Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BE9055

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
22-08-2008
Zaaknummer
08-3973 en 08-3974
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft bijzondere bijstand aangevraagd ter bestrijding van kosten van remigratie naar Curaçao. Het territorialiteitsbeginsel staat in beginsel aan toekenning van (bijzondere) bijstand in de weg. Toekenning hiervan is in dit geval slechts mogelijk, als sprake is van een acute noodsituatie. Dat heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3973 en 3974 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2008

in de zaken van:

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toekenning van bijzondere bijstand ter bestrijding van kosten van remigratie afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 maart 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 april 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 mei 2008 beroep ingesteld. Bij brief van eveneens 9 mei 2008 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 25 juni 2008, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.E. Stam, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Homan, werkzaam bij de gemeente

Zaanstad.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het nu voorliggende geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Eiseres is afkomstig uit Curaçao. Zij ontvangt een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ten bedrage van € 951,-- netto per maand. Deze WAO-uitkering is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100. Eiseres heeft voorts de zorg voor een 16-jarige dochter. Op 5 februari 2008 heeft eiseres bij verweerder op grond van artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter bestrijding van de kosten van remigratie naar Curaçao. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd.

2.3 Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij stelt dat haar psychische klachten dermate ernstig zijn, dat haar remigratie naar Curaçao noodzakelijk is. Eiseres stelt in dat verband dat sprake is van een acute noodsituatie. Hiertoe voert zij aan dat zij vanaf 2 oktober 2007 gedurende een half jaar drie dagen per week opgenomen is geweest op de afdeling Psychiatrie van het Zaans Medisch Centrum. Daarnaast wijst zij op de rapportage van de verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 20 maart 2007. Inmiddels is eiseres met haar dochter naar Curaçao vertrokken.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat toekenning van bijzondere bijstand ter bestrijding van kosten van remigratie uitgesloten is, omdat het als gevolg van het territorialiteitsbeginsel niet mogelijk is bijstand te verlenen voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Bovendien is er volgens verweerder geen sprake van een acute noodsituatie, omdat gesteld noch gebleken is dat eiseres in een levensbedreigende situatie verkeert.

2.5 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel, dat het zogeheten territorialiteitsbeginsel aan toewijzing van de aanvraag van eiseres in de weg staat. Immers, ingevolge ter zake vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) sluit dit beginsel, dat ten grondslag ligt aan de WWB, de mogelijkheid van bijstandsverlening uit voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Hieronder vallen ook kosten voor remigratie naar Curaçao. Dit alles neemt niet weg, dat toekenning van bijstand desondanks mogelijk zou kunnen zijn, als sprake is van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, WWB. Dit artikel bepaalt immers, dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

2.7 Eiseres stelt zich op het standpunt dat in haar geval sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, WWB. Ingevolge ter zake vaste jurisprudentie van de CRvB kan van een zeer dringende reden in het algemeen slechts sprake zijn in het geval van een acute noodsituatie, te weten een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval van een acute noodsituatie sprake is. De enkele omstandigheid dat zij na 2 oktober 2007 voor de duur van een half jaar drie dagen per week opgenomen is geweest op een psychiatrische afdeling, is in dit verband onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiseres volledig arbeidsongeschikt is verklaard op grond van psychische klachten.

2.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Dit brengt tevens mee dat geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek dan ook af.

2.9 Er bestaat evenmin aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzieningenrechter, en op 30 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.