Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD9625

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-08-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
148248 - KG ZA 08-404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verrekening van teveel betaalde alimentatie. Doordat in hoger beroep de alimenatieverplichting van de man lager is gesteld dan door de rechtbank was bepaald, heeft de man hangende het hoger beroep te veel alimentatie betaald. De man had in hoger beroep aangeboden om € 131 per kind per maand te betalen maar het hof heeft de alimenatie voor beperkte tijd op nihil gesteld. Verrekenen door de man van de teveel betaalde alimentatie met de thans weer door hem verschuldigde alimentatie mag. Terugvordering en daarmee verrekenen van een hoger bedrag dan genoemde € 131,- per kind per maand wordt echter door de rechtbank in strijd met de redelijkheid en billijkheid geacht. Bovendien mag de man niet meer dan een beperkt bedrag per maand verrekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 148248 / KG ZA 08-404

Vonnis in kort geding van 4 augustus 2008

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Overveen,

eiser,

procureur mr. F.M. Lagerveld,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Haarlem,

gedaagde,

procureur mr. S.N.W. van Dam-Ouwens.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de vrouw.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 27 februari 2007 heeft de sector Familie- en Jeugdrecht van deze rechtbank tussen hen de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen van partijen, [A], geboren op 24 augustus 1990 en [B], geboren op 15 juni 2000, bij de vrouw zal zijn. Tevens werd bij die beschikking bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van EUR 250,-- per kind per maand.

2.2. De man heeft van de onder 2.1. genoemde beschikking geappelleerd. In het appelrekest heeft hij het hof onder meer verzocht de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen te bepalen op EUR 131,-- per kind per maand, althans op een zodanig lager bedrag dan EUR 250,-- als het hof juist zal achten.

2.3. Het hof heeft bij beschikking van 10 april 2008 onder meer de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen met ingang van 12 maart 2007 tot de datum van levering van de echtelijke woning op nihil gesteld en die bijdrage met ingang van die datum bepaald op EUR 215,-- per kind per maand. De beschikking van het hof is inmiddels onherroepelijk geworden.

2.4. Op 28 mei 2008 is de echtelijke woning aan de koper geleverd. De man heeft in de periode van 12 maart 2007 tot 28 mei 2008 maandelijks aan de vrouw EUR 500,-- betaald.

2.5. Bij brief van 9 juni 2008 heeft mr. Lagerveld voornoemd mr. Kochheim-Bossink, kantoorgenoot van mr. van Dam-Ouwens voornoemd, medegedeeld dat de man circa EUR 6.000,-- te veel aan alimentatie had betaald en zich ter zake wenste te beroepen op verrekening.

2.6. Op 12 juni 2008 heeft de vrouw ten laste van de man executoriaal derdenbeslag doen leggen onder het zelfstandig bestuursorgaan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen op hetgeen deze derde aan de man verschuldigd mocht zijn of worden. Het proces-verbaal van beslaglegging is op 16 juni 2008 aan de man betekend.

2.7. Mr. Kochheim-Bossink heeft mr. Lagerveld bij brief van 20 juni 2008 laten weten dat de vrouw niet akkoord ging met verrekening met de onderhoudsbijdrage. Mr. Lagerveld heeft mr. Kochheim-Bossink vervolgens bij brief van 15 juli 2008 bericht dat de verrekening desondanks zou plaatsvinden.

3. Het geschil

3.1. De man vordert dat de voorzieningenrechter het executoriale beslag onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering zal opheffen en de vrouw zal veroordelen om hetgeen onder de derde beslagene is ingehouden aan hem terug te betalen.

3.2. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij gedurende de periode van 12 maart 2007 tot 28 mei 2008 in totaal EUR 7.250,-- te veel aan alimentatie heeft betaald en dat uit de wet de bevoegdheid voortvloeit om dat bedrag met de toekomstige alimentatietermijnen te verrekenen. Hij stelt daarom dat het beslag dat de vrouw ter inning van de in haar visie achterstallige alimentatietermijnen heeft gelegd moet worden opgeheven.

4.2. De vrouw stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat zij niet gehouden is het bedrag van EUR 7.250,-- aan de man terug te betalen, omdat een terugbetalingsverplichting niet door het hof is vastgesteld, zodat de man daarvoor ook geen titel heeft. Volgens de vrouw zijn de desbetreffende bedragen bij wijze van natuurlijke verbintenis betaald.

4.3. Dit verweer faalt. Dat de gelden ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis zijn betaald is niet juist. De man heeft immers betaald ter voldoening aan de verplichting die hem aanvankelijk door de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking was opgelegd. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat het hof in de beschikking van 10 april 2008 niet heeft bepaald dat zij het teveel ontvangen bedrag dient terug te betalen. De man had daar echter in zijn appelrekest ook niet om verzocht. De man ontleent zijn aanspraak op terugbetaling aan de beschikking van het hof, die inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan en waardoor hetgeen de man op grond van de andersluidende beslissing in eerste aanleg heeft betaald, onverschuldigd is betaald. Dat het hof niet expliciet heeft afgewogen in hoeverre in redelijkheid van de vrouw kan worden gevergd dat zij gehouden is tot terugbetaling van het teveel betaalde maakt het voorgaande niet anders. Of de rechter in een geval als het onderhavige gehouden is te motiveren waarom van de vrouw terugbetaling van het teveel betaalde kan worden verlangd, hangt immers af van de omstandigheden van het geval.

