Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD6575

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
07/2096 en 07/2097
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de sportschoenen niet kunnen worden aangemerkt als werkkleding in fiscale zin omdat zij geschikt zijn ook buiten werktijd te worden gedragen en zij geen beeldmerk/naam van eiser dragen. ZIj behoren derhalve tot het loon.

Zij moeten gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Waardering op de besparingswaarde is niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2096 en 07/2097

Uitspraakdatum: 10 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Y, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak:

- 1 januari 1998 t/m 31 december 1998 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd van € 25.000, met als dagtekening 31 december 2003, alsmede bij beschikking met dezelfde dagtekening een boete van € 6.250.

- 1 januari 1999 t/m 31 december 2003 een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd van € 51.308, met als dagtekening 26 mei 2004, alsmede bij beschikking met dezelfde dagtekening een boete van € 12.324.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 februari 2007 de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 1998 t/m 31 december 1998 verminderd tot

€ 13.568 en de boete verminderd tot € 3.392.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 februari 2007 de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 1999 t/m 31 december 2003 alsmede de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft tegen deze uitspraken bij brief van 16 maart 2007, ontvangen bij de rechtbank op 19 maart 2007, en aangevuld bij brief van 17 april 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008.

Namens eiser is verschenen mr. A. Namens verweerder is verschenen mr. B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft in de onderhavige tijdvakken om niet sportschoenen aan de hem in dienst zijnde zogeheten executieve politieambtenaren verstrekt. De sportschoenen zijn door eiser via het Korps landelijke politiediensten, divisie “Logistiek” aangeschaft en zijn niet voorzien van een beeldmerk of logo van eiser. De sportschoenen maken geen deel uit van het uniform dat door politieambtenaren wordt gedragen en kunnen en mogen ook buiten diensttijd gebruikt worden. De politieambtenaren aan wie de sportschoenen zijn verstrekt, dienen in opdracht van eiser vier keer per jaar een conditietest af te leggen. De verstrekte sportschoenen worden (onder meer) gebruikt bij het afleggen van deze test.

2.2. Eiser heeft ter zake van de onder 2.1. bedoelde verstrekking geen LB/PVV ingehouden en afgedragen.

2.3. Op 27 juni 2003 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. Daarbij heeft verweerder de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften LB/PVV over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002. In het rapport van dit onderzoek wordt door verweerder het standpunt ingenomen dat de verstrekking van de sportschoenen moet worden aangemerkt als de vertrekking van loon in natura.

De kostprijs van de door eiser verstrekte sportschoenen -alle bedragen omgerekend in euro’s- bedroeg in:

1998 € 18.509.

1999 € 18.235.

2000 € 20.504.

2001 € 36.387

2002 €.10.664

2003 €. 6.363.

Voor de waardering van het aldus verstrekt loon in natura, sluit verweerder aan bij de winkelwaarde. In het rapport wordt in dat kader het volgende vermeld:

“In overleg met de heer C is gesteld dat de winkelwaarde van de onderhavige sportschoenen in de regio Y gemiddeld 40% boven de cataloguswaarde ligt.

(…)

De berekening van het loon in natura over 1998 wordt dan:

f 40.788 verhoogd met 40% is f 57.103.

De berekening van de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt dan f 57.103 tegen een tarief van 50% is f 28.551.”

Op grond van vergelijkbare berekeningen, worden voor de jaren 1999 tot en met 2003 de volgende correcties als na te heffen LB/PVV voorgesteld:

1999 € 12.763

2000 € 14.352

2001 € 9.708

2002 € 6.270

2003 € 3.740

In het rapport wordt voorts vermeld dat, nu eiser heeft aangegeven de verschuldigde LB/PVV niet te zullen gaan verhalen op de werknemers, de niet verhaalde LB/PVV loon vormt ter zake waarvan LB/PVV is verschuldigd met toepassing van de regels van eindheffing. Deze correctie over het jaar 2004 wordt in het rapport als volgt becijferd:

“De naheffing bedraagt dan f 131.764 maal 72,4% is f 95.397”

2.4. Naar aanleiding van het hoorgesprek op 10 april 2007 heeft verweerder de aanvankelijk opgelegde boeten vernietigd.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de verstrekte sportschoenen werkkleding vormen in fiscale zin, welke vraag eiser bevestigend en verweerder ontkennend beantwoordt.

