Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD9377

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
146986 - KG ZA 08-325
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke gezag na echtscheiding; geschil (als bedoeld in artikel 1:253a BW) over schoolkeuze voor de minderjarige; kort geding. De moeder, bij wie de minderjarige zijn verblijfplaats heeft, heeft de minderjarige ingeschreven bij de evangelische en ”Bijbelgetrouwe” Passieschool. Ook de minderjarige zelf heeft als zijn mening kenbaar gemaakt dat hij naar die school wil. De vader, openlijk homoseksueel en samenwonend met zijn partner, heeft daar bezwaar tegen en vordert in kort geding veroordeling van de moeder tot ongedaanmaking van die inschrijving. De vader vreest onder meer dat de levensbeschouwing van De Passie tot verwijdering tussen hem en zijn zoon zal leiden, pesterijen van de minderjarige en confrontaties met de opvatting dat de vader door zijn geaardheid of door zijn relatie zondig is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat voor een afwijken van de schoolkeuze gemaakt door degenen die het meest met de consequenties van die keuze zullen worden geconfronteerd, te weten de minderjarige en de ouder die de dagelijkse zorg over hem heeft, doorgaans niet in het belang van de minderjarige zal zijn en dat daarom voor een verbod als gevraagd vrij evidente goede gronden moeten bestaan. De voorzieningenrechter acht die in het onderhavige geval niet aanwezig.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146986 / KG ZA 08-325

Vonnis in kort geding van 4 augustus 2008

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Purmerend,

eiser,

procureur mr. D.M. Veerman,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Purmerend,

gedaagde,

procureur mr. Y. Welter.

Partijen zullen hierna afzonderlijk de vader en de moeder en tezamen partijen dan wel de ouders genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 juni 2008

- de mondelinge behandeling van 28 juli 2008 alwaar de vader en de moeder zijn verschenen

- de pleitnota van de raadsman van de vader

- de pleitnota van de raadsvrouw van de moeder

1.2. Ter aanvulling op het vorenstaande [zij] vermeld dat na een schorsing van de mondelinge behandeling de rechter in aanwezigheid van de griffier doch buiten aanwezigheid van partijen en hun raadslieden, na te noemen, met de moeder meegekomen minderjarige heeft gehoord. Van dat horen is na hervatting van de mondelinge behandeling, met voorafgaand verkregen toestemming van bedoelde minderjarige, in het kort aan partijen verslag gedaan.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 21 oktober 1994 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren, [A], geboren op 22 december 1995 ([…]), de oudste is.

2.2. Het huwelijk van partijen is op 11 november 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 11 oktober 2005 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Partijen zijn tijdens hun huwelijk beide lid geweest van de Christengemeente (Pinkstergemeente); de moeder is dat nog steeds; de vader is na de echtscheiding overgegaan naar de Christelijk gereformeerde kerk.

2.4. Partijen zijn na de echtscheiding het gezamenlijk gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. De gewone verblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. Bij de echtscheiding hebben partijen een omgangsregeling getroffen waarbij de kinderen om het weekend en gedurende de helft van de vakanties bij de vader verblijven.

2.5. [A] zat tot huidige zomervakantie op een interconfessionele basisschool te Purmerend. Na de zomervakantie gaat [A] naar de middelbare school. Teneinde voor [A] een geschikte middelbare school te vinden zijn de ouders begin dit jaar met [A] bij vier scholen langs geweest, te weten de interconfessionele school het Da Vinci college en de openbare school het Jan van Egmond college, beide te Purmerend, de evangelische school De Passie te Amsterdam (verder te noemen: De Passie) en de christelijke school het Pascal college te Zaandam. Vervolgens is [A] vergezeld van de moeder voor een kenningsmakingsdag, waarbij ook leerlingen van De Passie aanwezig waren, nogmaals bij De Passie geweest.

2.6. De moeder heeft [A] in eerste instantie zowel bij De Passie als bij het Da Vinci college ingeschreven. De inschrijving bij het Da Vinci college heeft zij later weer ongedaan gemaakt.

