Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD8271

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
139616 - HA ZA 07-1233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden. (Amsterdams) verrekenbeding. Het feit dat een verrekenbeding enkel zou zijn overeengekomen ten faveure van de vrouw in casu geen omstandigheid die een beroep op het vervalbeding rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139616 / HA ZA 07-1233

Vonnis van 11 juni 2008

in de zaak van

[EISER],

wonende te Vught,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. M.A. van Osch te 's-Hertogenbosch,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te Beverwijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. F.W. Huizinga,

advocaat mr. H.L. van Lookeren Campagne te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] of de man en [gedaagde] of de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 januari 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 22 april 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 16 oktober 1972 te Beverwijk gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

2.2. Voor zover relevant luiden de huwelijkse voorwaarden als volgt:

“(…)

Artikel 1:

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen of inkomsten ontstaan.

Ieder van de echtgenoten behoudt derhalve de zaken, welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt en die, welke gedurende het huwelijk door erfenis, legaat of schenking aan hem of haar opkomen, welke door hem of haar worden verkregen door belegging of wederbelegging of door ruiling van ieders bijzondere vermogen. (…)

Artikel 2:

Na afloop van elk kalenderjaar zijn de echtgenoten gehouden hetgeen van hun inkomsten over dat kalenderjaar onverteerd is, bij helfte te verdelen.

(..)

Heeft de verdeling niet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar plaats gehad en heeft geen der echtgenoten binnen zeven maanden na afloop van het kalenderjaar de verdeling schriftelijk gevorderd, dan vervalt het recht tot het vorderen van deze verdeling.

Wanneer een echtgenoot zonder redelijke grond de samenwoning heeft verbroken of door zijn onredelijk gedrag de andere echtgenoot heeft genoopt de samenwoning te verbreken, dan eindigt zijn aanspraak op de verdeling als vorenomschreven.

(…)

Artikel 6:

Alle zaken, waarvan niet blijkt aan wie der echtgenoten zij toebehoren, worden geacht aan beide echtgenoten in vrije mede-eigendom toe te behoren.

Tenslotte verklaarden comparanten, dat door hen ten huwelijk worden aangebracht de roerende goederen, beschreven op een aan deze akte gehechte, door comparanten en mij, notaris, ondertekende staat.

(…)”

2.3. De in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden bedoelde staat bevat voor wat betreft de vrouw inboedelgoederen, een auto en een bromfiets. Ten aanzien van de man wordt een gereedschapsset genoemd.

2.4. Partijen hebben voorts een (ongedateerde) overeenkomst gesloten genaamd ‘Akte houdende aanvullende overeenkomst’ met hieraan gehecht een lijst van roerende zaken. In deze overeenkomst is onder andere het volgende overeengekomen:

“(…) [partijen] komen in aansluiting op hetgeen is vervat in de akte houdende huwelijkse voorwaarden dd 10 oktober 1972 t.o.v. notaris B.M.A. Batenburg te Beverwijk verleden, nader overeen als onderstaand;

Overwegende;

(…)

dat partijen het nuttig, nodig danwel wenselijk achten om in aanvulling op de bovengenoemde huwelijkse voorwaarden de daarbij behorende lijst van roerende zaken te complementeren in dier voege, dat alle op de aan deze akte aangehechte lijst van roerende zaken, aan de vrouw in eigendom toebehoren zonder dat derden daarop rechtens aanspraak kunnen maken zodat de vrouw daarvan de volle en vrije eigendom heeft;

(…)”

2.5. Partijen hebben voorts een overeenkomst gesloten genaamd ‘huwelijksvoorwaardenconvenant’, gedateerd 1999. In deze overeenkomst zijn partijen onder andere het volgende overeengekomen:

“C. Partijen verklaren een lijst van goederen bij deze akte toe te voegen en niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over een weer te dier zake finale kwijting”

2.6. De onder r.o. 2.4 en 2.5 genoemde overeenkomsten zullen hierna gezamenlijk als de ‘nadere overeenkomsten’ worden aangeduid.

2.7. Op 30 oktober 2003 is een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Het huwelijk is op 14 februari 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 8 december 2004 in de registers van de burgerlijke stand.

