Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BE8923

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
21-08-2008
Zaaknummer
15/700877-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld; excessief geweld; licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte wegens diefstal met geweld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft zich samen met twee kennissen schuldig gemaakt aan een diefstal waarbij excessief geweld is gebruikt. Verdachten zijn het huis van het slachtoffer binnen gevallen en hebben het slachtoffer geslagen, geschopt en met een mes bedreigd. De handen en voeten van het slachtoffer zijn vastgetaped. Verdachte is als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. In de psychische problematiek van verdachte en de daarmee samenhangende licht verminderde toerekeingsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het feit vind de rechtbank aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700877-07

Uitspraakdatum: 31 juli 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 juli 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te 's-Gravenhage,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op 7 november 2007 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blik met daarin een geldbedrag (van ruim 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met bovenvermeld oogmerk:

- (voorzien van masker(s) en/of bivakmuts(en) en/of handschoenen) die [slachtoffer] (nadat hij de voordeur had geopend) (meteen) met de (tot vuist gebalde) hand(en) tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) de woning in heeft/hebben geduwd en/of

- die [slachtoffer] (dreigend) een mes heeft/hebben getoond en/of dat mes (dreigend) bij het oog van die [slachtoffer] heeft hebben gehouden en/of

- (met) dat mes in de hand(en) van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of gesneden en/of in de hals/nek van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of gesneden en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) naar de grond heeft/hebben gebracht en/of

- de mond en/of handen en/of voeten van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgebonden met tape en/of

- een T-shirt over het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten ontsierende littekens in het aangezicht en/of hals/nek en/of op de hand (en) van die [slachtoffer].

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 7 november 2007 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blik met daarin een geldbedrag (van ruim 200 euro) toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders met bovenvermeld oogmerk:

- voorzien van een masker en bivakmutsen en handschoenen die [slachtoffer] nadat hij de voordeur had geopend meteen met de tot vuist gebalde hand tegen het gezicht heeft gestompt en

- die [slachtoffer] met kracht de woning in heeft geduwd en

- die [slachtoffer] dreigend een mes heeft getoond en dat mes dreigend bij het oog van die [slachtoffer] heeft hebben gehouden en

- (met) dat mes in de handen van die [slachtoffer] heeft gedrukt en gesneden en in de hals van die [slachtoffer] heeft gedrukt en

- die [slachtoffer] met kracht naar de grond hebben gebracht en

- de mond en handen en voeten van die [slachtoffer] hebben vastgebonden met tape en

- een T-shirt over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken en

- die [slachtoffer] (met kracht) tegen het hoofd en het lichaam heeft/hebben geschopt en gestompt/geslagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 8 november 2007 (dossierpagina 85 e.v.).

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen te geven door de Reclassering Nederland, ook indien zulks inhoudt dat verdachte dient deel te nemen aan een ambulante behandeling bij Parnassia, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 5.324, 22 en de schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dit te retourneren aan verdachte.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 11 februari 2008 en het psychologisch onderzoek pro justitia van 18 maart 2008, zoals opgesteld door klinisch psycholoog-psychotherapeut drs. J.H.A.M. Kobussen, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met twee kennissen schuldig gemaakt aan een diefstal waarbij excessief geweld is gebruikt. Verdachte is samen met zijn medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] naar het huis van slachtoffer [slachtoffer] gereden. Zij hadden hun gelaat bedekt met een masker en bivakmutsen. Verdachten zijn het huis van slachtoffer binnen gevallen en verdachte heeft het slachtoffer direct met kracht in het gezicht geslagen. Daarnaast hadden zij een mes en tape bij zich om het slachtoffer vast te binden om zodoende het geld gemakkelijk te kunnen wegnemen. Het slachtoffer is geslagen en geschopt en zijn handen en voeten zijn vastgetaped. Voorts is het slachtoffer met een mes bedreigd. Het slachtoffer heeft twee dagen in het ziekenhuis gelegen en ondervindt nog steeds de lichamelijke en geestelijke gevolgen van deze overval. Voor het slachtoffer is sprake geweest van een zeer traumatische ervaring. Het slachtoffer moet leven met angstige gevoelens en een gevoel van onveiligheid binnen zijn eigen huis.

De rechtbank heeft voor de mate van toerekenbaarheid en bij het bepalen van de strafmaat laten meewegen hetgeen omtrent de persoon van verdachte uit de bovengenoemde rapportage van de klinisch psycholoog-psychotherapeut is gebleken. De deskundige concludeert in het rapport dat bij verdachte sprake is van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en dat de afhankelijke trekken de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde feit hebben beïnvloed. Naar de mening van de deskundige is verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het tenlastegelegde feit. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

In de psychische problematiek van verdachte en de daarmee samenhangende licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit, vindt de rechtbank aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het feit dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 november 2007 niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering Nederland gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 3.364, 22 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit: vervanging driezitsbank a € 469,00, tandartskosten a € 254,00, kleding a € 31, 80, kleding a € 94, 85, bril a € 95,00, deurintercom a € 2116, 61, reiskosten a € 102, 96 en gestolen geld € 200,00.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 3.284, 22 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: vervanging driezitsbank a € 469,00, tandartskosten a € 254,00, kleding a € 31, 80, kleding a € 94, 85, bril a € 95,00, deurintercom a € 2116, 61, reiskosten a € 102, 96 en gestolen geld € 120, 00 nu het blik met daarin de overige € 80,00 zal worden geretourneerd aan de benadeelde partij. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering tot vergoeding van de materiële schade ontvangen.

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft voorts een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.040, 00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat ook deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade billijk voor.

De rechtbank zal bepalen dat, indien een medeverdachte geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 5.324,22.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 14a, 14b, 14c, 36f, 310 en 312.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien (16) maanden.

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar;

bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte dient deel te nemen aan een ambulante behandeling bij Parnassia;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 5.324.22 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.324.22, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 56 dagen hechtenis;

bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Jas Kl: bruin leren

- 1.00 STK Broek Kl: blauw spijker

- 1.00 STK Trui Kl: zwart fleece

- 1.00 PR Sok Kl: wit

- 1.00 PR Schoeisel Kl: zwart leren.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Dijk, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. E.P.W van de Ven, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.L. de Vries en M.M.L.A. Zwiersen-Dekker,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 juli 2008.