Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD5689

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
130752 / HA ZA 06-1575
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheid. Tussenvonnis. Stuiting verjaring. De slokdarmperforatie moet als een comlicatie en niet als een kunstfout worden beschouwd. Het ziekenhuis is daarom niet aansprakelijk voor de schade als gevolg van het ontstaan van een slokdarmperforatie bij de dilatatie. Benoeming deskundige in verband met beantwoording van de vraag of het ziekenhuis is te verwijten dat de diagnose slokdarmperforatie is gemist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/115

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130752 / HA ZA 06-1575

Vonnis van 2 april 2008

in de zaak van

[Eiseres],

wonende te Heerhugowaard,

eiseres,

procureur mr. B.J. Sol,

advocaat mr. G.J.F.M. Linders te Valkenburg a/d Geul,

tegen

de stichting

STICHTING KENNEMER GASTHUIS,

gevestigd te Haarlem,

gedaagde,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Kennemer Gasthuis worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 februari 2007

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 9 mei 2007

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Toen [eiseres] (geboren op 16 augustus 1944) ongeveer 1½ jaar oud was, heeft zij loog gedronken, als gevolg waarvan zij een verbranding aan haar slokdarm heeft opgelopen. Vanaf dat moment moest haar slokdarm regelmatig worden opgerekt.

2.2. In verband daarmee heeft [eiseres] in de periode van 1973 tot en met 1997 19 keer een oesophagoscopie ondergaan in het Kennemer Gasthuis, waarbij tevens een dilatatie werd uitgevoerd (oprekking van de slokdarm). Tot 1990 vond deze behandeling plaats tijdens kortdurende opnames van twee tot drie dagen en vanaf 1991 gebeurde het poliklinisch. De behandeling werd steeds uitgevoerd door KNO-arts [de arts], alszodanig werkzaam bij het Kennemer Gasthuis (hierna: [de arts]).

2.3. Op 22 april 1998 onderging [eiseres] de voornoemde behandeling voor de twintigste keer in het Kennemer Gasthuis.

2.4. Op 23 april 1998 kwam [eiseres] voor controle bij [de arts] en gaf aan dat ze slikklachten had. [de arts] heeft [eiseres] onderzocht en stuurde haar weer naar huis.

2.5. Op 27 april 1998 heeft [eiseres] zich wederom bij het Kennemer Gasthuis gemeld, omdat ze koorts had, pijn bij het slikken en pijn tussen de schouderbladen. [eiseres] bleek een slokdarmperforatie te hebben, die was veroorzaakt bij de dilatatie.

2.6. Toen het aanvankelijke behandelplan niet lukte en de toestand van [eiseres] achteruit ging, werd een spoedoperatie uitgevoerd. Bij deze operatie trad letsel op aan de milt, waarna de milt is verwijderd. Op 4 mei 1998 werd [eiseres] naar de IC-afdeling van het AMC te Amsterdam overgebracht, waar zij op 5 mei 1998 diverse ingrepen onderging. Op 18 juni 1998 werd [eiseres] uit het AMC ontslagen, maar eind augustus 1998 is zij teruggegaan naar het AMC. Daar werd op 21 januari 1999 een operatie uitgevoerd, waarbij het maagdarmstelsel werd hersteld door van de maag van [eiseres] een zogenaamde buismaag te maken en die onderhuids over het borstbeen van [eiseres] te laten lopen.

2.7. Op 4 november 2003 heeft dr J.C. Sier (hierna: dr Sier) op verzoek van het door [eiseres] ingeschakelde letselschadebureau Kloppenburg, medisch advies uitgebracht. [eiseres] heeft vervolgens drs R.L.M. Neuhaus (hierna: drs Neuhaus) ingeschakeld.

2.8. Bij brief van 9 augustus 2001 heeft [eiseres] het Kennemer Gasthuis aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van het nalatig handelen van de artsen van het Kennemer Gasthuis.

