Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD7279

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
357738 CV EXPL 07-8206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft de vraag of een werknemer, die tevens directeur is, zijn - reeds per 1 januari 1999 geeffectueerde - overgang van een oud naar een nieuw bedrijfspensioenreglement nog ongedaan kan maken met een beroep op de tekst van een overgangsbepaling in het oude pensioenreglement en/of op grond van dwaling. De kantonrechter is van oordeel dat aan eiser geen beroep (meer) toekomt op de tekst van de overgangsbepaling en dat aan de vereisten voor dwaling niet is voldaan. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2008, 117
AR-Updates.nl 2008-0470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 357738 / CV EXPL 07-8206

datum uitspraak: 2 juli 2008

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij in de hoofdzaak

verwerende partij in het incident tot voeging

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigden: prof. dr. E. Lutjens en mr. B. Degelink

tegen

de stichting Stichting Pensioenfonds Unisys Nederland

te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde partij in de hoofdzaak

verwerende partij in het incident tot voeging

hierna te noemen: de Stichting

gemachtigden: mr. O.F. Blom en mr. T.J. Zuidema

en

de naamloze vennootschap Unisys Nederland N.V.

te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer

eisende partij in het incident tot voeging

hierna te noemen: Unisys

gemachtigde: mr. J. Pel

In de hoofdzaak en in het incident

De procedure

[eiser] heeft de Stichting gedagvaard op 29 augustus 2007. De Stichting heeft schriftelijk geantwoord. Nadat was beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie na antwoord, heeft [eiser] een conclusie van repliek ingediend en de Stichting een conclusie van dupliek.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. [eiser] heeft zich bij akte nog uitgelaten over de productie van de Stichting bij haar dupliek.

Unisys heeft bij incidentele conclusie van 6 februari 2008 (met producties) verzocht zich aan de zijde van de Stichting te mogen voegen. [eiser] en de Stichting hebben schriftelijk geantwoord in het incident.

De feiten

a. [eiser] is in 1971 in dienst getreden bij Burroughs BV. In 1987 is Burroughs met Sperry NV gefuseerd tot Unisys. In 1997 is [eiser] benoemd tot statutair directeur van Unisys. Tot 2003 had [eiser] de functie van Vice President & Country Manager

the Netherlands. In 2003 is hij benoemd tot Vice President & General Manager Europe.

b. Na de fusie van 1987 zijn de “ex”-Burroughs werknemers (waaronder [eiser]) blijven deelnemen in de collectieve pensioenregeling van Burroughs.

c. Sinds 1 januari 1991 heeft Unisys een nieuwe collectieve pensioenregeling. Hierin zijn de werknemers ondergebracht die na de fusie bij Unisys in dienst zijn getreden.

d. De Stichting is de uitvoerder van de pensioenregelingen.

e. In het pensioenreglement van Burroughs is een overgangsregeling (artikel 2 lid 3) opgenomen, die als volgt luidt:

a. Het deelnemerschap op grond van dit pensioenreglement wordt beëindigd, en onmiddellijk vervolgd met een deelnemerschap op grond van het Pensioenreglement “Unisys” op de datum per welke wordt vastgesteld dat het pensioenreglement “Unisys” met de bijbehorende Overgangsbepalingen “Burroughs” voldoet aan het vergelijkingscriterium als hierna omschreven. De hiervoor benodigde vergelijking wordt - zolang nog niet is vastgesteld dat aan dat criterium is voldaan - gemaakt per 1 januari van elk jaar waarin de deelnemer nog werknemer is.

b. Aan het sub a bedoelde vergelijkingscriterium is voldaan als het onder gelijkblijvende omstandigheden te bereiken ouderdomspensioen volgens het Pensioenreglement “Unisys” groter is dan het vergelijkbare ouderdomspensioen volgens dit pensioenreglement. Bij de vaststelling van laatstbedoeld pensioen wordt het bedrag van de aanspraak op aanvullend ouderdomspensioen niet in aanmerking genomen, tenzij de deelnemer per 1 januari 1991 ongehuwd was en de leeftijd van 55 jaar nog niet bereikt had: in dat geval wordt wel met het aanvullend ouderdomspensioen rekening gehouden.

