Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD7098

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
15/094020-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering. Zie ook LJN: BD6933, BD6947 en BD7055.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Meervoudige Kamer

Tegenspraak

Parketnummer: 15/094020-04

Uitspraakdatum: 11 juli 2008

Beslissing (ex artikel 36e Sr)

1. Vordering

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 5 september 2006 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht tot een maximum van € 1.225.000,- in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies.

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 30 mei 2008.

2. Overwegingen

2.1 Algemeen

Bij arrest van 14 april 2008 van het Gerechtshof Amsterdam is voornoemde [veroordeelde] onherroepelijk veroordeeld terzake van, voor zover van belang:

- feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

- feit 2: poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

- feit 4: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van de feiten waarvoor hij bij voornoemd arrest is veroordeeld wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

2.2. Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, ten eerste omdat de officier van justitie op 26 januari 2007 heeft afgezien van het nemen van een conclusie van eis.

De raadsman heeft als tweede reden aangevoerd dat de voorbereiding van de ontnemingsvordering niet voldoet aan de daaraan redelijkerwijze te stellen eisen, nu het een niet deugdelijk ingedeeld ontnemingsdossier zonder inhoudsopgave betreft.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Met de officier is de rechtbank van oordeel dat voldoende duidelijk is dat de aan de vordering ten grondslag liggende ontnemingsrapportage geldt als conclusie van eis. De rechtbank stelt bovendien vast dat de overige stukken in het dossier voldoende duidelijk zijn en dat geen sprake is van een schending van verdedigingsbelangen.

2.3 Transporten

2.3.1 Bewezen verklaarde transport [schip1] 1999

De rechtbank stelt vast dat veroordeelde uit het bewezen verklaarde transport met de [schip1] in 1999 wederrechtelijk voordeel heeft behaald, hetgeen van de zijde van de verdediging niet is betwist.

2.3.2 Eerste en tweede transport [schip1] 1998

De raadsman heeft ten aanzien van het tweede transport met de [schip1] in 1998 aangevoerd dat de betrokkenheid van veroordeelde wordt afgeleid uit de omstandigheden dat veroordeelde op 21 september 1998 en 23 september 1998 aan boord van de [schip1] zou zijn geweest. Daarbij komt het feit dat hij op 17 oktober 1998 in Spanje verbleef en daar 5000,- gulden van [medeveroordeelde1] zou hebben ontvangen. Hieruit wordt ten onrechte geconcludeerd dat veroordeelde voordeel uit een geslaagd hasjtransport heeft verkregen, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft met betrekking tot het eerste transport met de [schip1] in 1998 een aantal bewijsmiddelen aangevoerd, waaruit zij opmaakt dat er door [betrokkene1], [medeveroordeelde2] en [veroordeelde] eind april 1998 een reis is gemaakt met de [schip1]. Voorts haalt de officier van justitie de verklaring van [betrokkene2] aan, waaruit zou blijken dat [betrokkene1] in 1998 met de [schip1] twee reizen heeft gemaakt, waarbij verdovende middelen vanuit Marokko over zee naar Europa zijn vervoerd (bijlage VRH, A-02, p. 53). Uit het door de Regiopolitie Noord-Holland Noord opgemaakte rapport blijkt voorts dat de [schip1] op 21 juni 1998 met schade de haven van IJmuiden binnenliep en dat er werd geconstateerd dat het hele schip was besprenkeld met gasolie (bijlage DOCS, 08, p.1).

Met betrekking tot het tweede transport met de [schip1] in 1998 grondt de officier van justitie haar conclusie dat er een geslaagd drugstransport heeft plaats gevonden op de hiervoor genoemde verklaring van [betrokkene2], de constatering van de douane dat de [schip1] eind juli 1998 vertrok uit de haven van IJmuiden, alsmede de waarneming van de Belgische douane dat het schip op 15 september 1998 in de haven van Nieuwpoort ligt en dat het schip op 21 september 1998 tien centimeter hoger was komen te liggen in de haven van Nieuwpoort (bijlage DOCS, 01, p. 1).

