Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD6576

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
15/800603-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne Surinaamse brassband; medeplegen. Op 29 maart 2008 is verdachte met zes anderen die het uniform van de [brassband] droegen vanuit Paramaribo met het vliegtuig op Schiphol aangekomen. Ze bleken alle zeven bolletjes met daarin cocaïne te hebben geslikt. Verdachte heeft verklaard dat hij sinds een maand lid is van de brassband en dat hij alleen mee zou lopen en niet zou meedoen met het optreden. Verder had verdachte geen idee naar welke plaats in Nederland ze zou reizen. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte1] bleek dat de band geen instrumenten bij zich had. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte geweten heeft dat de andere bandleden eveneens bolletjes met cocaïne hadden geslikt en dat het reizen en zich presenteren als lid van de brassband enkel diende als dekmantel om het eigenlijke reisdoel, te weten het smokkelen van cocaïne, te verhullen en aldus de pakkans te verkleinen. Temeer nu medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte5] beiden hebben verklaard dat al in Suriname ter sprake is gekomen dat bandleden bolletjes hadden geslikt en [medeverdachte2] heeft verklaard alleen met de brassband meegegaan te zijn om bollen te slikken en op die manier wat geld te verdienen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dient verdachte als medepleger van de opzettelijke invoer van de totale hoeveelheid cocaïne te worden beschouwd.

Zie voor medeverdachten LJN: BD6567, BD6570, BD6570.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer : 15/800603-08

Uitspraakdatum: 8 juli 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 juni 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] (Suriname),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Flevoland - HvB Almere Binnen.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 maart 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 29 maart 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I .

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

(1)

De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd,

houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

Het klopt dat ik op 29 maart 2008 ben geland op Schiphol en dat ik bollen met cocaïne had geslikt.

Ik was pas een maand lid van de [brassband]. Ik speel een snaarinstrument. Ik zou niet meedoen met het optreden. Ik zou meelopen. Ik heb geen idee naar welke plaats in Nederland we zouden gaan.

(2)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte1] d.d. 22 april 2008 (dossierpagina 6.4), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

Ik had geen instrumenten bij me toen ik naar Nederland reisde. Ik weet niet wat er met de instrumenten van de brassband is gebeurd. We droegen het uniform van de brassband.

(3)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte2] van 4 april 2008 (dossierpagina 7.3), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

[medeverdachte4] heeft mij in het busje richting Zanderij gevraagd of ik bollen had geslikt. Ik heb haar toen gezegd dat ik een deel van de bollen had uitgespuwd en opnieuw had ingenomen.

(4)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte2] van 21 mei 2008 (dossierpagina 7.4), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

Ik ben alleen met de brassband meegegaan om bollen te slikken en op die manier wat geld te

verdienen.

(5)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte4] van 2 april 2008 (dossierpagina 3.3), dat –zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

Michael Kempers heeft mij verteld dat hij bollen had geslikt. [medeverdachte4] had hem dit gevraagd. Ik hoorde dat [medeverdachte3] zei dat ze ook bollen had geslikt. Ik hoorde dat [medeverdachte3] aan [medeverdachte2] vroeg of hij ook iets had geslikt. [medeverdachte2] zei dat hij alles weg had gehaald en dat hij ze opnieuw had ingenomen.

(6)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte5] van 7 april 2008 (dossierpagina 1.3), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

Op de luchthaven Zanderij, toen wij in de vertrekhal zaten, spraken wij over het slikken van

de bolletjes. Wij vertelden aan elkaar dat we allemaal bolletjes hadden geslikt.

(7)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen

van medeverdachte [medeverdachte4] (dossierpagina 3.1.5.), dat - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt:

In totaal werden bij de medeverdachte [medeverdachte4] 63 slikkersbollen aangetroffen met een totaal netto gewicht van 504 gram. Eén representatief monster van de aangetroffen stof is onder nummer 08-023845 A ter analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

(8)

Het door het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van [medeverdachte4] opgemaakte deskundigenrapport van 28 april 2008, dat – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat het materiaal met het kenmerk 08-023845 A cocaïne bevat. Cocaïne is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

(9)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen

van medeverdachte [medeverdachte1] (dossierpagina 6.1.4), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

In totaal werden bij de medeverdachte [medeverdachte1] 98 slikkersbollen aangetroffen met een totaal netto gewicht van 686 gram. Eén representatief monster van de aangetroffen stof is onder nummer 08-023851 ter analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

(10)

Het door het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte1]

opgemaakte deskundigenrapport van 10 juni 2008, dat – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat het materiaal met het kenmerk 08-023851 A cocaïne bevat.

(11)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen

van de medeverdachte [medeverdachte3] (dossierpagina 5.1.4), dat - zakelijweergegeven – onder meer inhoudt:

In totaal werden bij de medeverdachte [medeverdachte3] 69 slikkersbollen aangetroffen met een totaal netto gewicht van 525 gram. Drie representatieve monsters van de aangetroffen stof zijn onder nummer 08-023846 A t/m C ter analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

(12)

Het door het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte3]

opgemaakte deskundigenrapport van 28 april 2008, dat – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat het materiaal met de kenmerken 08-023846 A, B en C cocaïne bevat.