c. Wanneer op grond van het sub b. bepaalde de daar bedoelde overgang dient plaats te vinden verstrekt het fonds de deelnemer informatie betreffende het tijdstip van overgang en de op dat tijdstip voor hem verzekerde aanspraken volgens dit pensioenreglement en het Pensioenreglement “Unisys”.

d. De deelnemer heeft het recht, overgang op grond van het sub a. en b. gestelde voor onbepaalde tijd op te schorten. Om van dit recht gebruik te maken dient hij binnen drie maanden na ontvangst van de sub c. bedoelde informatie een schriftelijk verzoek bij het bestuur in te dienen. Deze opschorting eindigt per 1 januari van het jaar na het jaar waarin de deelnemer het bestuur schriftelijk heeft laten weten dat hij de opschorting wenst te beëindigen en het bestuur hiermee op grond van bijzondere omstandigheden heeft toegestemd. Gedurende de opschorting zal het bestuur de in lid 2 bedoelde informatie vergezeld doen gaan van een advies betreffende de opschorting.

f. Bij brief van 28 juli 1999 heeft de Stichting [eiser] als volgt geïnformeerd over zijn ouderdomspensioen:

(...) Bij ongewijzigde voortzetting van het dienstverband tot de ingangsdatum van het ouderdomspensioen zal dit jaarlijks bedragen conform het

• Burroughs reglement f 498.072,--

• Unisys Nederland reglement f 498.072,--

Alhoewel beide bedragen niet van elkaar verschillen is de nieuwe pensioenregeling desondanks voor u gunstiger, zodat u volgens de reglementaire bepalingen zult worden opgenomen als deelnemer in het Unisys reglement.

Een aantal argumenten ten gunste van het Unisys reglement:

• Bij ongewijzigde voortzetting kunnen verlagingen niet meer plaatsvinden.

• Bij verbeteringen van de condities zullen deze slechts gelden voor het nieuwe reglement.

• Na overgang naar het Unisys reglement bedraagt het opbouwpercentage 2,1875% per jaar.

Een argument ten nadele van het Unisys reglement:

• het vervallen van het ongehuwden oudedagspensioen in het Burroughs reglement.

In artikel 2 lid 3 van het oude reglement is opgenomen dat u het recht heeft de overgang voor onbepaalde tijd op te schorten. Om van dit recht gebruik te maken dient u binnen drie maanden na ontvangst van deze berichtgeving de opschorting schriftelijk aan het Bestuur van de Stichting Pensioenfonds Nederland t.a.v. ondergetekende, mede te delen.

Zonder uw reactie zullen wij conform het bovenstaande handelen. Indien u vragen heeft kunt u contact opnemen met ondergetekende, telefoonnummer (...).

g. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van het opschortingsrecht. Dientengevolge is hij per 1 januari 1999 deelnemer geworden in de pensioenregeling van Unisys.

h. Door de (onder feit a genoemde) promotie in 2003 is het vaste bruto maandsalaris van [eiser] aanzienlijk verhoogd.

Naast een vast salaris geniet (en genoot) [eiser] ook een variabel inkomen.

i. De pensioenregeling van Burroughs en die van Unisys gaan op verschillende wijze

om met variabel inkomen bij de opbouw van het ouderdomspensioen:

- in de pensioenregeling van Burroughs is het variabele inkomen geen onderdeel van het pensioengevend salaris, maar wordt dat inkomen wel omgezet in extra (fictieve) dienstjaren;

- in de pensioenregeling van Unisys wordt het variabele inkomen wel voor het pensioengevend salaris in aanmerking genomen, maar krijgt de deelnemer geen extra (fictieve) dienstjaren.

j. Dit verschil is (onder meer) bekend gemaakt en uitgelegd in een brochure van de Stichting van april 1991. Ook is de Stichting in een Bulletin uit 1995 ingegaan op het onderwerp variabel inkomen en extra fictieve dienstjaren.

In dat Bulletin staat verder nog:

(...) Het uiteindelijk te behalen pensioen wordt niet alleen bepaald door wat in het verleden werd opgebouwd, maar ook door datgene wat tot de pensioneringsdatum wordt verkregen. Blijft men wel in dienst? Is het variabel inkomen wel verhoudingsgewijs hetzelfde? Blijft het vaste inkomen op hetzelfde niveau of gaat dit omhoog of omlaag? Deze vragen kunnen in het gunstigste geval alleen worden beantwoord door de medewerker zelf en zeker niet door het pensioenfonds.

