Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD8963

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
AWB 06/10778 en 06/10780
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1894, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ1399, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heretikettering van ondergrond en tuin van gebouwde woning in 1998 mogelijk? Beroep op vertrouwensbeginsel en wijze van winstbereking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/56.3.1
FutD 2008-1701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/10778 en 06/10780

Uitspraakdatum: 25 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,wonende te Y, eiser,

Z, wonende te Y, eiseres

hierna tezamen: eisers

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 20 september 2001 heeft verweerder aan eiseres over het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 291.215 (de aanslag).

Namens eiseres is met een brief van 11 oktober 2001, op 12 oktober 2001 door verweerder ontvangen, bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 20 september 2001.

Bij uitspraak van 3 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is namens eiseres een op 10 oktober 2006 gedagtekend beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 11 oktober 2006 heeft ontvangen. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 06/10780.

Met dagtekening 19 oktober 2001 heeft verweerder aan eiser over het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 430.815 (de aanslag).

Namens eiser is met een brief van 25 oktober 2001, op 26 oktober 2001 door verweerder ontvangen, bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 19 oktober 2001.

Bij uitspraak van 3 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is namens eiser een op 10 oktober 2006 gedagtekend beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 11 oktober 2006 heeft ontvangen. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 06/10778.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eisers hebben conclusies van repliek genomen, waarna verweerder hen van repliek heeft gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007 te Haarlem. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigden mr. A Fb en B AA. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C en D. Ter zitting zijn de zaken met procedurenummers 06/10778 en 06/10780 gelijktijdig behandeld.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eisers dreven in het jaar 1998 een onderneming in de vorm van een maatschap. Tot medio 1999 woonden eisers te Q. De maatschap exploiteert een fruit- en sorteerbedrijf te Y. Eiser ontvangt een winstdeel uit de maatschap van 60% en eiseres een winstdeel van 40%.

2.2. In 1991 hebben eisers 2,4 hectare landbouwgrond aangekocht ten behoeve van de fruitteelt. Eisers hebben deze grond gerekend tot hun ondernemingsvermogen. Een deel van de grond is niet beplant. In 1996 is een vergunning verkregen voor de bouw van een schuur op evenvermelde grond. In 1997 is een aanvraag ingediend ten behoeve van de bouw op evenvermelde grond van een door eisers te betrekken woning bij het bedrijf. De vergunning is op 18 februari 1998 verleend.

2.3. In de jaarrekening van de maatschap over het jaar 1998 is vermeld dat de maatschap over een perceel grond ter grootte van 2.32.25 hectare beschikte. Volgens deze jaarrekening is in 1998 500m² grond, met een boekwaarde van ƒ 3.000, overgeboekt naar privé.

2.4. Op grond van een nadien, op 20 juni 2000, door verweerder en namens eisers verrichte gezamenlijke taxatie van de aan de feitelijke uitoefening van het landbouwbedrijf onttrokken grond voor de bouw van de woning bleek het om 1000m² te gaan in plaats van 500m². Het perceel grond, groot 1000m², is naar de toestand per 1 januari 1998 op een waarde in het economisch verkeer getaxeerd van ƒ 400.000 en op een waarde in het economisch verkeer bij een agrarische bestemming van ƒ 9.000.

2.5. Op 1 juli 1999 heeft eiser aangifte IB/PVV 1998 gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 212.415 en heeft eiseres aangifte IB/PVV 1998 gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 145.615.

2.6. Bij het vaststellen van de aanslag is verweerder is uitgegaan van een bestemmingswijzigingswinst van ƒ 391.000 (ƒ 400.000 – ƒ 9.000) waarvan ƒ 27.000 reeds in de jaarrekening is verantwoord. Vervolgens heeft verweerder van de resterende bestemmingswijzigingswinst ad (ƒ 391.000 – ƒ 27.000 =) ƒ 364.000 60% aan eiser toegerekend (364.000 x 60% = ƒ 218.400) en 40% (364.000 x 40% = ƒ 145.600) aan eiseres. Verweerder heeft de door eiser aangegeven winst gecorrigeerd met ƒ 218.400 en het belastbaar inkomen van eiser vastgesteld op ƒ 430.815. De door eiseres aangegeven winst is door verweerder gecorrigeerd met ƒ 145.600 en het belastbaar inkomen van eiseres vastgesteld op ƒ 291.215.

