Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD9720

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
21-08-2008
Zaaknummer
07/1805
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3211, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De rechtbank merkt de afwaardering van de lening aan als negatieve inkomsten uit overige werkzaamheden nu het verstrekken van de lening valt onder de terbeschikkingstellingsregeling. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de lening niet als zakelijk kan worden gekwalificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1709
FutD 2008-1771
V-N 2008/56.3.2

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1805

Uitspraakdatum: 20 maart 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.655 (na vermindering met een persoonsgebonden aftrek) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.283.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij beroepschrift van 6 maart 2007, ontvangen bij de rechtbank op 8 maart 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 26 november 2006 is ter griffie van de rechtbank een nader stuk van eiser binnengekomen. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007 te Haarlem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door A. Namens verweerder is verschenen B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser was het gehele jaar 2003 directeur en enig aandeelhouder van X Beheer BV (hierna: Beheer BV). Beheer BV bezat 25 % van de aandelen in Y BV (hierna: Y BV).

2.2. Y BV is opgericht in 2002 en hield zich bezig met de ontwikkeling van een nieuw product, “a”, een op GPS gebaseerd systeem waarmee vervoersbedrijven de locatie van hun eigen vrachtwagens kunnen bepalen. De omzet van Y BV bedroeg in het jaar 2003 € 600. De winst bedroeg in 2003 negatief € 159.271.

2.3. De winstreserve van Beheer BV bedroeg op 31 december 2002 negatief € 28.358 en op 31 december 2003 negatief € 51.839. Het resultaat van de deelneming bedroeg in 2002

€ 25.814.

2.4. In december 2002 deelde de Rabobank aan eiser mee dat de bank bereid was aan Y BV een lening te verstrekken onder de voorwaarde dat eiser zich borg stelde voor € 100.000.

2.5. In december 2002 verstrekte C BV een lening van € 200.000 aan Y BV. Eiser was voor een bedrag van € 33.334 hoofdelijk aansprakelijk. Tot zekerheid daarvan gaf eiser aandelen in pand aan C BV.

2.6. Op 29 april 2003 heeft eiser een lening van € 10.000 aan Beheer BV verstrekt. Op dezelfde dag verstrekte Beheer BV een lening van € 10.000 aan Y BV.

Op 1 mei 2003 hebben twee andere (middelijk) aandeelhouders eveneens leningen, van elk € 25.000, verstrekt aan Y BV.

2.7. Op 19 november 2003 is een verzoek tot faillietverklaring van Y BV ingediend bij de rechtbank te Utrecht.

2.8. In 2005 zijn zowel Beheer BV als Y BV geliquideerd.

2.9. Eiser heeft aangifte IB/PVV 2003 gedaan. In box 1 heeft eiser onder meer negatieve inkomsten uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen (hierna: TBS) aangegeven, waaronder een afwaardering per 31 december 2003 van de lening aan Y BV van € 10.000 naar nihil.

2.10. Verweerder heeft bij de aanslagregeling het negatieve resultaat uit TBS niet geaccepteerd en het belastbaar inkomen in box 1 vastgesteld op € 22.655.

2.11. Verweerder heeft de afwaardering van soortgelijke leningen van andere aandeelhouders van Y BV wel aanvaard.

3. Omvang van het geding

3.1. Eiser heeft - eerst bij de aanvulling van zijn gronden - verzocht om het onderhavig beroep gezamenlijk te behandelen met het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2004, dat hij op 10 april 2007 bij verweerder heeft ingediend. Hij merkt daar bij op dat hij verweerder heeft gevraagd in te stemmen met het overslaan van de bezwaarprocedure.

3.2. Dit verzoek kan de rechtbank niet inwilligen, reeds omdat een rechtstreeks beroep tegen een aanslag gelet op artikel 7:1a, vijfde lid, Awb slechts aanhangig wordt gemaakt doordat verweerder na zijn instemming met het overslaan van de bezwaarfase het bezwaarschrift doorzendt aan de rechtbank. Verweerder heeft in het verweerschrift echter aangegeven niet in te willen stemmen en heeft het bezwaarschrift van 10 april 2007 ook niet aan rechtbank doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Een zaak omtrent de aanslag 2004 is derhalve (nog) niet aanhangig gemaakt, zodat de rechtbank de beoordeling in beroep moet beperken tot de aanslag 2003.

4. Geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de afwaardering van de lening van € 10.000 kan worden aangemerkt als negatieve inkomsten uit overige werkzaamheden.