Om het uitzichtpensioen te berekenen op de jaaropgave van het pensioenfonds wordt uitgegaan van ongewijzigde omstandigheden in de toekomst. (...)

k. Bij brief van 21 juli 2005 heeft [eiser] zich tot het bestuur van de Stichting gewend. [eiser] schrijft onder meer het volgende:

(...) Ik ben (...) terechtgekomen in een situatie waarin toepassing van lid 3 (van artikel 2 van het Burroughs pensioenreglement, toev. kantonrechter) een niet onaanzienlijke en voor mij hoogst pijnlijke achteruitgang betekent.

Deze onverenigbaarheid met de strekking van lid 3 is naar mijn mening het gevolg van de omstandigheid dat de ten aanzien van mij per 1 januari 1999 gemaakte vergelijking (...) geen rekening houdt met de mogelijkheid dat een eventuele toekomstige salarisverhoging volgens het Burroughs pensioenreglement, door de invloed van fictieve dienstjaren uit hoofde van opbouw van rechten over variabel inkomen, leidt tot een hoger te bereiken ouderdomspensioen.

Indien ik mij dat destijds zou hebben gerealiseerd, zou ik gebruik hebben gemaakt van het (...) opschortingsrecht. (...)

Ik verzoek u dan ook het Burroughs pensioenreglement, met respectering van de kennelijke strekking van artikel 2 aldus toe te passen dat deze verhoging mij niet wordt onthouden. (…)

l. Bij brief van 1 augustus 2005 heeft het bestuur van de Stichting [eiser] op de hoogte gesteld van haar besluit zijn verzoek voor advies in behandeling te geven aan de klachtencommissie van de Stichting.

m. Uit een berekening van A. Heijma (directeur van de Stichting ), die op 3 augustus 2005 per email ook naar [eiser] is gezonden, blijkt dat de door [eiser] genoemde “achteruitgang” uitkomt op € 75.563 bruto per jaar.

n. In november 2005 heeft het bestuur van de Stichting het verzoek van [eiser] afgewezen, onder meer op basis van extern juridisch advies.

o. Bij brief van 27 februari 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende aan de Stichting geschreven:

(...) Hierbij vernietigt de heer [eiser] zijn acceptatie van het Unisys pensioenreglement op grond van dwaling en converteert deze nietige acceptatie in een wel geldige acceptatie van het Burroughs pensioenreglement. Dit betekent dat de heer [eiser] met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 deelnemer is van Pensioenfonds Burroughs. (...)

In de hoofdzaak

De vordering

[eiser] vordert - samengevat - het volgende:

1. een verklaring voor recht dat de Stichting heeft gehandeld in strijd met het pensioenreglement van Burroughs door hem te laten overgaan naar de pensioenregeling van Unisys;

2. veroordeling van de Stichting op straffe van een dwangsom om [eiser] uiterlijk een maand na het vonnis met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 op te nemen in de pensioenregeling van Burroughs en hem vanaf die datum pensioenaanspraken te laten verwerven op grond van die pensioenregeling;

3. veroordeling van de Stichting op straffe van een dwangsom om [eiser] uiterlijk een maand na het vonnis schriftelijke bewijsstukken te verschaffen van de naleving van het onder 2 gevorderde;

4. een verklaring voor recht dat [eiser] heeft gedwaald bij zijn keuze voor de overgang naar de pensioenregeling van Unisys;

5. primair een verklaring voor recht dat [eiser] de keuze voor die overgang heeft vernietigd, subsidiair vernietiging van die keuze;

6. conversie van de vernietigde rechtshandeling naar een geldige rechtshandeling,

te weten deelname met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 in de pensioenregeling van Burroughs;

7. veroordeling van de Stichting op straffe van een dwangsom om [eiser] uiterlijk een maand na het vonnis met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 op te nemen in de pensioenregeling van Burroughs en [eiser] vanaf die datum pensioenaanspraken op grond van die pensioenregeling te laten verwerven;

8. veroordeling van de Stichting op straffe van een dwangsom om [eiser] uiterlijk een maand na het vonnis schriftelijke bewijsstukken te verschaffen van de naleving van

het onder 7 gevorderde;

9. veroordeling van de Stichting tot betaling aan [eiser] van € 4.716,06 aan buitenrechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

10. veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

[eiser] stelt hiertoe - samengevat - het volgende.