De rechtbank is van oordeel dat er op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat er in 1998 met de [schip1] tweemaal een transport met verdovende middelen heeft plaatsgevonden.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de verklaring van [betrokkene2] - welke ter ondersteuning van de vaarbewegingen met de [schip1] wordt gebruikt - slechts valt op te maken dat hij van [betrokkene1] heeft gehoord dat er twee verdovende middelen transporten met de [schip1] hebben plaatsgevonden in 1998. De rechtbank is van oordeel dat deze de-auditu-verklaring onvoldoende concreet is. Over de veronderstelde (geslaagde) transporten van verdovende middelen wordt door hem geen enkel detail genoemd zodat zijn verklaring wat dat betreft niet controleerbaar is. Ook de constatering van de Belgische douane dat het schip op 21 september 1998 tien centimeter hoger is komen te liggen en het gegeven dat het schip op 21 juni 1998 met gasolie was besprenkeld, vormen onvoldoende aanwijzingen dat er twee transporten met verdovende middelen hebben plaatsgevonden met de [schip1] in 1998.

2.3.3 Transport [schip2] 1998

De raadsman heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat er ten aanzien van het transport met de [schip2] geen aanwijzingen van directe of indirecte betrokkenheid van veroordeelde voorhanden zijn.

De officier van justitie heeft ter ondersteuning van het geslaagde transport met de [schip2] in 1998 het volgende aangevoerd. [medeveroordeelde3], [medeveroordeelde4], [medeveroordeelde1], [betrokkene3] en [betrokkene4] zijn veroordeeld voor het op 1 oktober 1998 mislukte transport met ditzelfde schip. [betrokkene5] heeft op 9 januari 2004 verklaard dat [betrokkene4] een ritje heeft gemaakt waaraan hij goed verdiend had (bijlage VRH, C-01, p. 49). [betrokkene2] heeft op 29 mei 2001 verklaard dat het volgende transport met een andere boot dan de [schip1] zou worden gedaan en dat “als het goed is” [betrokkene4] met het tweede reisje is gearresteerd (bijlage VRH, A-01, p. 48). De officier merkt bovendien nog op dat uit geen van de verklaringen is gebleken dat de door de organisatie gebruikte schepen ooit voor andere doeleinden dan voor vervoer van hasjiesj zijn ingezet.

De rechtbank overweegt het volgende.

De officier van justitie neemt als uitgangspunt dat nu een aantal personen is veroordeeld voor het mislukte transport met de [schip2] niet kan worden uitgesloten dat zij ook bij het, zoals uit de verklaring van [betrokkene2] valt op te maken, “eerste reisje” betrokken zijn geweest. De rechtbank merkt hierbij op dat uit de verklaring van [betrokkene5] slechts blijkt dat er “een” transport heeft plaatsgevonden waaraan [betrokkene4] goed verdiend zou hebben. Hieruit valt echter niet af te leiden met welk schip en wanneer het transport is gedaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op het de-auditu-karakter van de verklaring van [betrokkene2], waaruit bovendien naar voren komt dat hij het niet zeker weet, onvoldoende aannemelijk is dat er ook een geslaagd transport met de [schip2] heeft plaatsgevonden. Dat uit geen van de verklaringen is gebleken dat de schepen nooit voor andere doeleinde zijn ingezet, is onvoldoende om aan te tonen dat er telkens wanneer er vaarbewegingen met het schip worden waargenomen, verdovende middelen zijn vervoerd.

De rechtbank is ook ten aanzien van dit transport van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het reisje waar [betrokkene5] en [betrokkene2] over verklaren door de [schip2] is gemaakt en dat het een transport met verdovende middelen betreft.

