Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD6172

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
146989/2008-373
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellen omgangsregeling tussen vader en kind 3, geboren voor ontbinding huwelijk partijen. Via DNA-onderzoek is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk (voor 99,99%) komen vast te staan dat de man ook de biologische vader van [kind 3] is. Een ouder dient zich te onthouden van gedragingen die schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid van zijn kind. Tegen deze achtergrond veronderstelt ouderlijk gezag niet alleen een recht, maar ook een plicht tot omgang met het kind. De rechtbank leidt uit de verklaringen van de man af dat hij vrijwel niet in staat is de belangen van zijn derde kind, [kind 3], los te zien van de gebeurtenissen rond haar geboorte, de echtscheiding en het belang van de vrouw. De man wil zelf beslissen over de wijze en het moment waarop hij contact aangaat met [kind 3] en daartoe niet door de vrouw of anderen worden gedwongen. Hoewel deze opstelling wellicht tegen de achtergrond van hetgeen tussen partijen is voorgevallen zou kunnen worden begrepen, stelt de man hierbij zijn eigen belang voor het belang van [kind 3] en zijn andere kinderen. In feite erkent de man immers het bestaan van [kind 3] niet, terwijl hij de twee oudsten wel in zijn leven betrekt. Niet uitgesloten is dat deze opstelling niet alleen mogelijk schadelijk is voor de persoonlijke ontwikkeling van [kind 3], maar ook voor de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2]. Deskundige bijstand is gewenst om de rechtbank voor te lichten over de te verwachten gevolgen van de opstelling van de man voor de ontwikkeling van de kinderen op de korte en lange termijn en de inkleding van een omgangsregeling voor [kind 1] en [kind 2], indien de man blijft weigeren om de omgangsregeling uit te breiden tot [kind 3] en haar in feite als zijn dochter te erkennen. De rechtbank zal dan ook opdracht geven aan de Raad voor de Kinderbescherming om haar in deze van advies te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

omgang A/R

zaak-/rekestnr.: 142989/08-373

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 24 juni 2008

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. S.Y.M. Metselaar-Hou,

tegen

[naam man],

wonende te Amsterdam,

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. J. van Koesveld te Amsterdam.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 29 januari 2008, ingekomen op dezelfde datum;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man van 28 februari 2008.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juni 2008 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. Metselaar-Hou en de man door mr. van Koesveld.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1988 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2007 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] 2007.

2.2 Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [naam kind 1] ([geboortedatum] 2000), [naam kind 2] ([geboortedatum] 2003) en [naam kind 3] [naam man] ([geboortedatum] 2007). Het gezag over de minderjarigen wordt door partijen gezamenlijk uitgeoefend.

3 Verzoek

De vrouw heeft verzocht een omgangsregeling te bepalen tussen [kind 3] en de man die gelijk loopt met de omgangsregeling tussen [kind 1] en [kind 2] en de man. [kind 3] is geboren voordat het huwelijk tussen partijen ontbonden was. In eerste instantie heeft de man zijn vaderschap betwist. Intussen is door middel van DNA-ondezoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk (voor 99,99%) komen vast te staan dat de man ook de biologische vader van [kind 3] is.

4 Verweer

Met betrekking tot de omgangsregeling met [kind 3], stelt de man dat het voor hem niet goed mogelijk is een band met dit kind op te bouwen, dit in verband met haar leeftijd, de verwikkelingen rond de echtscheiding en het feit dat de vrouw hem niet heeft betrokken bij de zwangerschap en geboorte van [kind 3]. Verder vreest hij dat al zijn aandacht voor [kind 3] nodig zou hebben, wat ten koste zal gaan van de aandacht voor de andere kinderen. Hij ziet op zich het belang van het opbouwen van een band in, maar heeft daarvoor meer tijd nodig. Op dit moment wenst hij geen omgang met [kind 3].

5 Beoordeling

T.a.v. omgangsregeling

5.1 Ter zitting is gebleken dat de man, in afwijking van de door de rechtbank Amsterdam vastgelegde omgangsregeling met [kind 1] en [kind 2] van eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, feitelijk wekelijks van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur met hen omgang heeft.

5.2 Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat [kind 1] en [kind 2] moeite hebben met het feit dat [kind 3] niet meegaat tijdens de omgangsregeling. De kinderen zijn altijd met elkaar en begrijpen dit niet. Op zich vindt de vrouw de man een goede vader, maar zij maakt zich nu zorgen omdat deze situatie geen goede invloed heeft op de psychische en lichamelijke gesteldheid van [kind 1] en [kind 2].

5.3 De man heeft ter zitting erkend dat de [kind 1] en [kind 2] wel eens vragen of [kind 3] mee mag komen; hij houdt dan de boot af. Hij stelt dat dit verder niet problematisch is. Verder voert de man aan de communicatie tussen partijen moeilijk verloopt, wat een slechte invloed heeft op de situatie. De door de rechtbank geopperde mogelijkheden om de communicatie te verbeteren en op den duur omgang met [kind 3] tot stand te brengen, zoals mediation en begeleide omgangscontacten bij het Omgangshuis, wijst de man af. Hij stelt geen tijd te hebben voor mediation of andere professionele hulp. Hij ziet op dit moment geen plaats voor [kind 3] in zijn leven. Wellicht dat dit over een jaar anders ligt, aldus de man.