Door het verschil in de behandeling van variabel inkomen is de pensioenregeling van Unisys veel ongunstiger voor hem dan de pensioenregeling van Burroughs. Door [eiser] over te brengen naar de pensioenregeling van Unisys heeft de Stichting in strijd gehandeld met artikel 2 lid 3 van het pensioenreglement van Burroughs. Daarin is immers bepaald dat overgang alleen plaatsvindt indien het pensioenreglement van Unisys tot een hoger pensioen leidt dan het pensioenreglement van Burroughs. Aan dit criterium is niet voldaan. [eiser] verlangt daarom dat de Stichting het pensioenreglement van Burroughs alsnog en met terugwerkende kracht jegens hem zal nakomen.

[eiser] stelt verder dat hij de overgang van pensioenregeling Burroughs naar pensioenregeling Unisys op grond van dwaling heeft vernietigd. Zijn beslissing om geen gebruik te maken van het recht tot opschorting van de overgang was gebaseerd op de - naar later is gebleken - onjuiste veronderstelling dat de pensioenregeling van Unisys gunstiger was. De Stichting heeft haar mededelings- en zorgplicht geschonden door [eiser] niet correct en volledig te informeren over de nadelige gevolgen van een promotie en een aanzienlijke salarisstijging voor de opbouw van pensioen volgens de regeling van Unisys.

Het verweer

De Stichting betwist de vorderingen. Daartoe voert zij - samengevat - het volgende aan.

[eiser] heeft de verkeerde partij gedagvaard. Aangezien de vordering neerkomt op een wijziging van arbeidsvoorwaarden had [eiser] Unisys moeten aanspreken.

De overgang naar de pensioenregeling van Unisys is definitief en rechtsgeldig geschied. Terugkeer naar de pensioenregeling van Burroughs is niet meer mogelijk. Overigens zou opname daarin slechts mogelijk zijn tot 1 januari 2004, omdat de pensioenregeling van Burroughs per die datum is vervallen.

De Stichting heeft het vergelijkingscriterium juist toegepast. Zij heeft beide regelingen integraal aan elkaar getoetst en daaruit volgde dat de regeling van Unisys vanaf

1 januari 1999 bij gelijkblijvende omstandigheden in zijn geheel gunstiger was.

[eiser] is er ook niet op achteruit gegaan; hij is er - en dat pas achteraf gezien - alleen

minder op vooruitgegaan.

[eiser] heeft de vervaltermijn van drie maanden voor het opschortingsrecht bewust laten verstrijken. Hij kan niet jaren later op grond van de na 1999 gemaakte promotie en wijzigingen in het vaste en variabele inkomen nog nakoming van het Burroughs pensioenreglement vorderen omdat dit wellicht toch gunstiger zou zijn geweest.

Het beroep op dwaling kan evenmin slagen, omdat:

- de overgang naar de pensioenregeling van Unisys een eenzijdige rechtshandeling is;

- de bevoegdheid tot vernietiging is verjaard (art. 3:52 BW) en/of vervallen (art. 3:55 BW);

- niet is voldaan aan de (verdere) juridische vereisten van dwaling;

- de promotie in 2003 een toekomstige omstandigheid is.

Een dwangsom is niet gepast en de gevorderde termijn van een maand niet uitvoerbaar.

Voor aanvullende pensioenrechten zou namelijk een koopsom van circa € 1,2 miljoen nodig zijn, die door Unisys als werkgever zou moeten worden gefourneerd. De Stichting kan niet instaan voor tijdige betaling van Unisys.

Buitengerechtelijke werkzaamheden als bedoeld in rapport Voorwerk II zijn niet verricht, zodat voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten geen grond bestaat.

