Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD4219

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
141694/2007-4255
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie/tegenspraak, verzocht wordt kinderbijdrage voor [naam kind 3] en [naam kind 4] een bedrag van € 78 per maand per kind (hierna ook: kinderbijdrage) dient te voldoen met ingang van 30 november 2004 en kinderbijdrage voor [naam kind 2] verzocht met ingang van 30 november 2004 tot 23 mei 2007, op welke datum hij meerderjarig is geworden, en een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie per 23 mei 2007 van € 68,82 per maand. man stelt dat de vrouw niet door [naam kind 2] gemachtigd kon worden, omdat die reeds ten tijde van het indienen van het verzoek meerderjarig was. De volmacht vertoont daarnaast gebreken.

vrouw zal niet-ontvankelijk in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [naam kind 2], nu hij reeds ten tijde van de indiening van het verzoek meerderjarig was.

De man heeft ter zitting gesteld dat zijn nieuwe partner vijf (hele) dagen per week een (verplichte) inburgeringscursus volgt, bovendien zal gaan studeren en niet mag werken gezien haar vreemdelingrechtelijke verblijfsstatus.

Dat de nieuwe partner niet zou mogen werken, is echter niet aangetoond. Het had op de weg van de man gelegen dit, bijvoorbeeld middels het overleggen van de verblijfsvergunning met arbeidsmarktaantekening, te onderbouwen.

Dat de nieuwe partner gaat studeren, is een vrije keuze, waarvan de financiële consequenties niet ten laste kunnen worden gebracht van de onderhoudsverplichtingen die de man heeft jegens zijn kinderen uit zijn eerdere huwelijk.

Omdat de nieuwe partner zich in een inburgeringstraject bevindt en op het punt staat te bevallen, heeft de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de man het gemiddelde van de norm voor een alleenstaande en de norm voor een echtpaar gehanteerd (€ 1.071) en een draagkrachtpercentage van 45.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 141694/07-4255

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 20 mei 2008

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.R. Starink,

tegen

[naam man]

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. J.I. Vervest.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 13 december 2007, ingekomen op dezelfde datum;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de man van 31 januari 2008;

- de brieven, met bijlagen, van de procureur van de man van 3 en 12 maart 2008;

- de brief, met bijlagen, van de procureur van de vrouw van 3 april 2008.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 april 2008 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden.

2 Feiten en omstandigheden

Partijen zijn op [datum] 1987 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2004

is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] 2004.

Uit het huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:

- [naam kind 1], op [datum] 1987,

- [naam kind 2], op [datum] 1989,

- [naam kind 3], op [datum] 1993, en

- [naam kind 4] op [datum] 1995.

De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3 Verzoek

Met als grondslag dat de man als vader van de minderjarigen gehouden is bij te dragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding, verzoekt de vrouw dat de man aan haar voor [naam kind 3] en [naam kind 4] een bedrag van € 78 per maand per kind (hierna ook: kinderbijdrage) dient te voldoen met ingang van 30 november 2004.

Tevens wordt een kinderbijdrage voor [naam kind 2] verzocht met ingang van 30 november 2004 tot 23 mei 2007, op welke datum hij meerderjarig is geworden, en een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie per 23 mei 2007 van € 68,82 per maand.

4 Verweer

4.1 De man heeft primair als verweer gevoerd dat de vrouw niet ontvankelijk verklaard dient te worden, in de eerste plaats omdat zij geen kopie van de echtscheidingsbeschikking heeft overgelegd en dit verzuim niet tijdig heeft hersteld.

In de tweede plaats stelt de man dat de vrouw niet door [naam kind 2] gemachtigd kon worden, omdat die reeds ten tijde van het indienen van het verzoek meerderjarig was. De volmacht vertoont daarnaast gebreken.

4.2 De man stelt voorts dat ten tijde van de echtscheiding een afspraak tussen partijen is gemaakt, in die zin dat hij geen kinderalimentatie zou betalen en geen partneralimentatie zou vragen.

De manier van berekenen van de behoefte door de vrouw is overigens onbegrijpelijk.

De man voert verder een draagkrachtverweer. Hij stelt dat zijn nieuwe partner vijf dagen per week een inburgeringscursus volgt, en dat hij dus alleen voor inkomen zorgt.

Verder wordt verweer gevoerd tegen terugwerkende kracht en stelt de man dat in het dictum alleen om een bijdrage voor [naam kind 2] wordt verzocht.