2.3.4 Transport met [schip3] juni 2000- winter 2000/2001 en de afhaaltransporten met de [schip3] en de [schip4]

De raadsman heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat met betrekking tot het transport met de [schip3] alleen de verklaring van [betrokkene8] wordt aangehaald, waaruit blijkt dat veroordeelde wel eens een dag heeft geholpen met schilderen.

Voorts blijkt uit de de-auditu verklaring van [betrokkene10] dat veroordeelde 7.000 of 8.000 kg hasj in een onbekende zeilboot zou hebben vervoerd. Een dergelijke twijfelachtige verklaring kan niet ten grondslag worden gelegd aan een ontnemingsbeslissing. Hetzelfde geldt voor de terzake van het gestelde transport [schip4]opgenomen verklaring van [betrokkene6].

De officier van justitie heeft in de rapportage met betrekking tot door de [organisatie] uitgevoerde hasjtransporten uit de verklaringen van [betrokkene6], [betrokkene7], [betrokkene8], [betrokkene9] en [betrokkene5] de conclusie getrokken dat de zeiljacht de [schip3] omstreeks 2000 in het bezit van de organisatie was en werd gebruikt ten behoeve van het vervoer van hasj (dossierpagina’s 16-17 van de rapportage met betrekking tot door de [organisatie] uitgevoerde hasjtransporten).

Ten aanzien van het geslaagde transport met de [schip3] in juni 2000- winter 2000/2001 voegt de officier van justitie daar nog de verklaring van [betrokkene10] aan toe, inhoudende dat zij in augustus 2000 van [medeveroordeelde] heeft gehoord dat de tweede trip was uitgevoerd door [veroordeelde] en [medeveroordeelde2], waarbij zij 7.000 kilo aan boord zouden hebben gehad. Het was haar niet bekend met welke boot dit was (bijlage VRH, E-01, p. 163). De verklaring van [betrokkene5] houdt daarnaast in dat er in de winter van 2000/2001 twee zeilboten in Enkhuizen lagen en dat hij uit de bewoordingen van [medeveroordeelde1] heeft begrepen dat [medeveroordeelde2] en [veroordeelde] met één van die boten een hasjtransport hadden gedaan (bijlage VRH, C-01, p. 47).

In aanvulling hierop wordt met betrekking tot de afhaaltransporten met de [schip3] en de [schip4] de verklaring van [betrokkene7] aangehaald, inhoudende dat hij van [medeveroordeelde2] en [veroordeelde] heeft gehoord dat men met de [schip3] een transport heeft gehaald vanaf een andere boot en dat ook de [schip4] aan die reis zou hebben deelgenomen (bijlage VRH, D-03, p. 15).

Daarnaast heeft [betrokkene5] verklaard dat hij van [veroordeelde] had gehoord dat er in de [schip4] nieuwe vloerbedekking moest worden gelegd. Voor [betrokkene5] was het duidelijk dat deze zeilboot was gebruikt voor het transport van hasj (bijlage VRH, C-01, p. 47).

De rechtbank neemt het volgende in aanmerking.

De rechtbank stelt voorop dat de de-auditu-verklaringen van [betrokkene5], [betrokkene10] en [betrokkene7] onvoldoende concreet zijn. Zo blijkt uit de verklaring van [betrokkene10] niet over welke boot het gaat. Ook [betrokkene5] heeft het over één van de twee zeilboten welke in de haven van Enkhuizen lagen, waarmee een hasjtransport is gedaan. Hierbij noemt hij ook geen namen van de boten of tijdstippen van de transporten. Voorts heeft [betrokkene5] van [veroordeelde] gehoord dat er nieuwe vloerbedekking in de [schip4] is gelegd. Hij concludeert daar zelf uit dat de zeilboot waarschijnlijk is gebruikt voor het transport van hasj.

De algemene constatering dat de [schip3] in handen van de organisatie was en de aangehaalde de-auditu-verklaringen vormen onvoldoende aanwijzingen voor de door de officier van justitie gestelde drugstransporten met de [schip3] en de [schip4].