3. De vordering in conventie

3.1. De man heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis uitvoer bij voorraad:

- de vrouw veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 196.277,70 te vermeerderen met wettelijke rente;

- de vrouw veroordeelt de, ingevolge art. 1:143 lid 1 BW, verificatoire bescheiden omtrent de te verrekenen vermogensbestanddelen te verstrekken bij gebreke waarvan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft;

- een deskundige benoemt die de waarde vaststelt van het woonhuis en het strandhuis;

- de vrouw veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis ervoor zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de leningen bij de Dexia Bank en de IDM Bank;

- de vrouw veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2. De man heeft aangevoerd dat partijen gehuwd zijn geweest op huwelijkse voorwaarden, welke voorwaarden een periodiek (Amsterdams) verrekenbeding bevatten. Partijen hebben tijdens het huwelijk nooit uitvoering gegeven aan dit beding, zodat thans al het aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Als peildatum voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen geldt de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, zijnde 30 oktober 2003, aldus de man. Voorts heeft de man aangegeven dat het te verrekenen vermogen bestaat uit de volgende vermogensbestanddelen:

- voormalige echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [p];

- strandhuis Wijk aan Zee;

- inboedel;

- levensverzekering bij ABN-Amro;

- bedrijf […];

- bedrijf […]en

- bankrekeningen.

De man heeft voorts aangevoerd dat de vrouw verificatoire bescheiden dient te overhandigen om de waarde van deze vermogensbestanddelen te kunnen vaststellen. Zij heeft dit ondanks verzoeken daartoe nagelaten te doen.

Ten aanzien van de leningen bij de Dexia bank en de IDM Bank heeft de man aangevoerd dat dit kredieten betreffen die op naam van de vrouw staan, maar waaraan de man ten onrechte ook hoofdelijk is verbonden.

3.3. De vrouw heeft verweer gevoerd. Voor zover van belang zal hierop in het navolgende worden ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. De vrouw heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.2. De man heeft verweer gevoerd. Voor zover van belang zal hierop in het navolgende worden ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie

5.1. Allereerst stelt de rechtbank vast dat partijen ter comparitie desgevraagd beiden hebben aangegeven 30 oktober 2003 als peildatum te beschouwen waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen dient te worden bepaald. In de onderhavige procedure zal dan ook van deze datum als peildatum worden uitgegaan.

5.2. Voorts is ter comparitie gesproken over de verschillende uitgangspunten die partijen hanteren bij een eventuele verdeling en verrekening van de aanwezige vermogensbestanddelen. In het navolgende zal de rechtbank hier nader op ingaan waarbij het reeds onder r.o. 3.2. verwoorde standpunt van de man en de daartegen aangevoerde verweren van de vrouw aan de orde zullen komen.

5.3. De rechtbank neemt als uitgangspunt de in artikel 1:141 BW verwoorde regel dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Hierbij dient te worden opgemerkt dat genoemd artikel van regelend recht en dat hiervan bij huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken.

5.4. De rechtbank stelt vast dat partijen niet meer hebben aangebracht bij het huwelijk dan als vermeld op de staat van goederen als hiervoor onder 2.3. genoemd (behoudens het verweer van de vrouw dat bij de nadere overeenkomsten nog goederen aan haar in eigendom zijn toegekomen, welk verweer hierna nog zal worden behandeld). In ieder geval is gesteld noch gebleken dat een der partijen over enig privé vermogen beschikte (behoudens genoemde goederen) waarmee gedurende het huwelijk goederen in privé zijn aangeschaft. Aldus worden de goederen waarvan de vrouw stelt dat deze haar in eigendom toebehoren, vermoed te zijn gefinancierd met middelen die tot het te verrekenen vermogen behoren. Dit houdt in dat, ongeacht op wiens naam deze goederen staan, de waarde van het goed op de peildatum in beginsel bij helfte obligatoir verdeeld moet worden. Het verweer van de vrouw dat een aantal door de man genoemde vermogensbestanddelen, zoals de voormalige echtelijke woning, haar eigendom waren en dat aldus niet tot verrekening van de waarde hiervan kan worden overgegaan, snijdt dan ook geen hout.

5.5. Ten aanzien van de genoemde verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden heeft de vrouw echter een beroep gedaan op het in artikel 2 verwoorde vervalbeding. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat (volgens vaste rechtspraak, bijv. HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617) een beroep op een vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht in een geval waarin een van de gewezen echtgenoten na hun echtscheiding verrekening vordert van in het verleden overgespaarde inkomsten, tenzij blijkt van, door de echtgenoot die zich op het vervalbeding beroept te stellen en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen. De vrouw heeft ter comparitie aangevoerd dat er sprake is van omstandigheden die haar beroep op het vervalbeding rechtvaardigen. Met name zou dit gelegen zijn in het feit dat het verrekenbeding destijds is overeengekomen ter bescherming van de vrouw tegen de crediteuren van de man. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere onderbouwing, die overigens ontbreekt, het feit dat een verrekenbeding enkel zou zijn overeengekomen ten faveure van (in dit geval) de vrouw geen omstandigheid is die een beroep op het vervalbeding rechtvaardigt.

