde het bedrag waarvoor Delacher door de Nederlandse belastingdienst is aangeslagen wegens niet-zuivering van het zogenaamde T1-document met betrekking tot de ontvreemde goederen. Volgens Delacher zijn DVE en Rutten – eveneens – aansprakelijk voor deze niet-zuiveringsschade jegens Delacher.

Delacher - DVE

eisvermeerdering en de goede procesorde

2.47. DVE heeft zich tegen de vermeerdering van eis waarbij Delacher de niet-zuiveringsschade heeft gevorderd verzet omdat deze in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde.

2.48. Op grond van artikel 130 Rv is een eisvermeerdering mogelijk zolang nog geen eindvonnis is gewezen, tenzij de wijziging in strijd is met de goede procesorde. Daarvan is sprake als de gedaagde partij onredelijk in zijn verdediging wordt bemoeilijkt of de procedure onredelijk wordt vertraagd. De rechtbank is van oordeel dat DVE niet in haar processuele belangen is geschaad, nu Delacher haar eisvermeerdering heeft gebaseerd op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als haar aanvankelijke reconventionele eis en van haar verweer in conventie – aansprakelijkheid van DVE voor het verlies van de goederen – en die derhalve al voor de akte tot vermeerdering van eis deel uitmaakte van het debat tussen partijen. DVE heeft bovendien de gelegenheid gehad bij antwoordconclusie op de eisvermeerdering te reageren en zij heeft daarvan ook gebruik gemaakt. De rechtbank staat derhalve de eiswijziging toe en verklaart het verzet daarom ongegrond.

verjaring?

2.49. DVE heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering van Delacher wegens verjaring niet toewijsbaar is. Delacher heeft haar vordering tot vergoeding van de niet-zuiveringsschade van het T1-biljet ingesteld bij akte houdende vermeerdering van eis van 15 mei 2007, terwijl die vordering volgens DVE op grond van artikel 32 CMR reeds op 29 februari 2007 (de rechtbank begrijpt 1 maart 2007) was verjaard. De zending diende immers op 30 januari 2006 afgeleverd te worden.

2.50. De rechtbank verwerpt het beroep van DVE op verjaring, nu de vermeerdering van eis van Delacher berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als haar inleidende eis in reconventie. Zowel de vordering van Delacher tot betaling van hetgeen waartoe zij in de Zwitserse procedure jegens HLT mocht worden veroordeeld als haar aanvullende vordering tot vergoeding van de niet-zuiveringsschade zijn immers gegrond op de stelling van Delacher dat DVE (volledig) aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door het verlies van de goederen, ter onderbouwing waarvan Delacher heeft aangesloten bij hetgeen zij in conventie als verweer naar voren heeft gebracht. De vermeerdering van eis brengt derhalve geen nieuwe rechtsvordering mee. Voor de beoordeling of het beroep van DVE op verjaring doel treft, is het tijdstip van de rechtsingang beslissend (vgl. HR 8 oktober 2004, NJ 2004 en HR 26 oktober 2007, NJ 2007, 578). Nu het tijdstip van de rechtsingang – gelet op het voorgaande de vordering in reconventie – 13 september 2006 is, slaagt het beroep op artikel 32 CMR (verjaring) niet.

Delacher - DVE en Rutten

schadevordering wegens niet zuiveren T1-biljet toewijsbaar?

2.51. Aldus staat thans in reconventie ter beoordeling of DVE en Rutten jegens Delacher aansprakelijk zijn voor de schade ten gevolge van het niet zuiveren van het T1-biljet, bestaande uit de aan Delacher opgelegde uitnodiging tot betaling van een bedrag van EUR 153.810,32. DVE heeft aansprakelijkheid voor voornoemde schade afgewezen onder verwijzing en herhaling van hetgeen zij in conventie naar voren heeft gebracht. Rutten heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet tot vergoeding van invoerrechten gehouden is.

2.52. De vordering tot vergoeding van voornoemde schade is naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. Gelet op hetgeen in zaak 124938 / HA ZA 06-748 in conventie is overwogen onder 2.14 tot en met 2.23 en in zaak 124968 / HA ZA 06-760 in conventie onder 2.29 en 2.38 zijn DVE en Rutten op grond van artikel 23 CMR beperkt aansprakelijk voor de schade bestaande uit de afzendwaarde van de verloren gegane goederen. De kosten tengevolge van het niet zuiveren van het T1-biljet kunnen echter niet worden geacht onderdeel uit te maken van de (gelimiteerde) afzendwaarde van de goederen. De bij inontvangstneming verschuldigde belasting maakt immers geen onderdeel uit van de marktwaarde van de goederen bij afzending.

2.53. Voor zover Delacher tevens heeft bedoeld te betogen dat de kosten wegens het niet zuiveren van het T1-biljet dienen te worden gerekend tot de douanerechten dan wel overige met het vervoer van de goederen gemaakte kosten die op grond van artikel 23 lid 4 CMR voor vergoeding in aanmerking komen, slaagt dat betoog evenmin. De kosten waarop in artikel 23 lid 4 CMR wordt gedoeld betreffen de kosten die voor de ladingbelanghebbende rechtstreeks aan (de normale uitvoering van) het vervoer als zodanig zijn verbonden. De kosten omvatten dus niet de door Delacher gevorderde kosten die onder het desbetreffende douanerechtelijke regime in verband staan met het verlies van de goederen wegens tekortschieten van de vervoerder in de nakoming van zijn verplichtingen uit de vervoersovereenkomst (vgl. HR 14 juli 2006, NJ 2006, 599).

2.54. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van de schade wegens het niet zuiveren van het T1-biljet afwijzen. De beslissing over de proceskostenvergoeding zal de rechtbank aanhouden totdat ook op de vordering van Delacher tot betaling van de som waartoe Delacher in de Zwitserse procedure mocht worden veroordeeld, is beslist.

3. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 124938 / HA ZA 06-748

in conventie

3.1. verklaart DVE niet-ontvankelijk in haar vordering jegens gedaagden sub 3, 4 en 6,

3.2. verklaart voor recht dat DVE tot niet meer dan de in artikel 23 CMR genoemde limieten door Delacher, L & A Freight, HLT en SIAPIF, dan wel door één of enkelen van hen, aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die is ontstaan door het verlies van de lading in de nacht van 30 op 31 januari 2006,

3.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

3.4. wijst de vordering tot vergoeding van de schade wegens het niet zuiveren van het T1-biljet af,

3.5. bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 7 oktober 2009 voor uitlaten ex artikel 11.5 Landelijk Rolreglement (met ingang van 1 september 2008 artikel 9.5 Landelijk Rolreglement),

3.6. houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak 124968 / HA ZA 06-760

in conventie

3.7. verklaart Rutten niet-ontvankelijk in haar vordering jegens gedaagden sub 5, 6 en 8,

3.8. verklaart voor recht dat Rutten tot niet meer dan de in artikel 23 CMR genoemde limieten door Delacher, L & A Freight, HLT, SIAPIF en DVE, dan wel door één of enkelen van hen, aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die is ontstaan door het verlies van de lading in de nacht van 30 op 31 januari 2006,

3.9. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

3.10. wijst de vordering tot vergoeding van de schade wegens het niet zuiveren van het T1-biljet af,

3.11. bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 7 oktober 2009 voor uitlaten ex artikel 11.5 Landelijk Rolreglement (met ingang van 1 september 2008 artikel 9.5 Landelijk Rolreglement),

3.12. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. S. Sicking en mr. L.M. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.?