4.4. De vrouw voert voorts aan dat, indien zij al gehouden is tot terugbetaling, de man niet bevoegd is het teveel betaalde met toekomstige termijnen te verrekenen, aangezien dat niet bij de beslissing van het hof is bepaald. Ook dat is echter door de man niet verzocht.

4.5. Voorts wijst de vrouw erop dat ingevolge artikel 6: 127 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor een geslaagd beroep op verrekening vereist is, dat de schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening inroept aan de schuldeiser verklaart, dat hij zijn schuld met een tegenvordering verrekent. Nu de brief van mr. Lagerveld d.d. 9 juni 2008 niet is gericht aan de vrouw, maar aan haar advocaat, kan die brief volgens de vrouw niet als rechtsgeldige verrekeningsverklaring worden aangemerkt.

4.6. Dit argument gaat niet op. Op grond van het bepaalde in artikel 3: 37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring om haar werking te hebben die persoon hebben bereikt. Gelet op de functie die de advocaat in het rechtsverkeer vervult moet de brief van de advocaat van de man geacht worden tevens te zijn gericht aan de vrouw en haar ook te hebben bereikt. De advocaat van de man mocht ervan uitgaan dat hetgeen zij in dit verband aan de advocaat van de vrouw had bericht ter kennis zou worden gebracht van de vrouw. Dienovereenkomstig heeft de vrouw de door de advocaat van de man aan haar advocaat gedane verklaring in beginsel tegen zich te laten gelden.

4.7. Vervolgens stelt de vrouw zich op het standpunt, dat de man op grond van artikel

6: 135 BW en artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) niet tot verrekening bevoegd was. Zij voert daartoe onder verwijzing naar HR 3 december 1999, NJ 2000, 86 aan, dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover op de vordering van zijn wederpartij beslag niet geldig zou zijn, zoals ter zake van een vordering tot levensonderhoud het geval is.

4.8. In dit betoog kan de vrouw niet worden gevolgd. Ingevolge artikel 475c, aanhef en sub f Rv. is een beslagvrije voet verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen tot levensonderhoud. Beslag op uitkeringen tot levensonderhoud is dus beperkt, maar niet uitgesloten. Artikel 6:135 aanhef en onder a BW bepaalt dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn. Verrekening op de voet van artikel 6: 135 BW met een vordering tot levensonderhoud is derhalve eveneens mogelijk, mits daarbij rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet.

4.9. Tenslotte heeft de vrouw nog aangevoerd dat zij een aanzienlijke tegenvordering heeft op de man, waarmee zijn - vooralsnog door haar betwiste - vordering kan worden verrekend. De tegenvordering van de vrouw wordt door de man betwist. Om de gegrondheid van de tegenvordering van de vrouw vast te stellen zou nadere bewijslevering noodzakelijk zijn, waarvoor in het kader van een kort geding geen plaats is. De tegenvordering van vrouw is derhalve niet liquide. Daarom zal de voorzieningenrechter op de voet van artikel 6:136 BW het beroep op verrekening te passeren.

4.10. De conclusie van al het voorgaande is dat, indien de man in een bodemprocedure terugbetaling van de teveel betaalde alimentatie zal vorderen, de bodemrechter naar verwachting tot het oordeel zal komen dat de vrouw tot terugbetaling van enig bedrag gehouden is en dat de man bevoegd is tot verrekening. De man heeft in zijn appelrekest het hof verzocht de bijdrage voor de kinderen te bepalen op EURO 131,- per kind per maand, althans een zodanig lager bedrag dan EURO 250,-- als het hof juist zal achten. Daarom hoefde de vrouw er geen rekening mee te houden dat het hof de bijdrage voor de periode van 12 maart 2007 tot 28 mei 2008 op nihil zou stellen. Terugvordering van een hoger bedrag dan overeenkomt met een alimentatieverplichting van EURO 131,- per kind per maand moet daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid worden geacht. Tegen die achtergrond zal de man 14,5 maal EURO 238,-- (EURO 500,-- minus EURO 262,--) mogen verrekenen, derhalve een totaalbedrag van EURO 3.451,--. De huidige alimentatieverplichting van de man bedraagt EURO 215,-- per kind per maand, in totaal EURO 430,-- per maand. Het komt de voorzieningenrechter redelijk voor dat de vordering van de man in termijnen wordt terugbetaald door middel van verrekening met een bedrag van EURO 215,-- per maand. Dat betekent dat de man vooralsnog aan de vrouw een maandelijkse bijdrage van EURO 215,-- dient te betalen. De voorzieningenrechter zal het beslag daarom opheffen voor zover daarmee wordt beoogd meer dan EURO 215,-- per maand te incasseren. Nu ten tijde van de behandeling van de zaak ter zitting niet bekend was of in het kader van het beslag enig bedrag was ingehouden, is er onvoldoende grond om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen is ingehouden.

4.11. De omstandigheid dat partijen gewezen echtgenoten zijn is aanleiding om de kosten van het geding tussen hen te compenseren als na te melden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat het op het op 12 juni 2008 ten laste van de man onder het zelfstandig bestuursorgaan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, gelegde beslag wordt opgeheven voor zover daarmee wordt beoogd meer te incasseren dan EURO 215,-- per maand,

5.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van het geding tussen partijen aldus dat ieder de eigen kosten draagt,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2008.?