5 Beoordeling

5.1 Nu de vrouw alsnog een kopie van de echtscheidingsbeschikking heeft overgelegd, is het geconstateerde verzuim hersteld en ziet de rechtbank geen aanleiding daar gevolgen aan te verbinden.

5.2 Het petitum acht de rechtbank voldoende duidelijk; het is opgevat zoals hiervoor omschreven onder punt 3.

5.3 De vrouw zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [naam kind 2], nu hij reeds ten tijde van de indiening van het verzoek meerderjarig was. [naam kind 2] dient zijn vader hiervoor zelfstandig in rechte aan te spreken.

5.4 Bij de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen, is het netto besteedbare gezinsinkomen gedurende het huwelijk maatgevend.

Voor wat betreft de behoefte heeft de procureur van de vrouw zich gerefereerd aan de rekenmethode zoals gehanteerd door de procureur van de man.

Conform de overgelegde stukken (brief IBG [datum] 2006, waarop het verzamelinkomen van de man over 2005 staat vermeld, de belastingaangiftes en voorlopige aanslagen van de vrouw) en het gestelde ter zitting, gaat de rechtbank uit van een netto gezinsinkomen van circa € 2.500 per maand in 2004.

De totale kosten voor destijds vier minderjarige kinderen bedragen dan volgens de van toepassing zijnde tabel € 750, dus € 187,50 per maand per kind.

De rechtbank acht het redelijk ervan uit te gaan dat de behoefte van de thuiswonende studerende jong meerderjarige ([naam kind 2]), tenminste even groot is als die van de minderjarigen ([naam kind 3] en [naam kind 4]). [naam kind 2] heeft weliswaar een bijbaantje en een basisbeurs van de IBG, maar daar staat tegenover dat de kinderbijslag is weggevallen, dat hij premie zorgverzekering moet betalen en dat zijn studiekosten aanzienlijk zijn.

Draagkracht

Uitgangspunt is dat beide ouders dienen bij te dragen in de kosten van de minderjarigen

naar rato van hun draagkracht. Daarom dient allereerst de verhouding te worden vastgesteld waarin partijen moeten bijdragen in de kosten van hun kinderen.

De man werkt 32 uur per week op het [naam werkgever].

De vrouw heeft aangevoerd dat hij fulltime kan werken of elders extra kan werken in de twaalf weken vakantie die hij jaarlijks heeft.

De man heeft gesteld dat hij nooit meer dan 32 uur heeft gewerkt, dat er geen wijziging van omstandigheden heeft plaats gevonden en dat over een aantal weken het tweede kind van hem en zijn huidige partner wordt verwacht.

Desgevraagd heeft de man aangegeven momenteel op zoek te zijn naar extra werk.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de man een verdiencapaciteit heeft die gelijk is aan een fulltime dienstverband van 40 uur per week.

Bij het berekenen van zijn draagkracht wordt daarmee rekening gehouden.

De vrouw is maat in de vroedvrouwenpraktijk te [plaats].

Uit de overgelegde stukken, waaronder het financieel jaarverslag, blijkt dat de vrouw voor 16,67% deelt in de nettowinst. Zij dient daarover nog wel de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW af te dragen, en uitgaven te doen terzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering en haar pensioenvoorziening.

Partijen hebben beiden een uit de huwelijkse periode stammende schuld aan de gemeente [plaats] (een fraudevordering Abw).

Draagkracht van de man

Bij het bepalen van de draagkracht van de man wordt uitgegaan van de volgende gegevens:

- de algemene heffingskorting, heffingskorting niet verdienende partner en de arbeidskorting zijn van toepassing;

- inkomen [naam werkgever]; de rechtbank gaat uit van een verdiencapaciteit van € 30.000 op jaarbasis en de IBG-beurs van zijn partner van € 253 per maand;

- premie zorgverzekering € 114,61 per maand, waarvan overeenkomstig het standpunt van de werkgroep alimentatienormen € 54 geacht wordt in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd, verplicht eigen risico € 150 per jaar;

- rekening wordt gehouden met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW;

- kale huur € 286;

- aflossing schuld aan de gemeente € 75 per maand.

Draagkracht van de vrouw

Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw wordt uitgegaan van de volgende gegevens:

- de algemene heffingskorting, alleenstaande ouderkorting, aanvullende alleenstaande ouderkorting en de arbeidskorting zijn van toepassing;

- belastbare winst uit onderneming (waarin is verdisconteerd de terugbetaling van de schuld aan de gemeente) € 30.661;

- de premie zorgverzekering bedraagt € 122,42 per maand, waarvan € 54 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm; verder wordt rekening gehouden met het verplichte eigen risico van € 150 per jaar;

- rekening wordt gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;

- hypotheekrente € 278 per maand, forfaitaire eigenaarslasten € 95 per maand, eigen woning forfait € 1.713.

