Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BE9169

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-08-2008
Datum publicatie
26-08-2008
Zaaknummer
15/601610-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 5 Wegenverkeerswet; vrijspraak voor (poging) verlaten plaats aanrijding; beroep op AVAS verworpen.

Blijkens de stukken in het dossier heeft verdachte op 24 juli 2006 als bestuurder van een motorrijtuig gereden op de Raaks te Haarlem. Aldaar heeft verdachte over het fietspad gereden en een fietser, te weten [slachtoffer], met haar auto van achteren aangereden. Vervolgens is verdachte doorgereden en op de hoek van de Raaks door een omstander tot stilstand gebracht, waarna de autosleutel uit het contact is gehaald. Verdachte heeft zowel in het proces-verbaal van verhoor van 24 juli 2006 als ter terechtzitting verklaard dat zij zich niets van de aanrijding kan herinneren en mogelijk een black-out heeft gehad.

Blijkens de getuigenverklaring van [getuige], afgelegd op 13 augustus 2006, reed verdachte met hoge toeren over het fietspad, week zij niet uit voor de fietser en verminderde zij geen snelheid toen zij de fietser naderde. Nadat zij de fietser had aangereden, bleef verdachte met dezelfde snelheid en met hetzelfde hoge toerental doorrijden. Ook het slachtoffer heeft verklaard dat zij achter zich een voertuig hoorde dat met een hoog toerental reed.

In het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2006 is gerelateerd dat de ter plaatste aanwezige ambulancemedewerker verdachte onderzocht heeft en verklaard heeft dat verdachte mogelijk een black-out heeft gehad.

Blijkens de registratieset van de politie Kennemerland was het ten tijde van de aanrijding daglicht en droog en was tevens het wegdek droog. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 3 augustus 2006 is gebleken dat verdachte ten tijde van het ongeval niet onder invloed van alcohol verkeerde. Omdat verdachte ten tijde van de aanrijding Camcoliet, een medicijn tegen stemmingswisselingen, gebruikte, is tevens een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid hiervan in het bloed en naar de eventuele beïnvloeding van de rijvaardigheid hiervan. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 2 november 2006 blijkt dat zich in het bloed van verdachte weliswaar lithium bevond, maar dat een negatieve beïnvloeding hiervan op de rijvaardigheid niet kan worden geconcludeerd.

Gelet op de verklaring van de verdachte, het door [getuige] beschreven rijgedrag van verdachte, de bevindingen van de ambulancemedewerker en het feit dat uit de gedingstukken geen andere verklaring voor het ongeval naar voren komt, acht de politierechter het aannemelijk dat verdachte ten tijde van de aanrijding een black-out heeft gehad. Naar het oordeel van de politierechter kan derhalve niet worden bewezenverklaard dat verdachte wist of moest vermoeden dat zij een aanrijding had veroorzaakt waarbij letsel was toegebracht.

De politierechter acht, gelet op het hiervoor overwogene, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De politierechter zal verdachte hiervan vrijspreken.

Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld is vereist dat verdachte strafrechtelijk geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij voor de aanrijding vaker een black-out heeft gehad, niet weet waardoor die black-outs veroorzaakt zijn en geen medisch onderzoek heeft laten verrichten naar de oorzaak daarvan. Dat verdachte is gaan autorijden, wetende dat zij last heeft van black-outs, terwijl zij niet weet waardoor die black-outs veroorzaakt worden, maakt dat verdachte strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat zij niet eerder in het verkeer een black-out heeft gehad, wil, zoals ook is gebleken, niet zeggen dat verdachte er geen rekening mee behoefde te houden dat dit ook in het verkeer zou kunnen gebeuren. Dat verdachte twee weken voor de onderhavige aanrijding nog een onderzoek naar haar rijvaardigheid heeft ondergaan, doet hieraan niet af. Niet blijkt dat verdachte er bij die gelegenheid melding van heeft gemaakt dat zij last had van black-outs, terwijl voorts de afwezigheid van een black-out tijdens dat onderzoek een black-out tijdens een latere autorit niet uitsluit. Van een situatie dat verdachte strafrechtelijk geen enkel verwijt kan worden gemaakt, is dan ook geen sprake, waardoor het beroep op afwezigheid van alle schuld niet kan slagen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

POLITIERECHTER

Parketnummer: 15/601610-06

Uitspraakdatum: 25 augustus 2008

Tegenspraak

SCHRIFTELIJK VONNIS (art. 379 Sv)

van de politierechter in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2008.

