Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD4212

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
141569/07-4207, 144344/08-527
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

echtscheiding/tegenspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

echtscheiding/tegenspraak A

zaak-/rekestnr.: 141569/07-4207 (echtscheiding) & 143344/08-527 (verdeling)

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 mei 2008

in de zaak van:

[naam man]

wonende te [plaats]

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. S.H.J.M. Linthorst,

advocaat mr. P.G. Wemmers,

tegen

[naam vrouw]

wonende te [naam plaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.P.C. den Bleker.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man van 12 december 2007, ingekomen op 13 december 2007, waarin echtscheiding met nevenvoorzieningen is gevraagd;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw ingekomen op 15 januari 2008;

- het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek van de man van 8 februari 2008, ingekomen op 8 februari 2008;

- de brief van de procureur van de vrouw van 28 februari 2008;

- de brief, met bijlagen, van de procureur van de vrouw van 11 maart 2008;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 31 maart 2008;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de man van 3 april 2008.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 april 2008 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. P.G. Wemmers en de vrouw door mr. P.P.C. den Bleker.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1994 te [plaats] met elkaar gehuwd.

2.2 Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [naam kind 1] en [ naam kind 2], over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

2.3 Door de man is een voorlopige voorzieningen-procedure aanhangig gemaakt. Bij beschikking van [datum] 2007 heeft deze rechtbank, voorzover hier van belang, beslist dat de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderbijdrage) moet betalen van € 250 per kind per maand. Bij beschikking van [datum] 2008 is voornoemde beschikking gewijzigd in die zin dat de vrouw aan de man een kinderbijdrage van € 518 per kind per maand dient te voldoen.

2.4 De echtelijke woning is verkocht. Levering is voorzien op [datum] 2008.

3 Beoordeling

Echtscheiding, hoofdverblijf, omgang

3.1 Het verzoek tot echtscheiding kan, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

3.2 Tussen partijen zijn de volgende nevenvoorzieningen niet of niet langer in geschil:

- de hoofdverblijfplaats van de kinderen;

- de omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen.

De rechtbank zal beslissen op de wijze als door partijen aangegeven met dien verstande dat, gelet op de datum van deze beschikking, de overeengekomen regeling met betrekking tot de meivakantie 2008 niet wordt opgenomen in het dictum. De rechtbank acht voornoemde nevenvoorzieningen in het belang van de kinderen.

Verdeling

3.3 De man heeft verzocht de wijze van verdeling vast te stellen. De vrouw heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek verzocht de verdeling te bevelen van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap ten overstaan van een notaris

en met benoeming van onzijdige personen.

3.4 De rechtbank zal de beslissing over deze nevenvoorziening aanhouden, nu het verzoek niet op eenvoudige en snelle wijze kan worden afgedaan en dus nadere behandeling behoeft.

Kinderbijdrage en partnerbijdrage

3.5 De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan de man een kinderbijdrage van

€ 518 per maand per kind dient te voldoen alsmede een uitkering tot zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 1.533 per maand.

3.6 De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat zij geen draagkracht heeft om de verzochte bijdragen te voldoen. Ook betwist de vrouw de behoefte van de man, nu hij in staat moet worden geacht door eigen verdiensten in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Bij zelfstandig verzoek heeft de vrouw verzocht te bepalen dat zij aan de man een kinderbijdrage van € 250 per maand per kind dient te betalen.

Behoefte minderjarigen

3.7 De stelling van de man dat, gelet op het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van € 5.500 per maand, de behoefte van de kinderen € 1.325 per maand bedraagt, is niet betwist. De gevraagde bijdrage overstijgt de behoefte van de kinderen niet.

Behoefte man

3.8 De rechtbank relateert de behoefte van de man aan het door de man gestelde, en niet gemotiveerd door de vrouw betwiste, netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk van € 5.500 per maand. Daarop komen de kosten van de kinderen van in totaal € 1.325 per maand in mindering. Dan resteert € 4.175 per maand ter besteding voor de man en de vrouw.

Aangezien de splitsing van één huishouden in twee huishoudens extra kosten meebrengt, acht de rechtbank het redelijk de behoefte van de man op 60% van het resterende bedrag te bepalen. De rechtbank berekent de behoefte van de man dan ook op € 2.505 netto per maand en houdt in overeenstemming met het Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2006 rekening met de fiscale gevolgen van de aanwezigheid van de kinderen in het gezin van de man. De bruto behoefte van de man bedraagt € 3.140 per maand.

3.9 Op de behoefte brengt de rechtbank het huidige eigen inkomen van de man in mindering. Uit de jaaropgaaf van de man van 2007 blijkt van een inkomen, exclusief de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet, van € 19.467 per jaar, zodat het maandelijks bruto inkomen € 1.622 bedraagt. De aanvullende behoefte van de man aan een partnerbijdrage bedraagt dan op dit moment € 1.518 bruto per maand.

Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de man meer moet kunnen werken, overweegt de rechtbank het volgende. De man is academisch geschoold psycholoog en heeft in het verleden ook als zodanig gewerkt. Gedurende het huwelijk heeft de man altijd buitenshuis gewerkt. Op dit moment is hij, mede in verband met de zorg voor de kinderen, 16,5 uur per week werkzaam in het magazijn van de Albert Heijn. Ter zitting heeft de man de verwachting uitgesproken dat hij op termijn meer gaat werken. Nu de kinderen naar school gaan en zij gemiddeld 2,5 dag per week bij de vrouw verblijven, waarvan één doordeweekse dag, acht de rechtbank het ook redelijk van de man te verwachten dat hij zijn werkzaamheden uitbreidt danwel een baan op zijn eigen niveau vindt. Mede gelet op de verdeling van de zorg tussen de man en de vrouw, wordt de man in staat geacht vanaf 1 oktober 2008 24 uur per week te werken, althans een inkomen uit arbeid te verwerven van tenminste € 2.400 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.

Vanaf twee jaar na het uiteengaan van partijen, dat wil zeggen vanaf 1 november 2009, kan de man, bij een ongewijzigde zorgverdeling, in staat worden geacht 32 uur per week te werken, althans een inkomen uit arbeid te verwerven van tenminste € 3.145 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.

Gelet op het voorgaande bedraagt de aanvullende behoefte van de man derhalve tot 1 oktober 2008 € 1.518 per maand, waarmee de gevraagde bijdrage de behoefte overstijgt. Voor de daaropvolgende periode tot 1 november 2009 bedraagt de behoefte € 739 per maand. In de daaropvolgende periode wordt de man geacht zelf in zijn behoefte te kunnen voorzien.

3.10 Gelet op het inkomen van de man, heeft hij tot 1 november 2009 behoefte aan een aanvullende bijdrage van de zijde van de vrouw. Onder deze omstandigheden kan van de man niet worden verwacht dat hij bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en dient de vrouw tot het gevraagde bedrag van € 518 te voorzien in die behoefte.

Na 1 november 2009 dienen de kosten van de kinderen, gelet op het ontbreken van een aanvullende behoefte van de man, naar rato van de draagkracht over partijen te worden verdeeld. Bij gebreke van gegevens voor die periode kan echter een zodanige draagkrachtvergelijking niet worden gemaakt. De rechtbank onthoudt zich dan ook van een oordeel over de gevraagde kinderbijdrage over deze periode en laat het aan partijen om met in achtneming van de gegevens op dat moment een nieuwe bijdrage vast te stellen, dan wel te laten vaststellen.

Draagkracht

3.11 De rechtbank zal vervolgens berekenen of de vrouw voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de kinderen te voorzien en ook in de aanvullende behoefte van de man.

3.12 Gelet op de datum van de beschikking en in overeenstemming met hetgeen ter zitting is besproken met partijen, zal de rechtbank de bijdragen vaststellen vanaf 1 juni 2008, de voorziene datum van levering van de echtelijke woning. Daarbij zal in een zogenoemde getrapte beschikking een kinderbijdrage en een partnerbijdrage worden bepaald voor de periode van 1 juni 2008 tot 1 oktober 2008, voor de periode van 1 oktober 2008 tot 1 november 2009 en voor de periode vanaf 1 november 2009.

3.13 Partijen verschillen van mening over het in aanmerking te nemen inkomen van de vrouw. Nu de vrouw vanaf de invoering van het huidige bonussysteem in 2005 elk jaar de volledige bonus heeft ontvangen, die ongeveer 25% van het jaarsalaris bedraagt, acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met het gemiddelde inkomen, inclusief bonussen, over de jaren 2005 t/m 2007, dat wil zeggen een bruto jaarinkomen van € 95.000 per jaar.

Aan de stelling van de vrouw dat geen rekening moet worden gehouden met de bonus aangezien het bonussysteem per 1 juli 2009 gaat veranderen, wordt voorbij gegaan nu nog onzeker is wat het effect van deze wijziging zal zijn. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat een wijziging van de uitgangspunten aanleiding kan zijn om aanpassing van de vastgestelde bijdragen te vragen.

Bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van de volgende, mede aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- voornoemd jaarsalaris van € 95.000 bruto;

- de fiscale bijtelling inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 1.991 per jaar.

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting;

- de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

Voorts worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de vrouw in aanmerking genomen:

- de kale woninghuur van € 850;

- de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet;

- de premie Zorgverzekeringswet, inclusief premie aanvullende verzekering, van € 108.

Gelet op het feit dat de echtelijke woning is verkocht, een bankgarantie ten behoeve van de overdracht is gesteld en de levering is voorzien op 1 juni 2008, houdt de rechtbank geen rekening met de kosten van de echtelijke woning.

Ten aanzien van de kosten omgangsregeling acht de rechtbank het, gelet op de hierna te bepalen omgangsregeling, redelijk rekening te houden met een bedrag van € 140 per maand. Nu voldoende aannemelijk is dat de vrouw de minderjarigen in het weekend naar de diverse sportclubs rijdt, wordt ook rekening gehouden met een bedrag aan reiskosten van € 10 per maand.

