Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BE9043

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
22-08-2008
Zaaknummer
08-3906, 08-3908 & 08-3910
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft bijstand aangevraagd. Hij kon aanvankelijk de herkomst van kasstortingen op zijn bankrekening niet verklaren. Om die reden was de aanvraag buiten behandeling gesteld. Ter zitting heeft verzoeker alsnog de herkomst van de bedragen genoegzaam verklaard. Dit leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening en schorsing van het besluit tot buitenbehandelingstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3906, 08-3908 en 08-3910 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2008

in de zaken van:

[naam ver[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats verzoeker],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.W. Spanjer, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2008 heeft verweerder verzoekers recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) per diezelfde datum opgeschort en de betaling van verzoekers uitkering over de maand januari 2008 stopgezet. Ook heeft verweerder verzoeker in dit besluit in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 25 januari 2008 ontbrekende gegevens aan verweerder toe te sturen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 februari 2008 bezwaar gemaakt.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 29 januari 2008, heeft verweerder verzoekers WWB-uitkering per 16 januari 2008 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, WWB, omdat verzoeker de ontbrekende gegevens niet heeft verstrekt. Ook heeft verweerder verzoekers (recht op) bijstand over de periode 1 oktober 2007 tot en met 15 januari 2008 op grond van artikel 54, derde lid, WWB herzien.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 februari 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 april 2008 heeft verweerder verzoekers aanvraag om toekenning van een WWB-uitkering op grond van artikel 4:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker verweerder onvoldoende gegevens heeft verstrekt, waardoor verweerder de aanvraag niet goed kan afronden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 mei 2008 bezwaar gemaakt.

Eveneens bij brief van 7 mei 2008 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat sprake is van een drietal separate besluiten, is eveneens sprake van drie verzoeken om voorlopige voorziening.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 2 juni 2008, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Spanjer, en waar verweerder zich, na voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker ontving aanvankelijk van verweerder een WWB-uitkering naar de norm voor gehuwden. Op 4 januari 2008 hebben verzoekers echtgenote en kinderen verzoeker verlaten. Zij verblijven sindsdien in een blijf-van-mijn-lijfhuis. Bij brief van 8 januari 2008 heeft verweerder verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 16 januari 2008. Tijdens dat gesprek heeft verweerder verzoeker gevraagd om informatie over zijn financiële situatie. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 16 januari 2008 verzoekers recht op uitkering opgeschort en verzoeker de gelegenheid geboden uiterlijk op 25 januari 2008 informatie te verschaffen over zijn inkomsten uit de verkoop van de daklozenkrant. Ook heeft verweerder verzoeker gevraagd bankafschriften te overleggen van hemzelf en van zijn ex-echtgenote. Op 25 januari 2008 heeft verzoeker bankafschriften overgelegd over de periode na 25 september 2007, alsmede een verklaring over zijn inkomsten uit de verkoop van de daklozenkrant. Verweerder heeft vervolgens het besluit van 29 januari 2008 genomen, mede omdat verzoeker geen verklaring kon geven voor de verschillende kasstortingen die blijken uit de overgelegde bankafschriften.

2.2 Op 7 februari 2008 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een WWB-uitkering. Verzoeker heeft op 10 maart 2008 een intakegesprek gevoerd. Omdat verzoeker toen niet alle benodigde gegevens heeft verstrekt, heeft verweerder verzoeker bij brief van 10 maart 2008 de gelegenheid geboden uiterlijk op 25 maart 2008 de ontbrekende gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften over de periode tussen 1 januari en 1 maart 2008. Op 25 maart 2008 heeft verzoeker opnieuw een gesprek gevoerd bij verweerder. Tijdens dit gesprek heeft verzoeker aan verweerder bankafschriften overhandigd die betrekking hebben op de periode 27 december 2007 tot en met 25 februari 2008. Verweerder heeft vervolgens op 2 april 2008 besloten de aanvraag van verzoeker buiten behandeling te stellen, omdat verzoeker volgens verweerder niet of niet volledig alle schriftelijke verklaringen en bewijzen van kasstortingen over de periode van 1 januari tot 1 maart 2008 heeft verstrekt.

2.3 Verzoeker kan zich niet met de bestreden besluiten verenigen. Hij is van mening dat hij voldoende informatie heeft verstrekt over zijn financiële omstandigheden. Met de verkoop van de daklozenkrant verdient verzoeker niet meer dan € 180,-- per jaar. Ook stelt verzoeker dat hij niet in staat is bankafschriften over te leggen van zijn echtgenote en kinderen, omdat zij in een blijf-van-mijn-lijfhuis verblijven. Zij hebben hun administratie meegenomen. Verzoeker benadrukt het spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening. Hij verwijst naar de verklaring van[naam] van 25 maart 2008. Ter zitting heeft verzoeker voorts een verklaring overgelegd van [[naam] te Aerdenhout. In deze verklaringen geven [naam] en [naam] aan dat zij aan verzoeker geld hebben gegeven. Dit verklaart volgens verzoeker de kasstortingen. Ook stelt verzoeker dat hij geld van zijn kinderen heeft ontvangen.