De beoordeling van het geschil

1. De Stichting stelt dat [eiser] zijn werkgever Unisys had moeten dagvaarden.

De kantonrechter deelt dit standpunt niet. De relatie tussen de Stichting in haar hoedanigheid van uitvoerder van de pensioenregeling en [eiser] als deelnemer is een contractuele. [eiser] spreekt de Stichting op die grondslag aan. De kantonrechter ziet niet in waarom dat niet zou kunnen, ook al zou het gevorderde feitelijk (tevens) neerkomen op een wijziging van [eiser]s arbeidsvoorwaarden en (gehele of gedeeltelijke) toewijzing van het gevorderde voor Unisys financiële consequenties (kunnen) hebben wegens haar contractuele relatie met de Stichting.

2. [eiser] baseert zijn vorderingen onder 1 tot en met 3 op de stelling dat de Stichting in strijd heeft gehandeld met het vergelijkingscriterium in artikel 2 lid 3 sub b van het pensioenreglement van Burroughs. Op grond van dat criterium mag, zo stelt [eiser],

een overgang naar de Unisys pensioenregeling alleen plaatsvinden indien die regeling tot een groter ouderdomspensioen leidt dan de Burroughs pensioenregeling. Aan dat vereiste was op 1 januari 1999 niet voldaan, want het ouderdomspensioen zou op grond van beide reglementen fl. 498.072 bruto per jaar bedragen. Dat de Unisys pensioenregeling wegens andere voordelen “desondanks gunstiger” was, zoals de Stichting op 28 juli 1999 schreef, doet niet terzake, omdat andere voordelen bij het vergelijkingscriterium geen rol spelen. De Stichting had [eiser] dus niet enkel wegens die andere voordelen naar de Unisys pensioenregeling mogen laten overgaan, aldus nog steeds [eiser].

3. De kantonrechter volgt [eiser] niet in dit standpunt en licht dit als volgt toe.

De Stichting heeft [eiser] er bij brief van 28 juli 1999 expliciet op gewezen dat het ouderdomspensioen bij ongewijzigde voortzetting van het dienstverband tot de pensioendatum zowel conform het Burroughs reglement als conform het Unisys reglement op exact hetzelfde bruto jaarbedrag zou uitkomen. [eiser] kende destijds de tekst van het vergelijkingscriterium in de overgangsbepaling, althans behoorde die, gelet ook op zijn positie, te kennen. Daar komt bij dat de Stichting in haar brief duidelijk heeft toegelicht waarom zij, hoewel de bedragen gelijk waren, de overgang naar de Unisys pensioenregeling geïndiceerd achtte. Tevens heeft zij [eiser] uitdrukkelijk gewezen op zijn recht tot opschorting van de overgang. Door niet van

dit recht gebruik te maken heeft [eiser] kenbaar gemaakt akkoord te gaan met de wijze waarop de Stichting het vergelijkingscriterium toepaste. Aan die aanvaarding en de daardoor geëffectueerde overgang is [eiser] gebonden. Hij kan daar niet (circa) vijf jaar later op terugkomen.

Daaraan voegt de kantonrechter toe, dat [eiser] - door de overgang niet op te schorten - in ieder geval heeft bewerkstelligd dat de Stichting er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij haar wijze van toetsing van de beide pensioenregelingen aan het vergelijkingscriterium correct achtte en daarmee instemde. In dat licht bezien is het beroep dat [eiser] thans in het kader van zijn vordering tot nakoming doet op de woorden “ouderdomspensioen” en “groter” in het vergelijkingscriterium naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar jegens de Stichting.

Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter de vordering onder 1 en de daarbij behorende vorderingen onder 2 en 3 afwijzen.

4. [eiser] baseert zijn vorderingen onder 4 tot en met 8 op dwaling. [eiser] stelt dat hij

in 1999 heeft gedwaald bij zijn beslissing tot deelneming in de pensioenregeling van Unisys. De Stichting betoogt dat een beroep op dwaling niet mogelijk is, omdat de beslissing van [eiser] tot deelneming in de pensioenregeling van Unisys is aan te merken als een eenzijdige rechtshandeling.

Dit verweer gaat naar het oordeel van de kantonrechter echter niet op, omdat hier niet sprake is geweest van een ‘niet-gerichte’ eenzijdige rechtshandeling maar van een ‘gerichte’ eenzijdige rechtshandeling. Op die laatste categorie zijn de regels voor meerzijdige rechtshandelingen analoog van toepassing.