2.7. De vader is openlijk homoseksueel en woont samen met zijn partner.

2.8. Door de vader is met betrekking tot De Passie een uitspraak d.d. 15 juni 2007, oordeel nr. 2007-100, van de Commissie Gelijke Behandeling overgelegd. In genoemde uitspraak staat onder meer het volgende:

(…)

2.4 Het dagblad Het Parool bevatte op 6 januari 2007 een bijlage waarin scholen in Amsterdam ten behoeve van ouders en leerlingen informatie gaven [over] hun schoolinstelling, de scholengids. In een interview met de directeur van de school noteerde een journalist van Het Parool het volgende: “ Ook aan leerkrachten worden bijzondere eisen gesteld. Homoseksualiteit strookt niet met de uitgangspunten van ‘....’; openlijk homoseksuele leerkrachten zult u hier niet aantreffen.”

2.5 Op 11 januari 2007 heeft de algemeen directeur van de school de weergegeven passage nader toegelicht in een persbericht op de website van de school. Hij stelt daarin het volgende: “Het op de bijbel gebaseerde uitgangspunt van [verweerster] is dat intieme seksuele relaties thuishoren in het monogame huwelijk van man en vrouw. Medewerkers die in dienst treden van de Passie ondertekenen een verklaring dat zij de Bijbelse uitgangspunten van de school persoonlijk zullen naleven en zullen voorleven aan de leerlingen. In het artikel in de scholengids is inderdaad het hebben van een homoseksuele relatie als voorbeeld bedoeld (…)”.

(…)

3.8 Onderdeel van de bijbelse uitgangspunten is de visie op de seksuele moraal. Volgens verweerster houdt deze in dat intieme seksuele relaties exclusief zijn voorbehouden aan een man en een vrouw binnen een monogaam huwelijk. Een homoseksuele relatie staat daarmee op gespannen voet. In een concreet geval van een sollicitatie of functioneringsgesprek, zal een homoseksuele (potentiële) medewerker niet alleen de grondslag moeten onderschrijven, maar ook op een geloofwaardige wijze moeten aangegeven hoe hij hieraan in het dagelijks leven en op school uitvoering geeft.

(…)

3.26 Verweerster heeft aangevoerd dat de woorden in het Parool en de daaropvolgende persberichten niet het beleid ten aanzien van homoseksuelen weergeven. Zij wenst immers de AWGB na te leven. Wel staan de visie op de seksuele moraal en de eis daarnaar te leven op gespannen voet met openlijke homoseksualiteit van een

( potentiële) medewerker. Het enkele feit van de homoseksualiteit zal volgens verweerster echter nooit als selectie- dan wel beoordelingscriterium worden toegepast. Verweerster zal te allen tijde in gesprek gaan met de (potentiële) medewerker om in samenspraak na te gaan of het zijn van openlijk homoseksueel het geloofwaardig uitdragen van de grondslag van verweerster in de weg staat.

3.27 Verweerster is er evenwel niet in geslaagd de Commissie ervan te overtuigen dat een dergelijke samenspraak ooit tot een andere conclusie van verweerster zal leiden dan dat reeds de enkele omstandigheid dat een (potentieel) personeelslid “openlijk” homoseksueel is in de weg staat aan (continuering van) een dienstverband. (…)

3.28 Op grond van al het vorenstaande komt de Commissie tot het oordeel dat verweerster met haar uitspraken en het daaraan ten grondslag liggende beleid onderscheid heeft gemaakt op grond van het enkele feit van de homoseksuele gerichtheid van (potentiële) leerkrachten.

2.9. Tot voor kort heeft de moeder vanwege de gebrekkige sociale vaardigheden van [A] (en van een broertje van [A]) contact onderhouden met Bureau Jeugdzorg.

3. Het geschil

3.1. De vader vordert - zakelijk weergegeven - dat de voorzieningenrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de moeder te veroordelen

1. tot het ongedaan maken van de inschrijving van [A] op De Passie te Amsterdam;

2. tot betaling aan de vader van een dwangsom van EUR 100,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom, vanaf de dag na betekening van dit vonnis, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de moeder geheel of gedeeltelijk niet aan dit vonnis voldoet;

3. in de kosten van deze procedure, waaronder een salaris voor de procureur.