2.4 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.5 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.6 Uit de stukken blijkt dat verweerder verzoekers uitkering per 16 januari 2008 heeft opgeschort, omdat hij aan verweerder geen opgave had gedaan van zijn inkomsten uit de verkoop van de daklozenkrant en omdat verzoeker geen bank- of giroafschriften van zijn ex-echtgenote en kinderen, met wie hij tot 4 januari 2008 een gezamenlijke huishouden voerde, bij verweerder heeft ingeleverd. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze gegevens nodig zijn om het recht op uitkering vast te stellen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van de in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, WWB neergelegde opschortingsbevoegdheid.

2.7 Verzoeker heeft vervolgens bij verweerder bankafschriften ingeleverd die betrekking hebben op de periode 25 september 2007 tot en met 24 december 2007. Uit deze afschriften blijkt onder meer dat er op diverse data in die periode bedragen, variërend van € 185 tot € 545 op verzoekers rekening zijn gestort. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, uitsluitend door te stellen dat deze bedragen van zijn kinderen afkomstig zijn, voor de herkomst hiervan geen plausibele verklaring heeft gegeven. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn in artikel 54, vierde lid, WWB neergelegde bevoegdheid het besluit tot toekenning van bijstand per 16 januari 2008 in te trekken. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten het recht op bijstand over de periode vanaf 1 oktober 2007 op grond van artikel 54, derde lid, WWB te herzien.

2.8 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de besluiten van 16 januari en 29 januari 2008. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daartoe dan ook af.

2.9 Het geschil richt zich vervolgens op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten verzoekers WWB-aanvraag van 7 februari 2008 op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb buiten behandeling te stellen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder verzoeker, naar aanleiding van diens aanvraag, onder meer heeft verzocht bankafschriften over te leggen over de periode 1 januari tot 1 maart 2008. Dat heeft verzoeker vervolgens gedaan. Uit deze bankafschriften blijkt dat er op een tweetal data op verzoekers bankrekening geld is gestort. Voor de beoordeling van verzoekers aanvraag van 7 februari 2008 is in ieder geval relevant de storting op 21 februari 2008 van een bedrag van € 445,--. Voorts blijkt uit de bankafschriften dat er op 10 januari 2008 een storting heeft plaatsgevonden van

€ 480,--. Verzoeker heeft de herkomst van deze bedragen verklaard door te wijzen op een verklaring van[naam] te Haarlem. Deze op 25 maart 2008 gedateerde verklaring luidt als volgt: “ Hierbij verklaren wij dat wij de hr [naam verzoeker] geholpen hebben met 1000 euro voor de achterstallige rekeningen te betalen voor de maanden jan tot maart.” Ter zitting heeft verzoeker een (ongedateerde) verklaring overgelegd van [[naam] te Aerdenhout. Deze verklaring luidt als volgt: “Geleend aan [naam verzoeker] € 700,-- op één maart 2008”. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat hij de van deze derden ontvangen bedragen eerst op zijn bankrekening stortte om daar vervolgens rekeningen mee te kunnen betalen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met de verklaring van[naam] in voldoende mate duidelijkheid verschaft over de herkomst van de op 10 januari en 21 februari 2008 op zijn bankrekening gestorte bedragen. Verweerder heeft dan ook niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot buitenbehandelingstelling van verzoekers aanvraag om toekenning van een WWB-uitkering. Op de voet van artikel 52 WWB heeft verzoeker gedurende de behandeling van zijn aanvraag aanspraak op een voorschot.

2.10 Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal het verzoek, gericht op schorsing van het besluit van 2 april 2008, op de hierna vermelde wijze toewijzen.

2.11 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is afgegeven op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, voor zover gericht op schorsing van het besluit van 2 april 2008;

3.2 schorst het bestreden besluit van 2 april 2008 tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

3.3 draagt verweerder op om met ingang van 7 mei 2008 aan verzoeker voorschotten te verstrekken ter hoogte van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm;

3.4 draagt verweerder op om verzoeker binnen twee werkdagen na verzending van deze uitspraak een voorschot te betalen;

3.5 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, welk bedrag de gemeente Haarlem dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.6 gelast dat de gemeente Haarlem het door verzoeker betaalde griffierecht van € 39,-- aan hem vergoedt;

3.7 wijst de verzoeken voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, en op

13 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.