Een in het beroepschrift nog opgevoerd beroepsgrond omtrent advocaatkosten die negatieve inkomsten uit ter beschikkingstelling zouden vormen, heeft eiser ingetrokken.

4.2. Verweerder stelt primair dat er geen negatieve inkomsten uit overige werkzaamheden kunnen worden opgevoerd omdat sprake is van een informele kapitaalstorting, of te wel een zogenoemde bodemloze putlening. Beheer BV had nauwelijks activa, een negatieve winstreserve en een deelneming in Y BV met een negatief resultaat. Eiser als enig aandeelhouder had hiervan op de hoogte moeten zijn, evenals van het feit dat Beheer BV zou doorlenen aan Y BV. Er waren veel aanwijzingen dat de lening niet zou worden terugbetaald. Eiser heeft echter geen zekerheden geëist, terwijl de overige aandeelhouders Rabobank en C BV bij hun toenmalige kapitaalinjectie deze voorwaarde wel stelden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verkrijgingprijs van de aandelen van eiser in Beheer BV met het bedrag van de lening is verhoogd.

Subsidiair is verweerder van mening dat sprake is van een onzakelijke lening waarmee hij bij de vaststelling van het inkomen geen rekening behoeft te houden. Onzakelijke elementen zijn:

- een rentepercentage van 4 % dat, zeker gezien het risico, te laag is en

- het ontbreken van zekerheden

Meer subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de waarde van de lening in het economische verkeer bij het afsluiten reeds beperkt was, omdat een willekeurige derde de lening niet onder deze voorwaarden zou verstrekken. De waarde van de vordering bedraagt bij aanvang van de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen (TBS) 10 % van de nominale waarde, dus € 1.000. Door afwaardering van € 1.000 naar nihil ontstaat dan in 2003 een negatief resultaat uit TBS van € 1.000.

4.3. Eiser betwist dat de lening moet worden gekwalificeerd als informeel kapitaal en stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest dan onzakelijk handelen of een storting in een bodemloze put. Hij grondt dat standpunt op de navolgende gegevens:

1. Er zijn afspraken gemaakt over de terugbetaling, nl aflossing in jaarlijkse termijnen van € 1.000;

2. Er is een rente van 4 % overeengekomen;

3. De € 10.000 is verstrekt om cashflow problemen bij Y BV op te vangen, ontstaan doordat de ontwikkelingskosten van “a” tegen vielen. Uit het feit dat aandeelhouders en onafhankelijke geldverstrekkers in dat jaar ook aanvullende leningen hebben verstrekt, blijkt dat toen nog werd geloofd in de levensvatbaarheid van het product.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vast staat dat eiser op 29 april 2003 een lening van € 10.000 aan Beheer BV heeft verstrekt en dat Beheer BV op dezelfde dag een lening van € 10.000 aan Y BV verstrekte. Voorts is niet in geschil dat eiser in 2003 een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in Beheer BV had. Het verstrekken van de lening aan Beheer BV valt in beginsel onder de terbeschikkingsstellingsregeling genoemd in artikel 3.92. Een afwaardering van de lening vormt dan negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

5.2. Verweerder wijst erop dat eiser ter zake van de lening geen zekerheden heeft geëist en stelt dat gelet op de vermogenstoestand en de resultaten van de BV geen terugbetaling van de lening kon worden verwacht en voert aan, zo begrijpt de rechtbank zijn standpunt, dat onder die omstandigheden sprake is van een informele kapitaalverstrekking die in box II (resultaat uit aanmerkelijk belang) in aanmerking moet worden genomen en niet in box I (inkomsten uit werk en woning). Naar het oordeel van de rechtbank doen de door verweerder gestelde omstandigheden niet eraan af dat tussen eiser en de BV daadwerkelijk een lening is overeengekomen en dient het in beginsel ervoor te worden gehouden dat eiser aldus vermogen aan de BV ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001. Voor zover verweerder met een beroep op Hoge Raad 10 augustus 2001, nr. 36 662, BNB 2001/364, welke arrest zag op de kwalificatie voor de vennootschapbelasting van een bedrag dat door een vennootschap aan een dochtermaatschappij ter beschikking was gesteld ten titel van lening, betoogt dat sprake is van een informele kapitaalstorting die in box II bij het bepalen van de verkrijgingsprijs van de aandelen in aanmerking zou moeten worden genomen, kan de rechtbank hem niet volgen. Gelet op het bepaalde in artikel 2.14 van de Wet IB 2001, wordt de lening allereerst in box I in aanmerking genomen en niet in box II en behoort de lening tot het zogenoemde werkzaamheidsvermogen, zodat het primaire betoog van verweerder faalt.