3.14 Op grond van bovenstaande gegevens, het hiervoor overwogene en rekening

houdend met fiscale effecten en de verdeling van de draagkracht over beide partijen, acht de rechtbank de vrouw in staat om de volgende kinder- en partnerbijdrage te voldoen:

- vanaf 1 juni 2008 een kinderbijdrage van € 518 per maand per kind;

- vanaf 1 juni 2008 tot 1 oktober 2008 een partnerbijdrage van € 1.385 per maand;

- gedurende de periode van 1 oktober 2008 tot 1 november 2009: een partnerbijdrage van € 739 per maand.

Deze bijdragen kunnen niet eerder ingaan dan met ingang van de datum waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.15 De rechtbank merkt hierbij op dat nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen is bij de man en de man een kinderbijdrage ontvangt van de vrouw, hij alle kosten van verzorging en opvoeding met betrekking tot de kinderen dient te betalen waaronder de kosten van hun sportclubs en kleding. Het staat partijen natuurlijk vrij, mede gelet op het belang van de kinderen, in onderling overleg andersluidende afspraken te maken over de aankoop en de kosten van bijvoorbeeld de clubs en kleding van de minderjarige dochters van partijen en in dat kader de eventueel door de vrouw gemaakte kosten te verrekenen met de door haar te betalen kinderbijdrage.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 1994 in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd.

4.2 Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1998 in [plaats],

- [naam kind 2], geboren op [datum] 2001 in [plaats],

is bij de man.

4.3 Stelt de volgende regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht:

de vrouw en de minderjarigen zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben:

- in de even weken van donderdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur;

- in de oneven weken van donderdagavond 19:00 uur tot zaterdagavond 19:00 uur;

- de helft van de vakanties, met uitzondering van de herfstvakantie, en de helft van de feestdagen, met dien verstande dat de vrouw en de minderjarigen tijdens de vakanties in 2008 gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben als volgt:

- de laatste drie weken van de zomervakantie;

- de eerste week van de kerstvakantie tot tweede kerstdag,

waarbij de vrouw de minderjarigen haalt en brengt.

4.4 Bepaalt dat de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen telkens bij vooruitbetaling zal voldoen € 518 per maand per kind met ingang van 1 juni 2008, doch niet eerder dan met ingang van de dag waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De hiervoor vastgestelde bijdrage wordt jaarlijks van rechtswege gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

4.5 Bepaalt dat de vrouw aan de man de volgende uitkering tot zijn levensonderhoud zal betalen:

- gedurende de periode van 1 juni 2008 tot 1 oktober 2008: € 1.385 per maand;

- gedurende de periode van 1 oktober 2008 tot 1 november 2009: € 739 per maand;

- vanaf 1 november 2009 nihil,

doch niet eerder dan met ingang van de dag waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De hiervoor vastgestelde bijdragen worden jaarlijks van rechtswege gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

4.6 Verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.

4.7 Houdt de behandeling van de zaak met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap pro forma aan tot [datum] 2008.

Verzoekt partijen om de rechtbank uiterlijk op [datum] 2008 mede te delen of zij volledige overeenstemming hebben bereikt over de verdeling.

Verzoekt elk der partijen, indien zij geen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verdeling en zij bovendien een beslissing van de rechtbank daaromtrent verlangen, de rechtbank uiterlijk op [datum] 2008, de volgende bescheiden over te leggen:

- een - naar inzicht van de betreffende partij compleet - overzicht van de samenstelling van de boedel op de voor de omvang van de boedel te hanteren peildatum en de waarde van de verschillende boedelbestanddelen op de voor de waardering van de boedel te hanteren peildatum;

- bewijsstukken ter staving van de waarde van die boedelbestanddelen per te hanteren peildatum;

- indien verschil bestaat van mening over de waarde, de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld vergezeld van een voorstel met betrekking tot eventueel te benoemen taxateur(s);

- een voorstel tot verdeling.

Partijen kunnen uiterlijk op [datum] 2008 eenmalig om uitstel voor indiening van de gevraagde bescheiden verzoeken. Dit verzoek wordt, indien de wederpartij bezwaar maakt, slechts toegewezen als degene die uitstel vraagt schriftelijk klemmende redenen aanvoert. Indien de wederpartij instemt wordt het verzoek toegewezen, tenzij de procedure daardoor onredelijk wordt vertraagd als bedoeld in artikel 818 lid 2 Rv.

Indien op genoemde datum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, wordt er van uitgegaan dat partijen geen prijs stellen op verdere behandeling en zal de zaak op de stukken worden afgedaan.

Indien op genoemde datum een van beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd wordt er van uitgegaan dat deze partij geen prijs stelt op verdere behandeling en zal de zaak in beginsel op de stukken worden afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Roelvink-Verhoeff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. H. van Kamperdijk, griffier, op 13 mei 2008.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.