3.2. De vader heeft een aantal bezwaren aangevoerd tegen de inschrijving van [A] bij De Passie. Samengevat houden die bezwaren het volgende in. De onderwijskwaliteit, leerlingenzorg en de onderwijsorganisatie bij De Passie zijn onvoldoende. De evangelische en ”Bijbelgetrouwe” levensbeschouwing die door De Passie wordt gehuldigd, zou [A] tot de zijne kunnen maken - hetgeen ook door De Passie wordt beoogd -, wat tot verwijdering tussen [A] en hem zou kunnen leiden. Gelet op die levenbeschouwing van De Passie zou [A] door de geaardheid van de vader mogelijk het onderwerp van pesterijen worden, zouden medeleerlingen van [A] mogelijk niet met [A] thuis bij de vader mogen komen of zou [A] of de vader zelf door De Passie of (ouders van) [A]’s klasgenoten geconfronteerd kunnen worden met de opvatting dat de vader door zijn geaardheid of door zijn relatie zondig is. De vader is bang dat [A] als gevolg hiervan schade aan zijn (sociale) ontwikkeling en in zijn prestaties zal ondervinden. Voorts zal de grote reisafstand tussen huis (Purmerend) en school (Amsterdam) voor [A], die sociaal toch al niet vaardig is, een extra hindernis vormen voor het opbouwen van sociale contacten in zijn leefomgeving te Purmerend. Die grote reisafstand brengt bovendien extra kosten met zich.

Gelet op voornoemde bezwaren stelt de vader dat schoolkeuze voor De Passie niet in het belang van [A] is.

3.3. De moeder voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het feit dat de middelbare scholen in Noord-Holland op 14 augustus 2008 weer beginnen en [A] dan, als de gevraagde voorzieningen voordien niet zouden worden getroffen, naar de mening van de vader tegen zijn ([A]’s) belang in naar De Passie zou gaan, de vader een spoedeisend belang geeft bij de door hem gevraagde voorzieningen. Hieraan doet niet af dat sedert het moment dat de vader bekend werd met de keuze van de moeder voor De Passie als middelbare school voor [A] inmiddels enkele maanden zijn verstreken. Het primaire verweer van de moeder dat de vader niet-ontvankelijk in zijn vordering is omdat hij daarbij geen spoedeisend belang heeft, wordt derhalve verworpen.

4.2. Bij de beoordeling van de vordering van de vader stelt de voorzieningenrechter voorop dat die een geschil betreft als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en dat bij de beoordeling van een dergelijk geschil uitgangspunt is dat de rechter een zodanig beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat een afwijken van de schoolkeuze gemaakt door degenen die het meest met de consequenties van die keuze zullen worden geconfronteerd - in dit geval [A] en de moeder - doorgaans niet in het belang van de desbetreffende minderjarige zal zijn. De minderjarige zou dan immers tegen zijn wil en tegen de wil van de ouder die de dagelijkse zorg over hem heeft naar een school moeten waar hij niet heen wil en ook de ouder bij wie hij verblijft niet wil dat hij heen gaat. Voor het geven van een verbod als door de vader gevraagd, dienen dan ook vrij evidente goede gronden te bestaan.

4.4. De door de vader voor zijn vordering gestelde gronden kunnen grofweg in vijf categorieën worden onderverdeeld, die als volgt kunnen worden aangeduid: de kwaliteit van De Passie, het punt homoseksualiteit, de reistijd, de sociale contacten en het bestaan van goede alternatieven.

4.5. De stelling van de vader dat de onderwijskwaliteit, de leerlingenzorg en de onderwijsorganisatie bij De Passie te wensen over laat, is voornamelijk gebaseerd op het feit dat de Inspectie voor het Onderwijs (verder te noemen: de Inspectie) in 2006 en 2007 een zusterschool van De Passie, te weten de Passie school te Utrecht heeft onderzocht en die school als een risicoschool heeft aangemerkt. Wat dit betreft overweegt de voorzieningenrechter dat dat onderzoek en die beoordeling niet De Passie (in Amsterdam) betreft, maar de Passie school in Utrecht. Het feit dat de Inspectie zorgen heeft over de Passie school in Utrecht, behoeft nog niet te betekenen dat de onderwijskwaliteit van De Passie (in Amsterdam) onder de maat zou zijn. Voor het geval dat in 2006 en 2007 toch het geval geweest zou zijn, kan uit het door de moeder overgelegde artikel uit het Nederlands Dagblad van 21 maart 2008 in ieder geval worden opgemaakt dat de Inspectie de kwaliteit van De Passie verbeterd vindt en de Passie school in Utrecht niet langer als een risicoschool beschouwt. Daar kan aan worden toegevoegd dat De Passie niet voorkomt op het door de Inspectie op het internet gepubliceerd overzicht “Zeer zwakke scholen voortgezet onderwijs per 1 juli 2008”, zoals dat door de moeder in het geding is gebracht.

