Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BE9407

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
08-5117
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding. De CRvB eist van ongehuwd samenwonenden die stellen, dat er sprake is van een zakelijke relatie en niet van een gezamenlijke huishouding, dat zij aantonen dat sprake is van een zakelijke overeenkomst waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn en op een voor verweerder eenvoudig te controleren wijze inzichtelijk worden gemaakt. Verzoekster heeft niet aan deze vereisten voldaan. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 5117

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2008

in de zaak van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats verzoekster],

verzoekster,

gemachtigde: J. Sarnaat, medewerkster Brijder te Purmerend,

tegen:

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Purmerend,

verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2008 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat haar geen uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toekomt omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met [naam].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 27 mei 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 juli 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 augustus 2008, alwaar verzoekster is verschenen en voor verweerder is verschenen J. de Groot.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster ontving van 27 februari 2007 tot 18 juni 2007 een WWB-uitkering van verweerder. Op 19 maart 2008 is haar detentie geëindigd en verzoekster heeft zich op 25 maart 2008 tot het Centrum voor werk en inkomen (CWI) gewend met een aanvraag om een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Op 29 april 2008 heeft een medewerker van verweerder met verzoekster een intakegesprek gevoerd. Op 15 mei 2007 heeft een medewerker van verweerder een huisbezoek afgelegd. Vervolgens heeft verweerder het besluit van 20 mei 2007 genomen.

2.2 Verweerder is van mening dat, uitgaande van de bij de intake ontvangen informatie in onderlinge samenhang beschouwd met hetgeen bij het huisbezoek is aangetroffen, aangenomen moet worden dat verzoekster met [naam] een gezamenlijke huishouding voert.

2.3 Verzoekster kan zich niet met de bestreden beslissing verenigen. Volgens verzoekster stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding met [naam] Er is volgens verzoekster geen sprake van een financiële verstrengeling tussen haar en[naam] Zij delen uitsluitend de woning. Daarnaast voorzien zij niet in elkaars verzorging. Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat verweerder haar, tot haar detentie, bij gelijke omstandigheden ook een WWB-uitkering heeft verstrekt. Verzoekster stelt dat zij afgesproken heeft met [naam] dat zij huur zal gaan betalen zodra zij inkomsten heeft. Verzoekster heeft ter zitting benadrukt dat zij in een financiële noodsituatie verkeert, geen inkomsten heeft en wel schulden. Zij stelt een spoedeisend belang te hebben bij een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.5 Ingevolge artikel 3, derde lid, WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.6 Vaststaat dat verzoekster en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde tweekamerwoning. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan van wederzijdse verzorging worden gesproken, als sprake is van een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Als van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten of omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 9 april 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BA2618.

2.7 De CRvB eist van ongehuwd samenwonenden die stellen, dat er sprake is van een zakelijke relatie en niet van een gezamenlijke huishouding, dat zij aantonen dat sprake is van een zakelijke overeenkomst waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn en op een voor verweerder eenvoudig te controleren wijze inzichtelijk worden gemaakt (zie CRvB 12 mei 1998 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl LJN: ZB7597). De bewijslast dat sprake is van een zakelijke relatie ligt bij verzoekster. Het ligt derhalve op verzoeksters weg om aan de hand van verifieerbare gegevens voldoende aannemelijk te maken dat op zakelijke basis tegen een als reëel aan te merken (huur)prijs onderdak verschaft wordt door [naam] en dat ook overigens een duidelijke scheiding bestaat tussen de door verzoekster en [naam] gevoerde huishoudens, wat betreft slaapgelegenheid, persoonlijke bezittingen, keukengebruik, kastgebruik, boodschappen, kledingwassing en dergelijke. Nu zij dit niet hebben gedaan dienen de onduidelijkheden die blijven bestaan over de verhouding tussen verzoekster en [naam] voor risico van verzoekster te komen.

2.8 De voorzieningenrechter is gezien het vorenstaande van oordeel dat er op dit moment geen twijfel bestaat of de bestreden beschikking wel in stand zal kunnen blijven. Daarom bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning - Huydecoper, voorzieningenrechter, en op 26 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Oltmans, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.