Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BE8716

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
08-3533 & 08-3535
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongeldigverklaring rijbewijs eiser. Geen sprake van een specialistisch rapport in de zin van paragraaf 8.8 nu eiser niet is onderzocht door de psychiater zelf, doch enkel door de arts. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3533 en 3535

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2008

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn.

tegen:

de Algemeen Directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2007 heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 november 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 april 2008 beroep ingesteld. Bij brief van dezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 8 mei 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Nell, werkzaam bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de voorzieningenrechter is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 In artikel 130, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW94) is bepaald dat, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

2.3 Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW94 besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling genomen.

2.4 Op grond van artikel 133, eerste en tweede lid, van het Reglement rijbewijzen worden tijdstip en plaats van het in artikel 131 WVW94 bedoelde onderzoek naar geschiktheid door het CBR vastgesteld. Indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden tijd en plaats van het onderzoek opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.5 Op grond van artikel 134, tweede lid van de WVW94 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

2.6 Op grond van artikel 134, derde lid, van de WVW94 deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De artikelen 132 en 133 van de WVW94zijn van overeenkomstige toepassing.

2.7 Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW, indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

2.8 Artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 bepaalt dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

2.9 Volgens paragraaf 8.8 “Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" van de bijlage is voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.10 Op 1 februari 2007 is namens de korpschef van de politie Haaglanden aan verweerder de mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW94 gedaan. Blijkens deze mededeling is bij eiser als bestuurder van een motorrijtuig binnen een periode van vijf jaar meermalen een ademalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger dan 350 microgram/liter. Ten aanzien van eiser staat vast dat hem in de afgelopen vijf jaar reeds een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer is opgelegd.

2.11 Verweerder heeft eiser gelast deel te nemen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Op basis van het op 30 juli 2007 uitgebrachte rapport van bevindingen heeft verweerder zijn voornemen tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser kenbaar gemaakt. In reactie hierop heeft eiser om een tweede onderzoek verzocht. Bij aangetekende brief van 10 september 2007 is eiser opgeroepen voor een tweede onderzoek naar de geschiktheid op 1 oktober 2007. Eiser is niet op het onderzoek verschenen.

2.12 Verweerder heeft ervan afgezien eiser opnieuw op te roepen voor het tweede onderzoek, omdat zijn inziens geen sprake was van een geldige reden van verhindering. Verweerder is bij het nemen van het bestreden besluit vervolgens uitgegaan van de resultaten van het eerste onderzoek.

2.13 Eiser kan zich met het besluit niet verenigen en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar worden geschorst.

2.14 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.15 Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat het primaire besluit op onjuiste gronden is genomen, omdat verweerder hierin overweegt dat het rijbewijs ongeldig moet worden verklaard wegens het niet meewerken aan het tweede onderzoek. De voorzieningenrechter overweegt dat niet het primaire besluit, maar de beslissing op bezwaar onderwerp van geschil is en dat daaruit voldoende blijkt dat de resultaten van het onderzoek naar de geschiktheid de grondslag vormen van de ongeldigverklaring van het rijbewijs.

2.16 Voorts betoogt eiser dat verweerder hem nogmaals had moeten oproepen voor het tweede onderzoek, omdat de eerste oproepbrief hem niet heeft bereikt. De voorzieningenrechter overweegt dat de oproepbrief voor het tweede onderzoek aangetekend is verstuurd en dat het derhalve niet aannemelijk is dat deze oproep eiser niet heeft bereikt. Ook indien wel aannemelijk zou zijn dat eiser de oproepbrief niet heeft ontvangen, was verweerder in dit geval niet gehouden eiser nogmaals op te roepen voor het tweede onderzoek. Vaststaat immers dat eiser voor aanvang van het onderzoek, te weten op 25 september 2007, via zijn gemachtigde bekend is geworden met het feit dat dit onderzoek op 1 oktober 2007 zou plaatsvinden en hier dus bij aanwezig had kunnen zijn. Dat op dat moment reeds vaststond dat eiser op 1 oktober 2007 in verband met zijn werk in het buitenland zou verblijven, doet hieraan niet af. Uit de brochure “Onderzoek naar de geschiktheid, uw rechten en plichten in de vorderingsprocedure”, welke aan eiser is verstuurd, blijkt dat zaken die met het werk te maken hebben geen geldige reden voor uitstel van het onderzoek kunnen opleveren. Voorts blijkt uit deze brochure dat eiser zijn verhinderdata vooraf had moeten doorgeven aan verweerder, hetgeen eiser niet heeft gedaan. Met verhinderdata die na verzending van de oproepbrief worden doorgegeven, wordt geen rekening gehouden.

2.17 Met betrekking tot het onderzoek naar de geschiktheid heeft eiser aangevoerd dat dit onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Eiser geeft aan dat hij in het kader van dit onderzoek een gesprek heeft gehad met arts. E.C. Mellema, maar dat hem daarin niet de vragen zoals vermeld in het Verslag van bevindingen van 30 juli 2007 zijn voorgehouden. Ook komen de in het verslag vermelde antwoorden niet overeen met hetgeen hij in het onderzoeksgesprek heeft aangegeven. Voorts stelt eiser dat het onderzoek niet is verricht door een daartoe bevoegde arts. Van daadwerkelijk toezicht door de psychiater J.W. Peterse is geen sprake geweest, nu eiser de psychiater geheel niet heeft gezien.

2.18 De voorzieningenrechter stelt vast dat het onderzoek naar de geschiktheid, blijkens het verslag van bevindingen d.d. 30 juli 2007, is uitgevoerd door arts E.C. Mellema onder supervisie van psychiater J.W. Peterse. Met eiser is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de resultaten van dit onderzoek niet ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn besluit, nu eiser - onweersproken - heeft gesteld dat hij de psychiater niet heeft gesproken of gezien, maar dat hij enkel is onderzocht door een arts van wie niet is komen vast te staan dat hij over de vereiste specialistische kennis beschikt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden het enkele feit dat de psychiater het verslag van bevindingen heeft ondertekend niet maakt dat van een specialistisch rapport als bedoeld in paragraaf 8.8. kan worden gesproken. De voorzieningenrechter vindt voor haar oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 december 2006 en 24 januari 2007 (LJN: AZ4279 en AZ6842). Uit deze uitspraken kan worden afgeleid dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een specialistisch rapport in de hiervoor bedoelde zin van belang is of de psychiater de te onderzoeken persoon ook zelf heeft gezien. Nu aannemelijk is dat dit laatste in casu niet het geval is geweest, kon verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn conclusie dat eiser niet geschikt is, niet baseren op de onderzoekbevindingen van Mellema zoals neergelegd in het verslag van bevindingen d.d. 30 juli 2007.

2.19 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Nu het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor deze kosten wordt met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 966,00 toegekend (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij het gewicht van de zaak als gemiddeld is aangemerkt).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 25 maart 2008;

3.3 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,-, te betalen door verweerder aan eiser;

3.4 gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 570,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, voorzieningenrechter, en op 20 mei 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.