5. De Stichting beroept zich verder nog op verjaring en verval van de bevoegdheid tot vernietiging. Daartoe stelt zij dat [eiser] op grond van zowel zijn bijzondere positie als de algemene collectieve informatie (waaronder het Bulletin van 1995) bekend was met de wijze waarop vaste en variabele loonbestanddelen uitwerkten in de verschillende pensioenregelingen, zodat hij op het moment dat hij inzicht had in de (financiële) consequenties van zijn promotie ook wist welke gevolgen die promotie voor hem op pensioengebied zou hebben. Aangezien hij dat inzicht uiterlijk medio 2003 verkreeg

is de bevoegdheid tot vernietiging uiterlijk medio 2006 verjaard, aldus de Stichting.

[eiser] stelt daartegenover dat hij pas bekend is geworden met het concrete verschil tussen beide pensioenregelingen na lezing van de email daarover van 3 augustus 2005. Volgens [eiser] is de verjaringstermijn daarom pas geëindigd op 4 augustus 2008,

zodat de vernietiging ruim op tijd is ingeroepen.

6. Overwogen wordt als volgt. De rechtsvordering tot vernietiging verjaart door een termijn van drie jaren. De termijn neemt een aanvang op het moment van de daadwerkelijke ontdekking van de dwaling. Een eventueel ‘behoren te ontdekken’ is niet relevant. Hoewel aan de Stichting kan worden toegegeven dat uit de brief van

21 juli 2005 van [eiser] blijkt dat hij de door hem gestelde dwaling reeds vóór die datum had ontdekt, heeft de Stichting niet voldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om het exacte tijdstip van ontdekking te kunnen vaststellen. De Stichting heeft hiervan ook geen gespecificeerd bewijs aangeboden. Om die reden moet het verjaringsverweer worden verworpen.

7. Het op artikel 3:55 BW gegronde verweer van de Stichting kan evenmin slagen.

Van het in dit artikel bedoelde verval van de bevoegdheid om een rechtshandeling te vernietigen kan immers alleen sprake zijn, indien degene die de rechtshandeling stilzwijgend of uitdrukkelijk bevestigt, wist dat zijn rechtshandeling vernietigbaar was en hij de opheffing van het gebrek en het definitief geldig worden van zijn rechtshandeling heeft beoogd. Aangenomen mag worden dat [eiser] dat oogmerk niet had, toen hij in 1999 het opschortingsrecht ongebruikt liet. [eiser] was zich destijds niet van het bestaan van een vernietigingsgrond (dwaling) bewust.

8. De volgende vraag is, of het beroep op dwaling kan slagen. Daarvoor is vereist dat de wil van [eiser] zich heeft gevormd onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. Voorts moet vaststaan hetzij dat de dwaling is te wijten aan een inlichting van de Stichting, hetzij dat de Stichting heeft verzuimd [eiser] in te lichten, terwijl zij dat wel had behoren te doen. Ook is vereist dat de Stichting heeft geweten of moeten begrijpen

dat de omstandigheid waaromtrent [eiser] zich op dwaling beroept (kort gezegd:

diens gestelde onbekendheid met de gevolgen van een toekomstige, aanzienlijke salarisstijging voor de pensioenopbouw) essentieel voor [eiser] was.

9. De kantonrechter onderschrijft het standpunt van de Stichting, dat niet aan genoemde vereisten is voldaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ten eerste kan [eiser] in 1999 geen onjuiste voorstelling van zaken hebben gehad. Mede gelet op zijn positie kende en begreep [eiser] de overgangsregeling en het daarin vervatte vergelijkingscriterium, althans had hij deze moeten begrijpen. Datzelfde geldt voor het verschil tussen beide pensioenregelingen in de behandeling van variabel inkomen. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de Stichting [eiser] onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd. Integendeel, de Stichting heeft zowel in algemene zin als specifiek aan [eiser] alle benodigde inlichtingen verstrekt.

Zo heeft de Stichting immers in haar bulletin van 1995 al meegedeeld:

(...) Het uiteindelijk te behalen pensioen wordt niet alleen bepaald door wat in het verleden werd opgebouwd, maar ook door datgene wat tot de pensioneringsdatum wordt verkregen. Blijft men wel in dienst? Is het variabel inkomen wel verhoudingsgewijs hetzelfde? Blijft het vaste inkomen op hetzelfde niveau of gaat dit omhoog of omlaag? Deze vragen kunnen in het gunstigste geval alleen worden beantwoord door de medewerker zelf en zeker niet door het pensioenfonds.

