Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD5563

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
15/750156-07 en 15/761632-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zinloos geweld; medeplegen poging doodslag. Beroep op noodweer-exces. Verworpen. wel sprake van ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding maar, maar geweldadige verdediging niet noodzakelijk. Overschreiding grenzen van subsidiariteit. Zie voor medeverdachte LJN: BD5564.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/750156-07 en 15/761632-07

Uitspraakdatum: 26 juni 2008

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het Jongeren Opvangcentrum te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(15/750156-07)

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Landsmeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn mededader(s), althans alleen,

- die [slachtoffer] tegen de buik, in elk geval het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt (een zg knietje) en/of die [slachtoffer] in/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen en/of bleef liggen

- met kracht een of meer malen heeft die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of

- met kracht die [slachtoffer] een of meer malen heeft heeft gestompt en/of geslagen op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Landsmeer met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Noordeinde, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachto[slachtoffer], welk geweld bestond uit het

- in/tegen de buik, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer] schoppen en/of trappen (een zg knietje) en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] slaan en/of stompen en/of

(vervolgens) nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen en/of bleef liggen

- met kracht een of meer malen schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer] en/of

- met kracht een of meer malen stompen en/of slaan op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer],

waarbij hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) heeft geschopt en/of getrapt op/tegen het hoofd van die [slachtoffer], en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en/of een gebroken oogkas en/of een hersenbloeding althans een of meer subdurale bloeding(en) in de hersenen) voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

MEER SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Landsmeer tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en/of een gebroken oogkas en/of een hersenbloeding althans een of meer subdurale bloeding(en) in de hersenen), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk

- in/tegen de buik, in elk geval het lichaam, te schoppen en/of te trappen (een zg knietje) en/of die [slachtoffer] in/tegen het gezicht te slaan en/of stompen en/of

(vervolgens) nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen en/of bleef liggen

- met kracht een of meer malen te schoppen en/of te trappen op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of

- met kracht een of meer malen te stompen en/of te slaan op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam;

UITERST SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 16 december 2007 te Landsmeer met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Noordeinde, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het

- in/tegen de buik, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer] schoppen en/of trappen (een zg knietje) en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] slaan en/of stompen en/of

(vervolgens) nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen en/of bleef liggen

- met kracht een of meer malen schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer] en/of

- met kracht een of meer malen stompen en/of slaan op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer],

waarbij hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) heeft geschopt en/of getrapt op/tegen het hoofd van die [slachtoffer], en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en/of een gebroken oogkas en/of een hersenbloeding althans een of meer subdurale bloeding(en) in de hersenen), althans enig lichamelijk letsel voor [slachtoffer] ten

gevolge heeft gehad;

(15/761632-07)

hij op of omstreeks 23 november 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een reep chocolade, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (Food Plaza, gelegen aan de Nieuwezijds Voorburgwal), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 15/761632-07 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 15/750156-07 primair tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

(15/750156-07)

PRIMAIR:

hij op 16 december 2007 te Landsmeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn mededader

- die [slachtoffer] een knietje tegen de buik heeft gegeven en die [slachtoffer] tegen het gezicht heeft gestompt en

vervolgens nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen en bleef liggen

- met kracht meermalen die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt tegen het hoofd en het bovenlichaam.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3 Bewijsoverweging ten aanzien van het voorwaardelijk opzet

Verdachte heeft weliswaar bekend dat hij het slachtoffer, nadat deze als gevolg van de door zijn medeverdachte gegeven stomp, op de grond was gevallen tegen het bovenlichaam heeft geschopt, doch hij heeft ontkend dat hij tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt. De raadsman heeft daarom betoogd dat verdachte van het primair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken.

De rechtbank is echter van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van de getuige [getuige1] en de medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat verdachte tenminste eenmaal hard met geschoeide voet tegen het hoofd en het bovenlichaam van het slachtoffer heeft geschopt, terwijl deze weerloos op de grond lag. Het is een algemene ervaringsregel dat delen van het hoofd zodanig kwetsbaar zijn dat indien daarop geweld wordt uitgeoefend, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft. Deze aanmerkelijke kans bestaat eveneens voor het met kracht met geschoeide voet schoppen tegen de borst en buik, waar zich vitale organen bevinden. Het letsel van het slachtoffer, te weten onder andere hersenbloedingen en een fractuur van het jukbeen en de rechter oogkas, waarvoor hij enige dagen op de Intensive Care heeft gelegen, duidt erop dat de schoppen zodanig krachtig waren, dat zij dodelijk letsel hadden kunnen veroorzaken. Dat brengt mee dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn handelingen de dood van het slachtoffer zou veroorzaken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

15/750156-07

primair: medeplegen van poging tot doodslag

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op noodweerexces. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de klap die verdachte tegen zijn oor heeft gekregen, valt onder een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Als gevolg hiervan is bij verdachte een hevige gemoedsbeweging ontstaan en heeft hij, verblind door pijn en woede, de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat een beroep op noodweerexces alleen slaagt wanneer kan worden vastgesteld dat verdediging noodzakelijk was of is geweest. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding – het slachtoffer heeft verdachte immers een klap tegen zijn oor gegeven - doch dat een gewelddadige verdediging tegen deze enkele klap niet noodzakelijk was. Het subsidiariteitsbeginsel staat derhalve niet alleen aan een beroep op noodweer, maar ook aan een beroep op noodweerexces in de weg.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 15/750156-07 primair tenlastegelegde feit alsmede tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 15/761632-07 tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twintig maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door Bureau Jeugdzorg, ook indien dat inhoudt het volgen van een deeltijdbehandeling bij de Bascule.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van:

- het door de Raad voor de Kinderbescherming Regio Noord-Holland, Locatie Haarlem, opgemaakte rapport d.d. 18 december 2007;

- het opgemaakte rapport Pro Justitia van de gezondheidszorg/forensisch psycholoog Breuker d.d. 14 april 2008;

- het opgemaakte rapport Pro Justitia van de psychiater/kinder- en jeugdpsychiater De Jonge d.d. 14 april 2008;

- het rapport van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, Afdeling Zaanstreek Waterland d.d. 26 mei 2008.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf dat valt onder de categorie 'zinloos geweld'. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte na afloop van een feest rond 01.30 uur ’s nachts overlast voor de woning van het slachtoffer veroorzaakt. Het slachtoffer heeft hen hierover aangesproken en is zijn woning weer ingegaan. Verdachte en zijn medeverdachte gooiden vervolgens zand tegen de ruiten van de woning, waarop het slachtoffer wederom naar buiten is gekomen en verdachte een klap op zijn oor heeft gegeven en daarna medeverdachte, die op hem af kwam lopen, bij zijn duim heeft gepakt. Medeverdachte heeft het slachtoffer hierop eerst een knietje tegen de buik en vervolgens een harde vuistslag tegen het hoofd gegeven, waardoor het slachtoffer op de grond is gevallen. Vervolgens hebben verdachte en zijn medeverdachte, beiden onder invloed van alcohol, het slachtoffer meermalen met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en lichaam geschopt, terwijl hij weerloos op de grond lag. Tengevolge van deze schoppen heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, te weten subdurale hersenbloedingen opgelopen en slechts door het uitvoeren van twee spoedoperaties heeft het slachtoffer dit, doorgaans fatale, letsel overleefd. Blijkens de medische gegevens en de schriftelijke slachtofferverklaring heeft het slachtoffer door de subdurale hersenbloedingen echter een hersenbeschadiging opgelopen, waardoor hij onder andere lijdt aan geheugenverlies, niet goed meer kan zien met zijn rechteroog en de rechterzijde van zijn lichaam verlamd is geraakt. Het slachtoffer zal derhalve de rest van zijn leven de gevolgen ondervinden van het door verdachte en zijn medeverdachte uitgeoefende geweld en nooit meer het actieve leven kunnen leiden dat hij voorheen leidde. Zowel voor het slachtoffer als zijn familie is dit in emotioneel opzicht zeer moeilijk. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, te meer nu het door verdachte en zijn medeverdachte gepleegde ‘zinloos geweld’ naast de ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer en zijn familie, ook de samenleving heeft geschokt en gevoelens van onrust en onveiligheid heeft veroorzaakt.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 19 december 2007, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, doch niet voor een geweldsdelict.

Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Op dat punt neemt de rechtbank de conclusies van de rapporten van de psycholoog en de psychiater over.

De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een stoornis in de impulsbeheersing en een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Tevens is sprake van een levensfaseprobleem van waaruit het opstandige en impulsieve gedrag wordt versterkt. Tegen de achtergrond hiervan lijkt het tenlastegelegde feit zich te hebben afgespeeld. Er is sprake geweest van een eenmalige agressieve impulsdoorbraak, waarbij het alcoholgebruik een ontremmend effect heeft gehad. De impulsiviteit, de onvrede met zichzelf en de moeizame communicatie met de ouders als gevolg van de gedragsproblemen van verdachte zijn volgens de deskundigen bevorderend voor de kans op recidive. Ter preventie hiervan en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte adviseren de deskundigen verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde verplicht contact met de jeugdreclassering en een behandeling bij een ambulante forensische behandelinstelling als de Bascule. Indien de Bascule dit nodig acht, kan deze behandeling tevens een functionele familietherapie (FFT) inhouden teneinde de communicatie tussen verdachte en zijn ouders te verbeteren.

Bureau Jeugdzorg heeft naar aanleiding van de rapporten van de psycholoog en de psychiater geadviseerd verdachte deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarde verplicht contact met de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een deeltijdbehandeling bij de Bascule. Deze behandeling bevat onder andere een agressieregulatietraining, een sociale vaardigheidstraining, een training moreel redeneren en FFT.

Met de deskundigen en Bureau Jeugdzorg is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de impulscontroleproblemen en de gedragsproblemen van verdachte, behandeling noodzakelijk is. De rechtbank zal de adviezen daaromtrent dan ook overnemen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering noodzakelijk, ook indien dat inhoudt het volgen van een behandeling bij de Bascule. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie worden verbonden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht artikel: 45, 47, 77a, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem in de zaak met parketnummer 15/761632-07 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 15/750156-07 primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twintig (20) maanden.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot tien (10) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, Afdeling Jeugdreclassering Zaanstreek Waterland, thans in de persoon van mw. J. Dontje, ook indien dat inhoudt het volgen van een deeltijdbehandeling bij de Bascule, die onder meer bevat een agressie regulatie training, een sociale vaardigheidstraining, een training moreel redeneren en een functionele familie therapie (FFT).

De rechtbank geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde tevens aan bovengenoemde instelling de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E. van Praag, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. J.M. van Santen en R. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier M.C.C. Kaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2008.