5.4 Een ouder dient zich te onthouden van gedragingen die schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid van zijn kind. Tegen deze achtergrond veronderstelt ouderlijk gezag niet alleen een recht, maar ook een plicht tot omgang met het kind. De rechtbank leidt uit de verklaringen van de man af dat hij vrijwel niet in staat is de belangen van zijn derde kind, [kind 3], los te zien van de gebeurtenissen rond haar geboorte, de echtscheiding en het belang van de vrouw. De man wil zelf beslissen over de wijze en het moment waarop hij contact aangaat met [kind 3] en daartoe niet door de vrouw of anderen worden gedwongen. Hoewel deze opstelling wellicht tegen de achtergrond van hetgeen tussen partijen is voorgevallen zou kunnen worden begrepen, stelt de man hierbij zijn eigen belang voor het belang van [kind 3] en zijn andere kinderen. In feite erkent de man immers het bestaan van [kind 3] niet, terwijl hij de twee oudsten wel in zijn leven betrekt. Niet uitgesloten is dat deze opstelling niet alleen mogelijk schadelijk is voor de persoonlijke ontwikkeling van [kind 3], maar ook voor de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2].

5.5 Deskundige bijstand is gewenst om de rechtbank voor te lichten over de te verwachten gevolgen van de opstelling van de man voor de ontwikkeling van de kinderen op de korte en lange termijn en de inkleding van een omgangsregeling voor [kind 1] en [kind 2], indien de man blijft weigeren om de omgangsregeling uit te breiden tot [kind 3] en haar in feite als zijn dochter te erkennen. De rechtbank zal dan ook opdracht geven aan de Raad voor de Kinderbescherming om haar in deze van advies te dienen.

5.6 Gezien de tijd die is gemoeid met het hiervoor onder 5.5. gelaste onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en gelet op de mogelijke schadelijke gevolgen van de opstelling van de man, acht de rechtbank het in het belang van [kind 3], [kind 1] en [kind 2] om een tijdelijke en beperkte omgangsregeling ten aanzien van [kind 3] vast te leggen. Zowel de man als de vrouw dienen zich verder in het belang van de kinderen en voor het goede verloop van de al bestaande omgangsregeling in te zetten voor een heldere communicatie op ouderniveau.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Stelt de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht met de minderjarige [naam man], [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2007 in de gemeente [plaats] tijdelijk vast, totdat hierop definitief zal zijn beslist:

- met ingang van 28 juni 2008: éénmaal in de veertien dagen, samenvallend met de omgang met [kind 1] en [kind 2], op zaterdag van 10.00 uur tot 11.00 uur.

6.2 Gelast de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek uit te voeren met betrekking tot de minderjarigen [naam vader], ieder afzonderlijk, op de volgende punten:

1. Wat zijn de mogelijke effecten van het afwijzen van contact door de man met [kind 3] op de korte en lange termijn - in aanmerking genomen dat de man wel goed contact onderhoudt met haar oudere broer en zus - op de persoonlijke ontwikkeling van minderjarige [kind 3]?

2. Wat zijn de mogelijke effecten van het afwijzen van contact door de man met [kind 3] op de korte en lange termijn, in aanmerking genomen dat de man wel goed contact onderhoudt met [kind 1] en [kind 2], op hun persoonlijke ontwikkeling?

3. Wat zijn de mogelijke effecten van de voornoemde opstelling van de man op de onderlinge verhouding tussen de minderjarigen [naam man]?

4. Geeft de situatie ten aanzien van de minderjarigen [naam man] voor de Raad nog aanleiding tot het maken van opmerkingen of kanttekeningen?

5. Wat adviseert de Raad ten aanzien van omgang tussen de man en de minderjarige [kind 3]?

6. Wat adviseert de Raad ten aanzien van omgang tussen de man en de minderjarigen [kind 1] en [kind 2], indien geen omgang tot stand komt tussen de man en de minderjarige [kind 3]?

6.3 Houdt de behandeling van de zaak met betrekking tot de definitieve omgangsregeling aan tot 1 oktober 2008 PRO FORMA. Uiterlijk een week vóór die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming aan de rechtbank te rapporteren en te adviseren. Daarna zal de rechtbank beslissen over de verdere voortgang van de procedure.

6.4 Verzoekt tevens de procureurs van partijen de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent het verloop van de tijdelijke omgangsregeling.

6.5 Bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk op 24 september 2008 door de rechtbank ontvangen dient te zijn.

6.6 Houdt de beslissing over de overige geschilpunten van de zaak aan tot 15 juli 2008

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Roelvink-Verhoeff, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. Kuijs, griffier, op 24 juni 2008.