2.7. In bezwaar hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat de overgang van een tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaak naar privé, om daarop vervolgens een bedrijfswoning te stichten, geen belaste bestemmingswijzigingswinst oplevert. Verweerder heeft dit standpunt bij uitspraak op bezwaar afgewezen en de aanslagen gehandhaafd.

3. Geschil

3.1. In geschil is of een heretikettering in 1998 mogelijk is van de ondergrond en de tuin van de gebouwde woning. Voorts is in geschil of eisers een beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel en of de winst tot het juiste bedrag is berekend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 212.415. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 145.615. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen en handhaving van de aanslagen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De landbouwvrijstelling is niet van toepassing voor bestemmingswijzigingswinst op landbouwgrond als gevolg van de bouw van een (bedrijfs)woning (Hoge Raad 7 mei 2004, BNB 2004/335-338). De rechtbank is van oordeel dat eisers, door een deel van de tot hun ondernemingsvermogen en voor bedrijfsdoeleinden bestemde gronden aan te wenden om daarop een nieuwe woning te stichten, hebben bewerkstelligd dat deze gronden niet langer binnen het landbouwbedrijf worden aangewend. Voor zover eisers een andersluidend standpunt innemen, dient dit te worden verworpen.

4.2. Nu de aanslagen inkomstenbelasting over 1999 tot en met 2001 reeds vaststaan kan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 1986, BNB 1987/26, niet worden teruggekomen op de eerder gemaakte keuze de grond tot het privévermogen te rekenen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn.

4.3. Eisers stellen zich op het standpunt dat heretikettering van de ondergrond in 1998 mogelijk is omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden die een keuzeherziening per 1998 rechtvaardigen. Die bijzondere omstandigheden zien eisers gelegen in de lange periode waarin onduidelijkheid bestond over de toepassing van de landbouwvrijstelling en ondergrond van een eerste bedrijfswoning.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eisers hebben aangevoerd geen bijzondere omstandigheid vormt welke - het opnieuw - overbrengen van de grond naar het ondernemingsvermogen rechtvaardigt. Dat er lange tijd onduidelijkheid is geweest over de toepassing van de landbouwvrijstelling voor de ondergrond van een bedrijfswoning, is hiervoor niet voldoende. Teminder nu de onduidelijkheid met name bestemmingswijzigingen van reeds gebouwde bedrijfswoningen betrof.

4.5.1. Ten aanzien van de door eisers gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat van schending van het gelijkheidsbeginsel sprake kan zijn indien verweerder begunstigend beleid heeft toegepast of een oogmerk tot begunstiging heeft gehad dan wel indien in de meerderheid van de met het geval van eisers vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De bewijslast hiervan rust op eisers.

4.5.2. Eisers hebben gesteld dat alle agrariërs die een woning met ondergrond op de balans hebben staan een beroep kunnen doen op het besluit van 8 maart 2006, nr. CPP 2005/3338M, gepubliceerd in Stcrt. 2006, 58 en de daaruit voortvloeiende werkafspraak van 16 mei 2006, nr. 2006/H23, gepubliceerd in V-N 2006/33.11 (hierna: de werkafspraak). Eisers willen eveneens van de in het besluit en de werkafspraak neergelegde regeling gebruik maken. De rechtbank overweegt dat de woning met ondergrond van eisers tot het privévermogen behoort en niet tot het op de balans vermelde ondernemingsvermogen. Bovendien betreft het hier niet de situatie van een reeds bestaande bedrijfswoning, maar gaat het om een nieuw te stichten woning. Daarom verkeren eisers niet in een gelijke positie als agrariërs die de woning met ondergrond wel als ondernemingsvermogen hebben aangemerkt en kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel op deze grond niet slagen.