De politierechter heeft de zaak onderzocht, gehoord de vordering van de officier van justitie en in aanmerking genomen hetgeen namens verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1. Primair

zij op of omstreeks 24 juli 2006 te Haarlem als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Raaks, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht;

Feit 1. Subsidiair

zij op of omstreeks 24 juli 2006 te Haarlem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Raaks, terwijl bij dat ongeval naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht, de plaats van het ongeval te verlaten, met dat opzet, om een ten val gekomen fietser heen is gereden, welke fietser kort daarvoor door haar, verdachte, van achteren was aangereden en vervolgens haar, verdachtes, weg heeft vervolgd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2.

zij op of omstreeks 24 juli 2006 te Haarlem als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Raaks,

- over het aldaar gelegen fietspad heeft gereden en/of (vervolgens)

- tegen een voor haar, verdachte, rijdende fietser is aangereden of gebotst,

waarna en/of (mede) waardoor die fietser ten val kwam, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde: vrijspraak

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 1 primair tenlastegelegde ‘doorrijden na aanrijding’ en de onder 1 subsidiair tenlastegelegde poging daartoe, aangezien het zeer aannemelijk is dat verdachte een black-out heeft gehad. Zo verklaart [getuige] dat verdachte met hoge toeren over het fietspad reed, niet inhield of remde toen zij op het slachtoffer inreed en niet inhield of remde nadat zij het slachtoffer had aangereden. Omstanders hebben haar tot stoppen gedwongen, waarna ambulancepersoneel constateerde dat verdachte mogelijk een black-out heeft gehad. Bovendien herkent verdachte niet de politieagent die zij 20 minuten eerder nog had aangesproken. Een en ander betekent dat verdachte geen wetenschap heeft gehad of had moeten hebben van de aanrijding en het daaruit ontstane letsel, hetgeen tot vrijspraak van het tenlastegelegde dient te leiden.

De politierechter overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de stukken in het dossier heeft verdachte op 24 juli 2006 als bestuurder van een motorrijtuig gereden op de Raaks te Haarlem. Aldaar heeft verdachte over het fietspad gereden en een fietser, te weten [slachtoffer], met haar auto van achteren aangereden. Vervolgens is verdachte doorgereden en op de hoek van de Raaks door een omstander tot stilstand gebracht, waarna de autosleutel uit het contact is gehaald. Verdachte heeft zowel in het proces-verbaal van verhoor van 24 juli 2006 als ter terechtzitting verklaard dat zij zich niets van de aanrijding kan herinneren en mogelijk een black-out heeft gehad.

Blijkens de getuigenverklaring van [getuige], afgelegd op 13 augustus 2006, reed verdachte met hoge toeren over het fietspad, week zij niet uit voor de fietser en verminderde zij geen snelheid toen zij de fietser naderde. Nadat zij de fietser had aangereden, bleef verdachte met dezelfde snelheid en met hetzelfde hoge toerental doorrijden. Ook het slachtoffer heeft verklaard dat zij achter zich een voertuig hoorde dat met een hoog toerental reed.

In het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2006 is gerelateerd dat de ter plaatste aanwezige ambulancemedewerker verdachte onderzocht heeft en verklaard heeft dat verdachte mogelijk een black-out heeft gehad.

Blijkens de registratieset van de politie Kennemerland was het ten tijde van de aanrijding daglicht en droog en was tevens het wegdek droog. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 3 augustus 2006 is gebleken dat verdachte ten tijde van het ongeval niet onder invloed van alcohol verkeerde. Omdat verdachte ten tijde van de aanrijding Camcoliet, een medicijn tegen stemmingswisselingen, gebruikte, is tevens een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid hiervan in het bloed en naar de eventuele beïnvloeding van de rijvaardigheid hiervan. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 2 november 2006 blijkt dat zich in het bloed van verdachte weliswaar lithium bevond, maar dat een negatieve beïnvloeding hiervan op de rijvaardigheid niet kan worden geconcludeerd.

Gelet op de verklaring van de verdachte, het door [getuige] beschreven rijgedrag van verdachte, de bevindingen van de ambulancemedewerker en het feit dat uit de gedingstukken geen andere verklaring voor het ongeval naar voren komt, acht de politierechter het aannemelijk dat verdachte ten tijde van de aanrijding een black-out heeft gehad. Naar het oordeel van de politierechter kan derhalve niet worden bewezenverklaard dat verdachte wist of moest vermoeden dat zij een aanrijding had veroorzaakt waarbij letsel was toegebracht.

De politierechter acht, gelet op het hiervoor overwogene, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De politierechter zal verdachte hiervan vrijspreken.

3.2 Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde

3.2.1 Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

zij op 24 juli 2006 te Haarlem als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Raaks, over het aldaar gelegen fietspad heeft gereden en vervolgens tegen een voor haar, verdachte, rijdende fietser is aangereden waardoor die fietser ten val kwam, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de politierechter deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2.2 Bewijsmiddelen

De politierechter grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat. De door de politierechter als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Nu het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige], zoals vermeld onder 3.2.2.3, niet is ondertekend door de getuige, zal de politierechter dit als ander geschrift aanduiden. Dit bewijsmiddel wordt alleen in samenhang met de andere bewijsmiddelen gebezigd.