Om het uitzichtpensioen te berekenen op de jaaropgave van het pensioenfonds wordt uitgegaan van ongewijzigde omstandigheden in de toekomst. (...).

Verder heeft de Stichting [eiser] bij brief van 28 juli 1999 ondubbelzinnig gewezen

op de voorwaarde van: ongewijzigde voortzetting van het dienstverband tot de ingangsdatum van het ouderdomspensioen.

10. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] in 1999 zelf over voldoende kennis beschikte om zich te realiseren dat bij een toekomstige promotie en een aanzienlijke salarisverhoging van “ongewijzigde omstandigheden” geen sprake meer zou zijn. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat [eiser] - veel meer en beter dan de Stichting - zicht moeten hebben gehad op zijn persoonlijke carrièreperspectieven en dus zelf een inschatting van ontwikkelingen op dat vlak had kunnen maken. Voor zover [eiser] destijds geen rekening heeft gehouden met toekomstige andere omstandigheden of daar niet (voldoende) bij heeft stilgestaan, komt dat voor zijn eigen risico. Hij kan dat niet achteraf helen met een actie uit dwaling.

11. De op dwaling steunende vorderingen onder 4 tot en met 8 zullen op grond van het voorgaande worden afgewezen. Daarmee kan de discussie of de promotie in 2003

al dan niet als een toekomstige gebeurtenis is aan te merken, in het midden blijven.

12. Nu geen van de vorderingen van [eiser] slaagt moeten de eventueel zijnerzijds gemaakte buitengerechtelijke kosten voor zijn rekening blijven.

13. [eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld, aangezien hij in het ongelijk wordt gesteld.

In het incident

De vordering

Unisys vordert (samengevat) dat de kantonrechter:

- haar zal toestaan zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van de Stichting;

- [eiser] zal bevelen afschriften aan Unisys te verstrekken van alle processtukken in de hoofdzaak;

- haar een termijn zal gunnen voor het indienen van een inhoudelijke conclusie in de hoofdzaak.

Daartoe stelt Unisys - kort weergegeven - het volgende. In september 1990 heeft zij ter uitvoering van de pensioenregeling met haar werknemers een financieringsovereenkomst gesloten met de Stichting. Het is bepaald niet ondenkbaar dat de Stichting, in geval van (gehele of gedeeltelijke) toewijzing van hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd, op grond van die financieringsovereenkomst zal trachten de dan voor [eiser] benodigde aanvullende premies/kosten op Unisys te verhalen. Het is daarom van groot belang dat Unisys de gelegenheid krijgt zich inhoudelijk te verweren tegen de vordering van [eiser].

Het verweer

[eiser] concludeert tot afwijzing van de vordering. Daartoe voert hij onder meer het volgende aan.

Unisys heeft geen belang bij voeging. De verwachting dat de Stichting zich bij toewijzing van de vordering in de hoofdzaak op Unisys zal verhalen, is ongegrond, omdat daarvoor geen contractuele grondslag bestaat. Voeging moet ook worden afgewezen op grond van een belangenafweging. Unisys was van meet af aan van de zaak op de hoogte. Door zo lang met indiening van het verzoek tot voeging te wachten heeft zij haar recht op voeging verspeeld. Bij toewijzing van het verzoek wordt de hoofdzaak onredelijk vertraagd en [eiser] op onredelijke extra proceskosten gejaagd. [eiser] betwist dat hij rechtens kan worden verplicht tot afgifte van processtukken aan Unisys.

De Stichting refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.

De beoordeling van het geschil

Nu de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak integraal zijn afgewezen, heeft Unisys

geen belang meer bij voeging. De incidentele vordering zal op die grond worden afgewezen.

Het verweer van [eiser] kan daarmee onbesproken blijven.

De proceskosten in het incident komen voor rekening van Unisys.

Beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van de Stichting tot en met vandaag worden begroot op € 1.600,00 aan salaris van haar gemachtigde.

in het incident:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Unisys tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van de Stichting worden begroot op € 800,00 voor salaris gemachtigde en die aan de kant van [eiser] eveneens worden begroot op € 800,00 voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Stolp en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.