4.5.3. Voorts hebben eisers gesteld dat verweerder uit oogmerk van begunstiging beleid heeft toegepast ten aanzien van de buurman van eisers, die onder gelijke omstandigheden als eisers wel de woning met ondergrond mocht heretiketteren. De rechtbank overweegt hierover dat verweerder ter zitting heeft verklaard, hetgeen niet door eisers is betwist, dat de aanslagen over latere jaren van de buurman van eisers nog niet vast stonden. Keuzeherziening was daarom in dat geval nog wel mogelijk. Nu eisers niet in een gelijke positie verkeren als hun buurman en zij overigens niet aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder een oogmerk van begunstiging heeft gehad, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

4.6.1. Eisers stellen dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden omdat verweerder in een telefoongesprek d.d. 1 mei 2005 met de gemachtigde van eisers gezegd zou hebben dat “hij de zaak aanhoudt totdat het besluit er komt inzake de ondergrond woning”. Eisers stellen aan dit telefoongesprek het vertrouwen te hebben ontleend dat zij gebruik konden maken van een mogelijk gunstige regeling in de toekomst en dat zij daarom alsnog gebruik mogen maken van de werkafspraak.

4.6.2. De rechtbank overweegt dat verweerder in het telefoongesprek van 1 mei 2005 kennelijk heeft toegezegd geen uitspraak op het bezwaar te doen voordat een door het Ministerie van Financiën vastgesteld besluit inzake de ondergrond van de woning is gepubliceerd. De enkele mededeling een bezwaar aan te houden totdat een bepaald besluit is gepubliceerd vormt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet een toezegging of een bewuste standpuntbepaling van verweerder die bij eisers de indruk heeft kunnen wekken dat zij na publicatie van het besluit hun keuze nog mochten herzien.

4.7.1. Ten slotte stellen eisers dat verweerder de bestemmingswijzigingswinst niet juist berekend heeft. Op 20 juni 2000 heeft een gezamenlijke taxatie plaatsgevonden door taxateurs E en F van de ondergrond van het woonhuis, het erf en de tuin. Daarbij is uitgegaan van een oppervlakte van 1000m². Het taxatierapport is gedateerd op 7 juli 2000. Thans stellen eisers dat volgens opgave van de accountant de oppervlakte slechts 750m² bedraagt. Ter zitting hebben eisers daar nog aan toegevoegd dat het kadaster op 26 november 2007 een oppervlakte van 772m² heeft gemeten. In 1998 was de oppervlakte volgens eisers nog wel 1000m², maar in 2006 is een gedeelte afgescheiden voor parkeerterreinen. Voorts stellen eisers dat de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming ten onrechte berekend is op basis van cultuurgrond.

4.7.2. De rechtbank overweegt dat de taxatie op 20 juni 2000 heeft plaatsgevonden naar de toestand per 1 januari 1998. Gelet op het taxatierapport van 7 juli 2000 en de verklaring van eiseres ter zitting dat in 1998 de oppervlakte nog 1000m² was, is de rechtbank van oordeel dat de bestemmingswijzigingswinst terecht berekend is op basis van 1000m². Voorts is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat van een verkeerde waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming is uitgegaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat bij de taxatie op 20 juni 2000 van een verkeerde waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming is uitgegaan. De enkele stelling van eisers dat zij snel een bouwvergunning voor een woning hebben verkregen is daartoe onvoldoende. Voorts acht de rechtbank de door eisers overgelegde waarde indicatie van ir. G niet bruikbaar om de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming per 1 januari 1998 te bepalen nu in deze indicatie niet meer is vermeld dan twee bedragen voor oppervlakten van 750m² respectievelijk 1000m² en bijvoorbeeld geen verkoopprijzen van vergelijkbare gronden of andere concrete gegevens omtrent waardebepalende factoren zijn vermeld.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L.F. Roseval, voorzitter, mr. J. Snitker en mr. A.P.M. van Rijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.