Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD9048

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
AWB 08-365 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het verleden is voor de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van betrokkene steeds uitgegaan van een urenbeperking tot 12 uur per week bij lichte werkzaamheden. Deze maximale belasting van betrokkene was proefondervindelijk vastgesteld. Met de door de verzekeringsartsen vastgestelde verbetering in het functioneren van betrokkene is onvoldoende onderbouwd dat thans een urenbeperking van 20 uur zou gelden. Aangezien de keuze voor het aantal uren dat betrokkene kan werken grote gevolgen heeft voor de klasse-indeling is een zorgvuldige onderbouwing van groot belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 356 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2008

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2007 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 juli 2007 herzien en berkend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 juni 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 november 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 december 2007, aangevuld bij ongedateerde brief, ontvangen op 31 maart 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 april 2008, alwaar eiseres in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door R. Hahn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres was laatstelijk werkzaam als assistent luchtverkeersleider voor 38 uur per week. Op 13 december 1989 heeft zij zich ziek gemeld wegens diverse klachten na een auto-ongeval. Per 1 januari 1996 is haar een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Per 1 september 1998 is de WAO-uitkering herzien en berekend naar een mate van 80 tot 100%. Op 4 december 2006 is eiseres onderzocht door de verzekeringsarts. Deze heeft een functionelemogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft op 8 mei 2007 een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en de arbeidsdeskundige. Naar het oordeel van de arbeidsdeskundige is het eigen werk voor eiseres niet meer passend te achten. Zij moet echter volgens de arbeidsdeskundige nog wel in staat geacht worden andere, haar wel passende werkzaamheden te verrichten. Functies, waarin deze werkzaamheden worden verricht, zijn telefonist / receptionist, machinaal metaalbewerker, productiemedewerker en beginnend boekhouder.

2.2 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 10 juli 2007 heeft herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

2.3 Eiseres heeft aangevoerd dat het bezwaar gegrond verklaard had moeten worden, omdat niet was voldaan aan de motiveringseisen. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het aangepaste Schattingsbesluit strijdig is met artikel 1 van het eerste protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) / artikel 14 EVRM in verband met het proportionaliteitsbeginsel; een relatief kleine groep wordt onevenredig getroffen door de ingevoerde wijzigingen, die groep is willekeurig gekozen, geen sprake van voldoende compensatie. Eiseres heeft ten aanzien van de medische beoordeling aangevoerd dat sprake is van verborgen beperkingen in de FML. Voorts meent eiseres dat zij niet in staat kan worden geacht meer dan 3 maal per week 4 uur werkzaam te zijn. Met betrekking tot de arbeidskundige component heeft eiseres gesteld dat de motivering onvoldoende is, nu de (samenvatting) arbeidsmogelijkhedenlijst en het formulier resultaat functiebeoordeling / functieomschrijvingen missen. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het CBBS uitgaat van niet realistische aanvangssalarissen. Verder is niet aangetoond dat de functies in alle 5 regio's voorkomen. Verweerder zou dan ook de enquêteformulieren dienen over te leggen, teneinde twijfel weg te nemen, aldus eiseres. Eiseres meent dat door de handelwijze van verweerder gehandeld is in strijd met artikel 6 EVRM (equality of arms). Eiseres heeft ten aanzien van de normaalwaarden in het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) aangevoerd dat verweerder inzicht in de totstandkoming daarvan dient te geven.

2.4 In artikel 18 van de WAO is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 april 2001, gepubliceerd in RSV 2001/115) dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

2.5 Het bestreden besluit berust op de rapportages die aan verweerder zijn uitgebracht door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiseres betwist de juistheid van deze rapportages. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of deze rapportages zorgvuldig tot stand zijn gekomen, of de rapportages in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.6 Met betrekking tot de medische grondslag van het besluit stelt de rechtbank vast dat partijen met name verdeeld zijn over het antwoord op de vraag of eiseres in staat moet worden geacht 20 uur per week arbeid te verrichten.

2.7 Zoals in de Standaard 'verminderde arbeidsduur' van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (aan de uitvoeringsinstellingen toegezonden bij Lisv-mededeling M 00.039 d.d. 13 april 2000), wordt vermeld bestaat geen nauwkeurig instrument om het aantal uren dat een belanghebbende kan werken, te 'meten'. Het is immers mede afhankelijk van talloze aspecten waarmee een belanghebbende wordt geconfronteerd bij het daadwerkelijk gaan uitoefenen van de geduide functies hoeveel uren hij of zij kan werken. Dit is ook de reden dat bij concrete werkhervatting ervaringen opgedaan bij het 'proberen en mislukken' een belangrijke afweging vormen om het aantal uren dat belanghebbende kan werken eventueel te beperken voor die concrete functie.

2.8 Eiseres is, na een re-integratieperiode, waarin urenopbouw heeft plaatsgevonden, met ingang van 1 september 1998 herplaatst bij de belastingdienst voor 12 uur per week. Het werk van eiseres bestond uit het bijwerken en opruimen van dossiers, waarbij zij in haar eigen tempo, zonder tijdsdruk, kon werken. Verzekeringsarts Waanders heeft op basis van de ervaringen in de re-integratieperiode in de rapportage van 28 juli 1998 vastgesteld dat 12 uur per week het maximale haalbare is voor de werkzaamheden zoals deze door eiseres werden uitgevoerd. Verweerder heeft in de periode daarna steeds geoordeeld dat de belastbaarheid van eiseres onveranderd was gebleven.

2.9 Weliswaar hebben de (bezwaar-)verzekeringsartsen de wijziging in de eerder vastgestelde belasting op dit punt gemotiveerd door te stellen dat sprake is van een verbetering van de rug- en nekfunctie van eiseres, maar de rechtbank acht daarmee de discrepantie tussen de proefondervindelijk vastgestelde maximale belasting van eiseres van 12 uur per week en de thans door verweerder - theoretisch - bepaalde 20 uur per week onvoldoende verklaard. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de door eiseres bij de belastingdienst verrichte werkzaamheden als licht kunnen worden aangemerkt. De rechtbank merkt voorts nog op dat juist in dit geval, waarbij de resterende verdiencapaciteit is berekend op 78,6%, het van groot belang is dat de keuze voor het aantal uren dat eiseres geacht kan worden te werken zeer zorgvuldig onderbouwd dient te worden, nu dit grote gevolgen heeft voor de klasse-indeling.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiseres in staat kan worden geacht 20 uur per week arbeid (in de geduide functies) te verrichten.

2.11 Gelet hierop kan het bestreden besluit geen stand houden wegens een onvoldoende medische grondslag. Het besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 Awb. De overige aangevoerde gronden behoeven, gelet hierop, dan ook geen bespreking meer.

2.12 Het beroep is gegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu van door eiseres gemaakte proceskosten niet is gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 8 november 2007;

3.3 gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, en op 16 juni 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.