2.9. In overleg met de medisch adviseur van de aansprake¬lijk¬heids¬verzekeraar van het Kennemer Gasthuis (hierna: MediRisk) heeft drs Neuhaus op 11 juli 2005 schriftelijk een aantal vragen gesteld aan prof. dr. G.J. Hordijk, verbonden aan het UMC Utrecht, afdeling KNO (hierna: prof. Hordijk). Prof. Hordijk heeft op 27 december 2005 een definitief rapport opgesteld, waarin hij de eerste 2 van de in totaal 7 aan hem voorgelegde vragen heeft beantwoord. Op 21 juni 2006 hebben partijen in overleg een aanvullende vraag aan prof. Hordijk gesteld, die hij op 17 augustus 2006 heeft beantwoord.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, samengevat:

- verklaring voor recht dat het Kennemer Gasthuis aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade van [eiseres] naar aanleiding van de slokdarmperforatie op 22 april 1998 respectievelijk het missen van de diagnose slokdarmperforatie op 23 april 1998

- veroordeling van het Kennemer Gasthuis tot het voldoen van alle geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet

- veroordeling bij het eerste tussenvonnis van het Kennemer Gasthuis tot betaling van EUR 11.143,95, subsidiair EUR 10.105,75, aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente.

3.2. Het Kennemer Gasthuis voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verjaring

4.1. Het Kennemer Gasthuis heeft allereerst aangevoerd dat de vordering, voor zover die is gebaseerd op het niet goed uitvoeren van de dilatatie op 22 april 1998, is verjaard. Ter onderbouwing van deze stelling voert het Kennemer Gasthuis aan dat, hoewel [eiseres] in haar brief van 9 augustus 2001 nog aangaf dat de aansprakelijkheid (mede) betrekking had op het niet goed uitvoeren van de dilatatie, haar medisch adviseur bij brief van 12 november 2002 (productie 6 bij de CvA) heeft aangegeven dat de slokdarmperforatie een complicatie is, die op zichzelf niet verwijtbaar is. [eiseres] zou na de brief van 9 augustus 2001 ook overigens niet meer hebben aangegeven dat de vordering mede zag op het niet goed uitvoeren van de dilatatie.

4.2. Op grond van art. 3:310 lid 1 BW verjaren rechtsvorderingen tot vergoeding van schade na verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. In het onderhavige geval is deze termijn (op z’n vroegst) op 27 april 1998 aangevangen, aangezien op die dag is gebleken dat sprake was van een slokdarmperforatie die was ontstaan bij de dilatatie. Door de brief van 9 augustus 2001 is de verjaring gestuit op een wijze als bedoeld in art. 3:317 BW. Daarop is een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen, zoals uit art. 3:319 BW volgt. Aangezien de dagvaarding in de onderhavige zaak op 4 december 2006 is betekend, dient de verjaring in de tussenliggende periode opnieuw te zijn gestuit, omdat de vordering anders inmiddels is verjaard.

4.3. Ten aanzien van de verjaring heeft [eiseres] ter comparitie onder meer aangevoerd dat uit het feit dat het Kennemer Gasthuis heeft aangegeven te willen trachten tot een minnelijke oplossing te komen en vervolgens akkoord is gegaan met het inschakelen van prof. Hordijk moet worden geconcludeerd dat de vordering niet is verjaard. De rechtbank begrijpt deze stelling van [eiseres] aldus dat [eiseres] van mening is dat is voldaan aan (de strekking van) art. 3:317 BW, aangezien het Kennemer Gasthuis had moeten kunnen begrijpen dat [eiseres] zich haar recht op vergoeding van de schade als gevolg van het niet goed uitvoeren van de dilatatie op 22 april 1998 heeft voorbehouden, zodat de vordering niet is verjaard.

4.4. [eiseres] kan in dit standpunt worden gevolgd. Partijen hebben op 11 juli 2005 immers aan prof. Hordijk onder meer de vraag gesteld of de dilatatie op 22 april 1998 lege artis is verricht. Dit bleef dus kennelijk een punt van geschil tussen hen. De raadsman van [eiseres] heeft het rapport van prof. Hordijk, met daarin onder meer het antwoord op deze vraag, bij brief van 17 februari 2006 (productie 4 bij de dagvaarding) aan MediRisk toegestuurd. In de laatste twee alinea’s van deze brief wordt overwogen:

“(…) Op grond van deze opmerkingen houd ik het erop dat dr. Beerens toch aansprakelijk is voor de gevolgen van deze slokdarmperforatie. (…) tenslotte verzoek ik u toch te overwegen in deze de aansprakelijkheid te erkennen. Is dat niet het geval dan rest mij geen andere gang dan naar de rechter.”

4.5. Door bovenstaande, ondubbelzinnige mededeling is de verjaring op 17 februari 2006 andermaal gestuit, ook voor zover die is gebaseerd op het niet goed uitvoeren van de dilatatie op 22 april 1998. Van verjaring is dan ook geen sprake.