Indien het gelijk met betrekking tot de eerste vraag aan verweerder is, is vervolgens in geschil het antwoord op de vraag of de verstrekking van de sportschoenen in 2001, 2002 en 2003 in aanmerking moet worden genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, hetgeen de inspecteur stelt, of dat de waarde daarvan moet worden gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing, hetgeen eiser stelt.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 15, zevende lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet), zoals deze bepaling luidde in de jaren 1998 tot en met 2000, bepaalt onder meer dat kleding als werkkleding wordt aangemerkt indien zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van het loon te worden gedragen. Met ingang van 1 januari 2001 bepaalt artikel 24, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 dat kleding als werkkleding wordt aangemerkt indien zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen.

4.2. Kleding, waartoe sportschoenen ook gerekend moeten worden, wordt ook als werkkleding aangemerkt indien zij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 15, zevende lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet, zoals deze bepaling luidde in de jaren 1998 tot en met 2000, jo artikel 18 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (tekst 1998 - 2000) en artikel 24, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2001). Daarin is bepaald dat kleding die niet (nagenoeg) uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van het loon te worden gedragen dan wel (nagenoeg) uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen als werkkleding wordt aangemerkt indien die kleding is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm².

4.3. Vaststaat dat de sportschoenen geschikt zijn om ook buiten werktijd gedragen te worden en dat zij geen beeldmerk en/of de naam van eiser vermelden. Gelet op die twee feiten, voldoen de sportschoenen niet aan de onder 4.1. en/of 4.2. vermelde voorwaarden. Derhalve kunnen de sportschoenen niet worden aangemerkt als werkkleding in fiscale zin.

4.4. Voor het jaar 2001 bepaalt de Wet niet uitdrukkelijk dat een verstrekking van kleding die geen werkkleding is, tot het loon behoort. Nu het met ingang van 2001 geldende systeem voor verstrekking van kleding aansluit bij het voordien geldende systeem en er geen aanwijzingen zijn dat een inhoudelijke wijziging is beoogd, is de rechtbank van oordeel dat ook vanaf 2001 een verstrekking van kleding, met uitzondering van de verstrekking van kleding die aangemerkt kan worden als werkkleding, behoort tot het loon. Dit betekent dat de onder 4.1., 4.2. en 4.3. vermelde oordelen ook voor 2001 tot en met 2003 gelden.

4.5. Tevens is de rechtbank van oordeel dat bij kleding die geen werkkleding is, waardering op de besparingswaarde niet aan de orde is (HR 7 december 2001, nr. 36.516, BNB 2002/68, r.o. 3.2). Verweerder heeft de verstrekking van de onderhavige sportschoenen derhalve terecht gewaardeerd op de waarde daarvan in het economische verkeer welke waarde door verweerder onweersproken is becijferd op de kostprijs van eiser vermeerderd met een opslag van 40%.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen tegen de naheffingsaanslagen ongegrond te worden verklaard. De beroepen tegen de boetebeschikkingen worden gegrond verklaard gezien de vernietiging van de boeten door verweerder nadat uitspraak op bezwaar is gedaan.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is voor zover het de boeten betreft, zijn in beginsel termen aanwezig om de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser. Nu niet gesteld of gebleken is dat eiser proceskosten heeft gemaakt als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, is er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen voor zover die betrekking hebben op de boeten gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de boeten;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. C. J. Hummel (voorzitter), mr. G.W.J. Harten en mr. R.G. Kemmers (rechters) in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.