3.2.2.1 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 juli 2006 (dossierpagina 18-20). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de door verdachte afgelegde verklaring:

Maandag 24 juli 2006 reed ik in Haarlem als bestuurder van een grijze Ford type Escort Clipper. Ineens stond ik stil en stond er politie om me heen. Ik heb later begrepen dat ik een aanrijding heb veroorzaakt.

3.2.2.2 Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 28 juli 2006 (dossierpagina 24-26). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de door de aangeefster afgelegde verklaring:

Op maandag 24 juli 2006, omstreeks 10.00 uur, reed ik op mijn fiets over het fietspad van de Raaks te Haarlem. Ik hoorde dat er achter mij een voertuig met hoge toeren reed. Ik reed op het fietspad op ongeveer 10 centimeter vanaf de stoep. Ik dacht nog, ik ga meer naar rechts zodat andere bestuurders er makkelijker langs kunnen. Voor mijn gevoel een fractie later voelde ik iets mijn nek raken en ik lag op de grond. Toen ik op de grond lag, zag ik een grijze personenauto over het fietspad bij mij vandaan rijden. Kennelijk was ik door deze personenauto aangereden.

3.2.2.3 Een schriftelijk bescheid, zijnde een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 13 augustus 2006 (dossierpagina 28-29). Dit schriftelijk bescheid houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de door de getuige afgelegde verklaring:

Op maandag 24 juli 2006, omstreeks 10.35 uur, bevond ik mij op de hoek van de Gedempte Oude Gracht en de Raaks te Haarlem. Ik hoorde dat er een auto met hoge toeren reed. Ik keek gelijk om om te kijken waar het geluid vandaan kwam. Ik zag dat er een zilver/grijze stationcar over het fietspad reed. Ik zag dat de auto over het fietspad reed, achter de bushalte langs. Ik zag dat er in de verte een fietser over het fietspad reed. Ik zag dat de auto, die over het fietspad bleef rijden, niet van snelheid verminderde of uitweek voor de fietser. Vervolgens zag ik dat de fietser van achter werd aangereden. Ik zag de fietser in de lucht vliegen.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft met een beroep op afwezigheid van alle schuld, betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging aangezien zij een black-out had ten tijde van het tenlastegelegde rijgedrag. Van enig verwijt kan geen sprake zijn, nu zij twee weken voor de onderhavige aanrijding nog een onderzoek naar haar rijvaardigheid heeft ondergaan, dat zij met voldoende resultaat heeft afgelegd.

De politierechter overweegt hieromtrent het volgende.

Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld is vereist dat verdachte strafrechtelijk geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij voor de aanrijding vaker een black-out heeft gehad, niet weet waardoor die black-outs veroorzaakt zijn en geen medisch onderzoek heeft laten verrichten naar de oorzaak daarvan. Dat verdachte is gaan autorijden, wetende dat zij last heeft van black-outs, terwijl zij niet weet waardoor die black-outs veroorzaakt worden, maakt dat verdachte strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat zij niet eerder in het verkeer een black-out heeft gehad, wil, zoals ook is gebleken, niet zeggen dat verdachte er geen rekening mee behoefde te houden dat dit ook in het verkeer zou kunnen gebeuren. Dat verdachte twee weken voor de onderhavige aanrijding nog een onderzoek naar haar rijvaardigheid heeft ondergaan, doet hieraan niet af. Niet blijkt dat verdachte er bij die gelegenheid melding van heeft gemaakt dat zij last had van black-outs, terwijl voorts de afwezigheid van een black-out tijdens dat onderzoek een black-out tijdens een latere autorit niet uitsluit. Van een situatie dat verdachte strafrechtelijk geen enkel verwijt kan worden gemaakt, is dan ook geen sprake, waardoor het beroep op afwezigheid van alle schuld niet kan slagen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld terzake van feit 1 primair tot een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis en terzake van feit 2 tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

6.2. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder overweegt de politierechter het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gevaarzetting in het verkeer. Hierdoor is een fietser ten val gekomen en gewond geraakt. Dergelijke ongelukken brengen gevoelens van angst en onrust teweeg, niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij andere verkeersdeelnemers. Verkeersdeelnemers moeten er op kunnen vertrouwen dat de verkeersveiligheid in acht wordt genomen.

In het voordeel van verdachte neemt de politierechter in aanmerking dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en langere tijd op haar berechting heeft moeten wachten.

Op grond van het vorenoverwogene is de politierechter van oordeel dat een boete van na te noemen hoogte moet worden opgelegd.

Anders dan de officier van justitie, is de politierechter voorts van oordeel dat de ernst van het feit een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van na te noemen duur rechtvaardigt en zal deze daarom dan ook opleggen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht;

5, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. Beslissing

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het haar onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 300,- (zegge: driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zegge: zes) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (zegge: drie) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. De Vries – van den Heuvel, politierechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van der Graaff,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2008.