4.6. Het Kennemer Gasthuis heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover die is gebaseerd op het verwijderen van de milt, is verjaard. [eiseres] heeft echter aangegeven dat het verwijderen van de milt zijn oorzaak vindt in het niet onderkennen van de perforatie op 23 april 1998. Kennelijk beschouwt [eiseres] het beschadigen en verwijderen van de milt dus als gevolgschade en niet als een aparte schadeveroorzakende gebeurtenis. Daarvoor is dan ook geen aparte stuiting van de verjaring vereist, zodat ook dit deel van de vordering niet is verjaard.

Inhoudelijk

4.7. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het Kennemer Gasthuis, meer in het bijzonder [de arts], onzorgvuldig heeft gehandeld. Blijkens het petitum zou dit onzorgvuldig handelen enerzijds bestaan uit het veroorzaken van een slokdarmperforatie bij de dilatatie, hetgeen volgens [eiseres] een kunstfout is en geen complicatie, anderzijds uit het op 23 april 1998 missen van de diagnose slokdarmperforatie.

Slokdarmperforatie

4.8. Uit de jurisprudentie volgt dat van de arts die aansprakelijk wordt gesteld wegens verwijtbaar onzorgvuldig handelen, mag worden verlangd dat hij tegenover de desbetreffende stellingen van de patiënt voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting. Op grond daarvan moet de arts zo nauwkeurig mogelijk zijn lezing geven van hetgeen, voor zover relevant, tijdens de medische behandeling is voorgevallen en de gegevens verschaffen waarover hij als arts de beschikking heeft of kan hebben. De patiënt kan vervolgens met de hem aldus door de arts daartoe verschafte aanknopingspunten bewijs leveren van de juistheid van zijn of haar stellingen mede door de onjuistheid van de door de arts gestelde feiten of gegevens aan te tonen of aannemelijk te maken.

4.9. Het Kennemer Gasthuis heeft ter motivering van haar betwisting dat sprake is van een kunstfout, de aantekeningen van [de arts] uit het medisch dossier van [eiseres] overgelegd, alsmede de brief van [de arts] aan de huisarts van [eiseres] van 4 mei 1998 (prod. 1 en 2 CvA). Niet in geschil tussen partijen is dat het Kennemer Gasthuis niet over meer informatie over de uitvoering van de dilatatie op 22 april 1998 beschikt. Het Kennemer Gasthuis stelt zich verder op het standpunt dat de aantekeningen zo beknopt zijn, omdat zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan bij de dilatatie.

4.10. Hoewel prof. Hordijk in zijn advies van 27 december 2005 aangeeft van mening te zijn dat een verslag van de handeling op de operatiekamer op 22 april 1998 onderdeel had moeten uitmaken van de medische status en dat hij als gevolg van het ontbreken van een dergelijk verslag geen uitspraak kan doen of het oprekken is geschied zoals mag worden verwacht, concludeert hij vervolgens toch dat niet kan worden gesteld dat de ingreep op 22 april 1998 niet lege artis is verricht. Tot die zelfde conclusie kwam ook in eerste instantie het door [eiseres] ingeschakelde letselbureau Kloppenburg, waar zij bij brief van 12 november 2002 aangeeft dat een slokdarmperforatie een complicatie is die op zichzelf niet verwijtbaar is. Ook dr Sier, die door [eiseres] zelf is ingeschakeld, komt in zijn advies van 4 november 2003 tot de conclusie dat de slokdarmperforatie als een complicatie en niet als een kunstfout moet worden beschouwd.

4.11. [eiseres] heeft haar standpunt dat sprake was van een kunstfout enkel onderbouwd door te stellen dat Beerens al 19 keer aantoonbaar heeft bewezen dat hij een slokdarm zonder perforatie kan oprekken, zodat het feit dat er bij de 20e keer een perforatie is opgetreden, aantoont dat de perforatie een kunstfout betrof. Deze stelling is in het licht van de hiervoor in 4.10 weergegeven bevindingen van prof. Hordijk en dr Sier niet toereikend.

4.12. Hierdoor is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een kunstfout en is het Kennemer Gasthuis mitsdien niet aansprakelijk voor de schade als gevolg van het ontstaan van een slokdarmperforatie bij de dilatatie. Het verzoek om een verklaring voor recht op dit punt te geven, zal dan ook worden afgewezen.