2.4 Loonopbrengsten en kosten

De verdediging heeft gesteld dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de definitie van het begrip loon wordt uitgegaan. De betaling per project sluit echter beter aan bij de figuur van een overeenkomst tot opdracht. In dat geval zou moeten worden onderzocht welke kosten veroordeelde redelijkerwijs ter invulling van die opdracht heeft moeten maken. Er is in de huidige berekening geen rekening gehouden met de gemaakte kosten.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat voor de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel de arbeidsrechtelijk definities niet relevant zijn. Het gaat om het voordeel dat veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Ten aanzien van de kosten ligt het op de weg van de verdediging concreet en met stukken onderbouwd aan te geven welke kosten aannemelijk kunnen worden gemaakt, redelijk zijn en ook nog eens in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Nu de verdediging dit heeft nagelaten zal de rechtbank hier geen rekening mee houden.

2.5 Hoogte van de opbrengsten

De raadsman heeft daarnaast aangegeven dat het door de inspecteur genoemde bedrag van 450.000,- gulden per geslaagd transport niet te verenigen is met hetgeen [betrokkene10] daaromtrent heeft verklaard. [betrokkene10] noemt een bedrag van 250.000,- gulden per zelf gevaren en geslaagd transport.

De officier van justitie wijst hierbij op het proces-verbaal over de verklaringen lonen drie-eenheid waarin voldoende aannemelijk is gemaakt dat de hoogte van het bedrag per geslaagd transport kan worden gesteld op 450.000,- gulden ofwel 204.200,- euro.

De rechtbank constateert dat uit het proces-verbaal samenwerking en lonen van de drie-eenheid naar voren komt dat de samenwerking tussen [medeveroordeelde1], [medeveroordeelde2] en [veroordeelde] zodanig was dat deze door andere bij de [organisatie] betrokkene personen werd aangeduid als “de vereniging” en “de drie-eenheid”. Uit de verklaring van [betrokkene10] (bijlage VRH, E-03, dossierpagina 2) valt voorts af te leiden dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde2] als doorgewinterde hasjtransporteurs een bedrag van 450.000,- tot 500.000,- gulden per transport verdienden. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [betrokkene5] (bijlage VRH, C-01, dossierpagina 41) waarin hij verklaart dat de drie-eenheid zelf zo rond de 500.000,- gulden per persoon aan een transport overhield.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vastgesteld kan worden dat veroordeelde per geslaagd transport een bedrag van tenminste 450.000,- gulden ofwel 204.200 euro heeft ontvangen.

2.6 Financiële draagkracht

De raadsman heeft betoogd dat veroordeelde iedere financiële draagkracht mist tot betaling van ook maar enig bedrag. Hij heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde na zijn detentie in Amsterdam heeft gewerkt als klaar-over en dat hij nu werkzaam is als koerier en ongeveer 823,- euro per maand verdient.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat niet aanstonds duidelijk is dat veroordeelde nu en in de toekomst geen enkele verdiencapaciteit heeft, gelet op het feit dat veroordeelde in staat is tot het verrichten van arbeid in loondienst.

2.7 Wederrechtelijk verkregen voordeel

Alles overwegende schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een totaalbedrag van € 204.200,- euro.

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die naar het oordeel van de rechtbank aanleiding geven voormeld bedrag te matigen.

De rechtbank zal op grond van het vorenoverwogene en gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van eerder vermelde feiten het hierna te noemen bedrag aan de staat dient te betalen.

3. Beslissing

De rechtbank legt aan de veroordeelde de verplichting op om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van € 204.200,- (zegge tweehonderdvierduizendtweehonderd euro).

4. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door:

mr. Kingma, voorzitter,

mrs. Mateman en Ten Voorde, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2008.

Mr. Ten Voorde is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.