5.6. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat geen recht op verrekening bestaat aangezien de vrouw genoopt was de samenwoning te verbreken vanwege het onredelijke gedrag van de man. Ingevolge artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden zou hiermee de aanspraak om tot verrekening over te gaan zijn beëindigd door de man. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit artikel niet met zich brengt dat over de periode hieraan voorafgaand geen recht op verrekening meer bestaat. Het artikel voorziet enkel in de bepaling van een einddatum tot wanneer de (thans voormalige) echtelieden over en weer met elkaar dienden te verrekenen. Nu partijen echter beiden expliciet hebben aangegeven 30 oktober 2003 als peildatum te hanteren, zal aan de datumbepaling middels dit artikel niet meer toegekomen worden.

5.7. Tot slot verschillen partijen van mening over de juridische duiding van de nadere overeenkomsten. De vrouw heeft voor wat betreft de nadere overeenkomsten aangegeven dat de goederen die op de aangehechte lijst zijn genoemd haar in eigendom toebehoren. Voor zover zij hiermee heeft willen betogen dat aldus niet tot verrekening zou kunnen worden overgegaan, wordt naar hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen verwezen. Voor zover de vrouw heeft willen aanvoeren dat met de nadere overeenkomsten de huwelijkse voorwaarden zijn aangepast dan wel dat hiermee is beoogd goederen buiten het te verrekenen vermogen te brengen, is de rechtbank van oordeel dat, zoals door de man ook is gesteld, de overeenkomst als nietig dient te worden beschouwd nu deze niet krachtens de vereisten die de wet daartoe stelt is opgemaakt. Naast een aantal andere formaliteiten dient de ontwerp akte immers eerst de goedkeuring van de rechtbank te krijgen en vervolgens dient deze door een notaris verleden te worden. Nu dit niet is geschied dienen de nadere overeenkomsten als nietig te worden beschouwd voorver deze beoogd hebben de huwelijkse voorwaarden te wijzigen. Tot slot heeft de vrouw aangevoerd dat de nadere overeenkomsten als daad van verrekening als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden dienen te worden aangemerkt. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

5.8. Voorop staat dat beide partijen hebben aangegeven dat het doel van de nadere overeenkomsten was het verhaal te bemoeilijken van eventuele schuldeisers van de man. Voorts volgt uit de tekst van de nadere overeenkomsten niet dat partijen hebben beoogd hiermee tot verrekening te hebben willen overgaan als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden, hetgeen overigens ook door de man is ontkend. Aldus volgt uit de bedoeling van partijen en uit de tekst van de nadere overeenkomsten niet dat partijen voor ogen hebben gehad tot verrekening over te gaan en is dit eerst ter comparitie als meer subsidiair standpunt door de raadsman van de vrouw aangevoerd. Uit het enkele feit dat partijen in algemene bewoordingen elkaar finale kwijting hebben verleend, kan niet volgen dat zij verrekening voor ogen hebben gehad. De tekst van de overeenkomst en de bedoeling van partijen zien op het scheppen van nieuwe eigendomsverhoudingen tussen de voormalige echtelieden. Voorzover dit rechtens al mogelijk is, ziet dit echter niet op een eventuele verrekening naderhand. De finale kwijting is gezien de tekst van de overeenkomst en de bedoeling van partijen te zeer verbonden aan deze eigendomsverhoudingen, zodat de rechtbank zonder nadere onderbouwing, die overigens ontbreekt, de nadere overeenkomsten niet als daad van verrekening kan aanmerken. Ook dit verweer van de vrouw faalt.