Met betrekking tot de verdeling van de kosten van de kinderen, heeft de rechtbank een draagkrachtvergelijking gemaakt overeenkomstig de normen van het zogenoemde Tremarapport, waarbij partijen beiden als alleenstaanden worden beschouwd en rekening wordt gehouden met genoemde heffingskortingen.

Daaruit concludeert de rechtbank dat het redelijk is dat die kosten gedragen worden in de verhouding 35% door de man en 65% door de vrouw.

De vrouw heeft overigens een dergelijke verdeling ook op basis van een IBG-bericht weergegeven in haar verzoekschrift, waartegen de man geen verweer heeft gevoerd anders dan een draagkrachtverweer.

Het aandeel van de man in de kosten kinderen bedraagt aldus € 66 per maand per kind.

De man heeft ter zitting gesteld dat zijn nieuwe partner vijf (hele) dagen per week een (verplichte) inburgeringscursus volgt, bovendien zal gaan studeren en niet mag werken gezien haar vreemdelingrechtelijke verblijfsstatus.

Dat de nieuwe partner niet zou mogen werken, is echter niet aangetoond. Het had op de weg van de man gelegen dit, bijvoorbeeld middels het overleggen van de verblijfsvergunning met arbeidsmarktaantekening, te onderbouwen.

Dat de nieuwe partner gaat studeren, is een vrije keuze, waarvan de financiële consequenties niet ten laste kunnen worden gebracht van de onderhoudsverplichtingen die de man heeft jegens zijn kinderen uit zijn eerdere huwelijk.

Omdat de nieuwe partner zich in een inburgeringstraject bevindt en op het punt staat te bevallen, heeft de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de man het gemiddelde van de norm voor een alleenstaande en de norm voor een echtpaar gehanteerd

(€ 1.071) en een draagkrachtpercentage van 45.

Er wordt naast voormelde lasten, rekening gehouden met de kosten van de omgangsregeling ad € 50 per maand.

De resterende draagkrachtruimte van € 360 dient te worden verdeeld over vijf kinderen ([naam kind 2], [naam kind 3], [naam kind 4], [naam kind 5] en de baby die verwacht wordt).

Op grond van het bovenoverwogene acht de rechtbank de man tot betaling van zijn aandeel in de kosten van de kinderen in staat.

ingangsdatum

De vrouw heeft verzocht om een bijdragen met ingang van 30 november 2004, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Zij stelt dat het late indienen van het verzoekschrift een gevolg is van het feit dat zij uit is gegaan van de toezegging van de man ten tijde van de echtscheiding, dat hij als zijn leven weer op de rit stond, een bijdrage zou gaan voldoen. Zij stelt hem meermalen te hebben aangesproken om zijn verplichtingen na te komen, wat de man geweigerd heeft, waarna ze het onderhavige verzoek heeft ingediend.

De man betwist dat de bijdrage met terugwerkende kracht dient te worden vastgesteld. Hij stelt dat partijen destijds hebben besproken dat hij geen draagkracht had voor kinderalimentatie, en dat hij evenmin aanspraak zou maken op partneralimentatie.

De rechtbank is van oordeel dat de redenen die de vrouw heeft aangevoerd om zolang te wachten met het indienen van haar verzoek, onvoldoende zwaarwegend zijn om de bijdrage met terugwerkende kracht te doen ingaan. Van de man kan in redelijkheid niet worden gevergd dat hij de bijdrage van € 66 per maand per kind vanaf 30 november 2004 moet voldoen, omdat een dergelijk bedrag van maand tot maand pleegt te worden verdiend.

Dit betekent dat ten aanzien van [naam kind 2] geen bijdrage zal worden bepaald. Er is bij berekening van de draagkracht van de man wel rekening mee gehouden.

De rechtbank zal de bijdrage doen ingaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [naam kind 2], geboren op [datum] 1989 te [plaats].

6.2 Bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen

- [naam kind 3], geboren op [datum] 1993 in de gemeente [plaats], en

- [naam kind 4], geboren op [datum] 1995 in de gemeente [plaats],

telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 66 per maand per kind, met ingang van

1 januari 2008.

6.3 Wijst er – ten overvloede – op dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.4 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.5 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. Kuijs, griffier, op 20 mei 2008.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.