5.3. Bij de beoordeling van de vraag of afwaardering mogelijk is, stelt de rechtbank voorop dat ingevolge artikel 3.95 Wet IB 2001 bij de bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden enkele winstbepalingsregels, waaronder het bepaalde in artikel 3.25 (jaarwinstbepaling volgens goed koopmansgebruik), van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt. Op het moment van het verstrekken van de lening dient de vordering te worden geactiveerd op de balans van de werkzaamheid voor de waarde die zij op dat tijdstip heeft.

5.4. Verweerder stelt dat sprake is van een onzakelijke lening en dat een willekeurige derde een dergelijke lening niet, althans niet onder dezelfde zakelijke condities zou zijn overeengekomen. Verweerder is van mening dat de lening op de openingsbalans op 29 april 2003 minder bedraagt dan € 10.000 dan wel op die datum op nihil dient te worden gewaardeerd, zodat voor afwaardering minder of geen ruimte bestaat. Verweerder heeft aangegeven dat onder de omstandigheden van dit geval - gelet op het door eiser gelopen risico - een rente van 10 tot 12 % zakelijk zou zijn geweest. Eiser stelt hiertegenover dat de lening, gelet op het rentepercentage van 4, de afspraken over aflossing en de te verwachten prestaties van de onderneming ten tijde van het verstrekken van de lening, als zakelijk moet worden gekwalificeerd.

5.5. Naar het oordeel van de rechtbank rust op verweerder de last aannemelijk te maken dat de uit de lening voortvloeiende vordering ten tijde van de verstrekking ervan in het economisch verkeer een lagere waarde had dan de nominale waarde. Verweerder is niet in dat bewijs geslaagd. In de loop van het voorjaar van 2003 was door eiser, zo heeft hij onweersproken gesteld, een intensieve poging gedaan om werkgevers voor het systeem te interesseren en in de maanden daarna zou een stijging van het aantal deelnemers moeten volgen. Vanwege de uitloop van het volledig beschikbaar komen van het systeem, was ter overbrugging tot het moment waarop het aantal deelnemers zou gaan stijgen extra geld nodig. Zoals eiser heeft verklaard en door verweerder niet is weersproken, was de lening onderdeel van een afspraak met andere financiers, waaronder de bank, om dergelijke extra middelen ter beschikking te stellen. Mede uit het gegeven dat die andere financiers en aandeelhouders leningen hebben verstrekt en de eind april 2003 nog bestaande verwachtingen omtrent omzetgroei, kan worden afgeleid dat niet kan worden gezegd dat toen naar objectieve maatstaf sprake was van onzakelijke kredietverschaffing. De als bijlage bij het beroepschrift meegezonden artikelen over het op de markt brengen van “a”, die in de pers zijn gepubliceerd in de periode tussen november 2002 en maart/april 2003, laten zien dat dit product in elk geval in die periode nog veelbelovend was. Dat die verwachtingen eind april 2003 reeds illusoir waren, heeft verweerder, hetgeen op zijn weg lag, niet aannemelijk gemaakt.

Dat enkele maanden daarna door het uitblijven van de stijging van het aantal deelnemers alsnog een situatie is ontstaan waarin Y BV niet langer kon functioneren, doet aan het voorgaande niet af. Uit de dramatische situatie die toen ontstond, kan niet worden afgeleid dat de situatie op het moment van het sluiten van de lening al zodanig was dat lenen niet meer verantwoord was en de lening bij het aangaan eind april 2003 reeds minder waard was dan de nominale waarde. De waarde van de vordering van eiser op Beheer BV bedroeg derhalve op 29 april 1998 € 10.000.

5.6. Niet in geschil is dat de waarde van de vordering ultimo 2003 nihil bedraagt, zodat een bedrag van € 10.000 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van eiser kan worden gebracht.

5.7. Gelet op het voorgaande is het gelijk aan eiser. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De overige klachten behoeven geen behandeling.

5. Proceskosten

Eiser heeft in beroep gevraagd om verweerder te veroordelen tot de kosten die eiser in bezwaar en in beroep heeft moeten maken. In bezwaar is niet verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar, zodat het daarop betrekkende verzoek moet worden afgewezen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.655; het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen blijft gehandhaafd;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. A.A. Fase, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.