5.9. Aldus stelt de rechtbank op basis van het voorgaande het volgende vast. Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het verrekenbeding als overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden. Aan de vrouw komt geen beroep op het zogenaamde vervalbeding toe, zodat alsnog tot verrekening dient te worden overgegaan. Voorts staat vast dat slechts een beperkt aantal goederen ten tijde van het huwelijk is aangebracht, terwijl niet is gesteld dat gedurende het huwelijk door erfenis, legaat of schenking goederen aan een van partijen zijn opkomen. Afgezien van de ten tijde van het huwelijk door elk van partijen aangebrachte goederen of hetgeen door een van partijen is verkregen door belegging of wederbelegging of door ruiling daarvan - waaromtrent geen van partijen iets heeft gesteld - komt al het vermogen dat sinds het huwelijk is opgebouwd dan ook in aanmerking voor verrekening. Aldus zal moeten worden bezien wat de samenstelling en de waarde op de peildatum die partijen hiervoor zijn overeengekomen, zijnde 30 oktober 2003, was van al het vermogen dat sinds het huwelijk is opgebouwd en wie van partijen de onderscheidene vermogensbestanddelen onder zich houdt. Aan de hand hiervan zal de waarde van de goederen die elk van partijen onder zich houdt worden verrekend.

5.10. De rechtbank zal dan ook een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. In ieder geval zal het daarbij aan de orde komen wat de samenstelling en de waarde van het te verrekenen vermogen per 30 oktober 2003 was. Als uitgangspunt zal voorts ten aanzien van de (voormalige) echtelijke woning gelden dat deze op 30 oktober 2003 in eigendom aan de vrouw toebehoorde. Aldus zal gesproken worden over de waarde hiervan en hoe deze vast moet worden gesteld per die datum. Dit zelfde geldt voor de ondernemingen die beide voormalige echtelieden voor hun rekening hebben gedreven. De eigendom van […] komt aan de vrouw toe terwijl de eigendom van […] aan de man toekomt. Ook voor wat betreft deze bestanddelen dient de waarde per 30 oktober 2003 te worden vastgesteld. Voorts zal over de andere door partijen genoemde vermogensbestanddelen gesproken worden.

5.11. Voorafgaand aan de comparitie wenst de rechtbank van beide partijen een vermogensopstelling te ontvangen van de per 30 oktober 2003 aanwezige vermogensbestanddelen, de eigenaar per die datum en de waarde die deze bestanddelen per die datum vertegenwoordigden. Het staat partijen daarbij vrij ook andere dan de tot nu toe genoemde vermogensbestanddelen aan de opstelling toe te voegen, indien voorzien van een deugdelijke onderbouwing. Tot slot dienen partijen aan te geven welke betalingen zij hebben gedaan ten gunste van de andere partij na de peildatum en omgekeerd welke betalingen voor hen zijn gedaan door, dan wel welke zij hebben ontvangen van, de andere partij na de peildatum.

5.12. Tot slot dienen partijen zich op voorhand te beraden over eventueel te benoemen deskundigen ter waardering van diverse vermogensbestanddelen waarbij expliciet de voormalige echtelijke woning en de twee ondernemingen worden genoemd.

5.13. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.14. In het kader van de vaststelling van de feiten dienen partijen uiterlijk twee weken voor de zitting de genoemde stukken toe te sturen.

in reconventie

5.15. Ten aanzien van de reconventionele vordering overweegt de rechtbank het volgende.

5.16. De vrouw vordert betaling van een schade nader op te maken bij staat. De schadestaatprocedure kan echter uitsluitend toepassing vinden bij wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding zoals die uit wanprestatie of onrechtmatige daad (HR 9 december 1988, NJ 1989, 397, en HR 7 februari 1992, NJ 1992, 810), afgezien van het zich hier niet voordoende geval dat partijen bij een verzekeringsovereenkomst zijn overeengekomen dat de schadestaatregeling zal mogen worden gevolgd in geval van een procedure ter zake van schade waarvan begroting redelijkerwijs nog niet mogelijk is (HR 7 juni 1996, NJ 1996, 583). Nu de vrouw niet heeft gesteld noch anderszins is gebleken dat in het onderhavige geval sprake is van schade waarvoor de man aansprakelijk is, zal de rechtbank de vordering van de vrouw afwijzen.

5.17. Gelet op het feit dat partijen voormalige echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J. Candido in het gerechtsgebouw te Haarlem aan het Florapark 1 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

6.2. bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

6.3. bepaalt dat partijen binnen 2 weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de zittingsadministratie van de sector civiel - de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met oktober 2008 dienen op te geven, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

6.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

6.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit niet zal worden gewijzigd,

6.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

6.7. bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde stukken uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

6.8. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

6.9. wijst de vorderingen af,

6.10. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Candido en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2008.?