Missen van de diagnose slokdarmperforatie

4.13. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het Kennemer Gasthuis, althans [de arts], ten onrechte op 23 april 1998 de diagnose slokdarmperforatie heeft gemist. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst [eiseres] naar het advies van dr Sier en de rapportages van prof. Hordijk. Daaruit volgt volgens [eiseres] dat een arts een patiënt die na het oprekken van de slokdarm na 24 uur terugkomt met slikklachten, goed moet onderzoeken, hetgeen volgens [eiseres] niet is gebeurd. [eiseres] is van mening dat een borstfoto, een slikfoto en een ct-scan van het mediastinum hadden moeten worden gemaakt, hetgeen niet is gebeurd.

4.14. Het Kennemer Gasthuis betwist dat haar is te verwijten dat de diagnose slokdarmperforatie is gemist en beroept zich daarbij eveneens op de rapportages van prof. Hordijk. Het Kennemer Gasthuis betwist bovendien dat sprake is van causaal verband tussen het missen van de diagnose en de door [eiseres] geleden schade.

4.15. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat wél sprake is van causaal verband. Ook wijst zij op het advies van dr Sier, waarin hij opmerkt: “De literatuur geeft eensluidend aan, dat een tijdige behandeling veel betere resultaten geeft.”

4.16. Gezien bovenstaande standpunten, de rapportages van prof. Hordijk (die hiervoor vanwege hun lengte niet zijn weergegeven), waaruit [eiseres] en het Kennemer Gasthuis andere conclusies trekken, en gezien het feit dat beide partijen hebben verzocht prof. Hordijk te horen althans tot deskundige te benoemen, ziet de rechtbank aanleiding prof. Hordijk op de voet van artikel 200 Rv tot deskundige te benoemen ter beantwoording van de volgende vraag/vragen:

Wanneer U thans Uw bevindingen van 27 december 2005 en van 17 augustus 2006 naast elkaar legt en het dossier van [eiseres] nogmaals raadpleegt, bent U dan al met al van mening dat [de arts] op 23 april 1998 [eiseres] adequaat heeft onderzocht en mocht volstaan met de door hem beschreven onderzoekshandelingen, te weten: spiegelen van de larynx en goed bewegende stembanden aantreffen; palpatie van de hals waarbij geen bijzonderheden werden vastgesteld en de vaststelling dat van subcutaan emfyseem geen sprake was? Wilt U hierbij mede betrekken de literatuur, die U heeft genoemd in Uw brief van 17 augustus 2006, met name in de onderste alinea van bladzijde 1 en in de drie bovenste alinea’s van bladzijde 2 en dan in het bijzonder de in die literatuur genoemde termijn van 12 uur? Wilt U hierbij tevens betrekken de mogelijkheid dat evidente symptomen van een perforatie in de gegeven omstandigheden ontbraken vanwege peri-oesophageale littekenvorming en de vraag of deze omstandigheid [de arts] tot extra kritisch onderzoek aanleiding had behoren te geven?

4.17. Afhankelijk van de beantwoording van deze vraag/vragen kunnen prof. Hordijk vervolgens nog nadere vragen worden voorgelegd, zoals vermeld in 3a tot en met 7 in voornoemde brief van 11 juli 2005 van drs Neuhaus aan prof. Hordijk. Het komt de rechtbank thans aangewezen voor de vraagstelling aan prof. Hordijk beperkt te houden.

4.18. Alvorens daadwerkelijk tot benoeming van prof. Hordijk tot deskundige over te gaan, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich over dit voornemen uit te laten en eventueel suggesties te doen voor nog andere, eveneens reeds thans aan prof. Hordijk te stellen vragen, die mogelijk van belang kunnen zijn voor het op dit moment primair openstaande vraagpunt ten aanzien van de zorgvuldigheid. Voor het geval partijen van mening zijn dat het de voorkeur verdient reeds thans een ander tot deskundige te benoemen, dienen zij een zoveel mogelijk eensluidend voorstel daartoe te doen.

4.19. Vooralsnog is de rechtbank van oordeel dat een door de te benoemen deskundige vast te stellen voorschot door [eiseres] dient te worden voldaan.

4.20. De zaak zal nu eerst naar de rol worden verwezen voor uitlating door partijen (eerst [eiseres], dan het Kennemer Gasthuis) omtrent het voorgaande. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Voor een veroordeling van het Kennemer Gasthuis tot betaling van een bedrag aan [eiseres] is thans, anders dan met toespitsing op het eerste tussenvonnis door haar gevorderd, geen plaats. De rechtbank ziet geen termen ambtshalve tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis open te stellen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 23 april 2008 voor uitlating zijdens [eiseres] als bedoeld in 4.18. hiervoor;

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs Ruitinga, Van de Rest-Van der Heijden en Thijs, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.?