4.6. De onder het punt homoseksualiteit door de vader voor zijn vordering geven argumenten beoordeelt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter acht de door de vader geuite vrees, gelet ook op de door de vader overgelegde uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling begrijpelijk. Echter de vrees van de vader betreft een toekomstige onzekere gebeurtenis. Wellicht valt het in de praktijk allemaal reuze mee. Daarvoor kan de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend aan het feit dat de ouders ter zitting eensgezind hebben verklaard dat [A] - die inmiddels tegen de dertien loopt - in het geheel geen moeite heeft met het (openlijk) homoseksueel zijn van de vader en diens samenwonen met zijn partner. De voorzieningenrechter acht de vrees van de vader niet dusdanig reëel dat die een evident goede grond oplevert als hiervoor onder 4.4 bedoeld. Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter betrokken dat de moeder ter zitting heeft toegezegd dat zij erop zal letten of hetgeen de man vreest zich ook daadwerkelijk gaat voordoen en, als dat het geval zou zijn, zij daaraan de nodig consequenties zal verbinden. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang de toezegging van de moeder ter zitting gedaan dat zij het contact met Bureau Jeugdzorg zal hervatten en in stand zal houden en daarbij ook aandacht zal geven aan de door de vader geuite vrees. Tenslotte acht de voorzieningenrechter in het onderhavige verband nog van belang de door de moeder ter zitting gedane toezegging dat zij in ieder geval tegen het einde van het komende schooljaar met de vader onder begeleiding van een onafhankelijke deskundige derde (bijvoorbeeld de betrokken medewerker/ster van Bureau Jeugdzorg) het verloop van het verblijf van [A] op De Passie zal evalueren en daarbij zal bezien of de schoolkeuze voor De Passie op dat moment nog steeds de juiste is.

4.7. Voor wat betreft het door de vader genoemde argument van de reistijd overweegt de voorzieningenrechter dat hoewel de reistijd naar Amsterdam aanzienlijk langer is dan wanneer [A] naar een school in Purmerend zou gaan, die reistijd dezelfde is als wanneer [A] naar het door de vader zelf geopperde alternatief van het Pascal college te Zaandam zou gaan. Daarnaast is gebleken dat de reis per openbaar vervoer van de woning van de moeder naar De Passie (in Amsterdam) geen gecompliceerde is. Bovendien is ter zitting komen vast te staan dat [A] vergezeld van een jongen en een meisje vanuit Purmerend naar de Passie zal reizen, nu deze twee kinderen uit Purmerend ook naar die school zullen gaan en klasgenoten van [A] zullen worden. Hoewel de afstand tussen de woonplaats van [A] en de school in Amsterdam een beletsel kan vormen voor het opbouwen van sociale contacten, acht de voorzieningenrechter dit, gelet op het feit dat [A] nu reeds twee in Purmerend woonachtige toekomstige klasgenoten kent, niet van dien aard dat dit grond kan geven voor toewijzing van het gevorderde.

4.8. Alle argumenten van de vader afzonderlijk, maar ook tezamen en in hun onderlinge samenhang bezien, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor toewijzing van het gevorderde. Daaraan kan de omstandigheid dat met name het Da Vinci college in Purmerend een goed alternatief zou kunnen zijn, niet afdoen. Bij zijn oordeel heeft de voorzieningenrechter tenslotte ook betrokken de omstandigheid dat de keuze van de moeder en [A] voor De Passie inmiddels al weer enige maanden geleden is gemaakt en ook al geruime tijd aan de vader bekend is, de behandeling van de vordering van de vader - vanwege de vele verhinderdata die bij de aanvraag van dit kort geding zijn opgegeven - eerst een kleine drie weken voor de aanvang van het schooljaar heeft plaatsgevonden en, naar uit het gesprek met [A] is gebleken, hij zich er inmiddels erg op heeft ingesteld het komende schooljaar naar De Passie te gaan.

4.9. Gelet op het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen partijen op de hierna te noemen wijze worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten heeft te dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2008.?