(13)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen

van de verdachte (dossierpagina 2.1.5), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

In totaal werden bij verdachte 43 slikkersbollen aangetroffen met een totaal netto gewicht van 430 gram. Twee representatieve monsters van de aangetroffen stof zijn onder nummer 08-023848 A t/m B ter analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

(14)

Het door het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van verdachte opgemaakte deskundigenrapport van 10 juni 2008, dat – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat het materiaal met de kenmerken 08-023848 A en B cocaïne bevat.

(15)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen

van de medeverdachte [medeverdachte2] (dossierpagina 7.1.5), dat – zakelijk

weergegeven - onder meer inhoudt:

In totaal werden bij de medeverdachte [medeverdachte2] 78 slikkersbollen aangetroffen met een totaal netto gewicht van 747,7 gram. Twee representatieve monsters van de aangetroffen stof zijn onder nummer 08-023844 A t/m B ter analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

(16)

Het door het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte2] opgemaakte deskundigenrapport van 28 april 2008, dat – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat het materiaal met de kenmerken 08-023844 A en B cocaïne bevat.

(17)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen

van de medeverdachte [medeverdachte6] (dossierpagina 4.1.5.), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

In totaal werden bij de medeverdachte [medeverdachte6] 14 slikkersbollen aangetroffen met een totaal netto gewicht van 210 gram. Eén representatief monster van de aangetroffen stof is onder nummer 08-023840 ter analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk.

(18)

Het door het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte6]

opgemaakte deskundigenrapport van 10 juni 2008, dat – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat het materiaal met het kenmerk 08-023840 A cocaïne bevat.

(19)

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen

van de medeverdachte [medeverdachte5] (dossierpagina 1.1.5), dat - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

In totaal werden bij de medeverdachte [medeverdachte5] 60 slikkersbollen aangetroffen met een totaal netto gewicht van 564,5 gram. Negen representatieve monsters van de aangetroffen stof zijn onder nummer 08-023849 A t/m I ter analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

(20)

Het door het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte5]

opgemaakte deskundigenrapport van 28 april 2008, dat – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt dat het materiaal met de kenmerken 08-023849 A t/m I cocaïne bevat.

3.3 Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte betwist dat er sprake is van medeplegen, daar er geen sprake zou zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met de overige medeverdachten.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op 29 maart 2008 is verdachte met zes anderen die het uniform van de [brassband] droegen vanuit Paramaribo met het vliegtuig op Schiphol aangekomen. Ze bleken alle zeven bolletjes met daarin cocaïne te hebben geslikt.

Verdachte heeft verklaard dat hij sinds een maand lid is van de brassband en dat hij alleen mee zou lopen en niet zou meedoen met het optreden. Verder had verdachte geen idee naar welke plaats in Nederland ze zou reizen. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte1] bleek dat de band geen instrumenten bij zich had.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte geweten heeft dat de andere bandleden eveneens bolletjes met cocaïne hadden geslikt en dat het reizen en zich presenteren als lid van de brassband enkel diende als dekmantel om het eigenlijke reisdoel, te weten het smokkelen van cocaïne, te verhullen en aldus de pakkans te verkleinen. Temeer nu medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte5] beiden hebben verklaard dat al in Suriname ter sprake is gekomen dat bandleden bolletjes hadden geslikt en [medeverdachte2] heeft verklaard alleen met de brassband meegegaan te zijn om bollen te slikken en op die manier wat geld te verdienen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dient verdachte als medepleger van de opzettelijke invoer van de totale hoeveelheid cocaïne te worden beschouwd.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onttrekking aan het verkeer van de cocaïne en verbeurdverklaring van de overige onder verdachte in beslaggenomen goederen.

6.2. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim 3,6 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor strafbare feiten.

De officier van justitie heeft de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden gevorderd. Deze eis is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vliegticket, een telefoontoestel en een verzekeringsbewijs, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

6.4. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de cocaïne en het verpakkingsmateriaal dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot die cocaïne is begaan en met behulp van het verpakkingsmateriaal is begaan of voorbereid. Het ongecontroleerde bezit van cocaïne is in strijd met de wet. Het ongecontroleerde bezit van het verpakkingsmateriaal is – nu de geur van cocaïne er mogelijk nog aan zit – in strijd met het algemeen belang.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36, 36a en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN (18) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

– 1 vliegticket op naam van [verdachte];

– 1 meerkleurig telefoontoestel, merk NOKIA;

– 1 verzekeringsbewijs op naam van [verdachte], nummer PASOZ000869.

Onttrekt aan het verkeer:

– 430 gram cocaïne;

– meerkleurig verpakkingsmateriaal.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. R. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr.drs. F.A. Rive,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 juli 2008.

Mr. Van der Heijden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.