Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD4209

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
142786/2008-292
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing huwelijksgemeenschap o.g.v artikel 1:109 Burgerlijk Wetboek (BW) . Onweersproken is door de vrouw gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk in welstand hebben geleefd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het aangaan van de leningen door de vrouw in het licht van de abrupte beëindiging van de relatie en de samenwoning van partijen. De rechtbank deelt, met inachtneming van het hierboven overwogene, het standpunt van de man dat de vrouw lichtvaardig schulden maakt en goederen van de gemeenschap verspilt, niet. Naast de door hem gestelde inkomsten van de vrouw, stelt de man echter niet welke uitgaven de vrouw na 8 oktober 2007 heeft gedaan en of deze uitgaven - naast de vaste lasten van de echtelijke woning en de kosten van levensonderhoud - daadwerkelijk de gemeenschap hebben benadeeld.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat de bijdrage voor de minderjarige geen inkomsten zijn in het levensonderhoud van de vrouw en dat deze bedoeld zijn als bijdrage aan de kosten van verzorging en opvoeding de minderjarige.

Nu vast staat dat de vrouw geen geld van het flexibel krediet heeft opgenomen en na het afsluiten van dit krediet geen andere leningen heeft afgesloten, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een van de in art. 1:109 BW gestelde gronden die opheffing van de gemeenschap rechtvaardigen, zodat het verzoek van de man zal worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 109
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/29 met annotatie van BER onder «JPF» 2009/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie-en Jeugdrecht

opheffing huwelijksgemeenschap

zaak-/rekestnr.: 142786/2008-292

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 6 mei 2008

in de zaak van:

[naam man]

wonende te Wijdewormer, gemeente Wormerland,

hierna mede te noemen: de man,

procureur: mr. A.K. Oostlander-Vos,

--tegen--

[naam vrouw]

wonende te Wijdewormer, gemeente Wormerland,

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. A.A.C. Spoormans te Amsterdam.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 21 januari 2008 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift met bijlagen van de man;

- het exploit van betekening d.d. 25 januari 2008 van het verzoekschrift aan de vrouw;

- het op 25 maart 2008 ontvangen verweerschrift met bijlagen van de vrouw;

het verhandelde ter terechtzitting op 25 maart 2008 in aanwezigheid van de man bijgestaan door mr. A.K. Oostlander-Vos en de vrouw bijgestaan door mr. A.A.C. Spoormans;

- brief van 28 maart 2008 met bijlagen van mr. A.A.C. Spoormans;

- de brief van 3 april 2008 met bijlagen van mr. A.K. Oostlander-Vos;

- de brief van 9 april 2008 van mr. A.A.C. Spoormans.

2 De vaststaande feiten

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

- Partijen zijn op [datum] 2003 te [plaats], [land], in algemene gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd;

- het verzoek tot opheffing van de huwelijksgemeenschap is op [datum] 2008 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister ter griffie van de rechtbank ’s-Gravenhage onder nummer [nummer] en is op [datum] 2008 openlijk bekendgemaakt in het [naam dagblad] ;

- partijen zijn medio [maand] 2007 uit elkaar gegaan;

- de vrouw heeft op [datum] 2008 een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend; op dit verzoek is op [datum] 2007 een beschikking gegeven.

- de man op [datum] 2007 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend; dit verzoek wordt op [datum] 2008 ter zitting behandeld.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 De man verzoekt de rechtbank de huwelijksgemeenschap op te heffen. Hij grondt zijn verzoek op de stelling dat de vrouw op lichtvaardige wijze schulden maakt en/of de goederen der gemeenschap verspilt en/of handelingen verricht die indruisen tegen het bestuur van de andere echtgenoot over goederen der gemeenschap. Hij vreest dat de ontbinding van het huwelijk nog enige tijd op zich zal laten wachten en het niet mogelijk is gebleken om in samenspraak met de (advocaat van de) vrouw afspraken te maken over de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

3.2 De man voert daartoe aan dat de vrouw drie leningen heeft afgesloten van in totaal € 17.000,--, terwijl zij in de periode 20 augustus tot en met 31 december 2007, inclusief de bijdrage in haar levensonderhoud en de bijdrage voor de minderjarige, in totaal € 41.734,44 heeft ontvangen, terwijl hij daarnaast nog een aantal nota’s voor haar heeft betaald ter hoogte van € 6.521,17. Hij vreest ook dat door het gedrag van de vrouw een schuld aan de fiscus kan ontstaan omdat dat de vrouw mogelijk geen geld reserveert om de door haar verschuldigde inkomstenbelasting aan de fiscus te betalen.

4 Het verweer

4.1 De vrouw heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Zij erkent dat zij op 17 september 2007 en op 30 oktober 2007 een lening van € 6.000,-- heeft afgesloten bij haar moeder en daarnaast nog een flexibel krediet van € 5.000,-- bij de ABN-AMRO.

4.2 Zij stelt dat zij op het moment dat de man haar tijdens een vakantie ([maand] 2007) onverwachts heeft verlaten, zij niet over geld beschikte om de vaste lasten van de echtelijke woning en het huishouden te kunnen betalen. Zij heeft daarom noodgedwongen geld van haar moeder moeten lenen. Zij stelt voorts dat zij het flexibel krediet heeft afgesloten voor het geval zij nog meer geld nodig had, maar dat zij ten tijde van de zitting nog geen geld van het flexibel krediet had opgenomen.

Zij is van mening dat de man de huwelijkgemeenschap wil beëindigen omdat hij binnen afzienbare termijn een grote bonusuitkering zal ontvangen en niet wil dat deze uitkering in de huwelijksgemeenschap valt.

5 Beoordeling van het verzoek

5.1 Ingevolge artikel 1:109 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een echtgenoot opheffing van de gemeenschap verzoeken wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, de goederen van de gemeenschap verspilt, handelingen verricht, die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de andere echtgenoot over goederen der gemeenschap, of weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen der gemeenschap en van de daarop verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde bestuur.

5.2 Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij de leningen noodgedwongen heeft afgesloten, heeft de vrouw na afloop van de zitting een brief van de Rabobank Amsterdam en omstreken van 27 maart 2008 overgelegd, waarin staat vermeld dat het saldo van haar bankrekening met nummer [nummer] op 20 augustus 2007 € 313,63 debet was.

De man stelt weliswaar dat dit debetsaldo lager is omdat de vrouw op 19 augustus 2007 een bedrag van € 90,76 heeft overgemaakt naar haar spaarrekening, maar dit neemt niet weg dat vaststaat dat er op het moment van het uiteengaan van partijen ([maand] 2007) sprake was van een negatief saldo op de bankrekening van de vrouw.

Op de kopie van een bankafschrift van de vrouw bij Rabobank van 3 september 2007 met rekeningnummer [nummer] blijkt dat het saldo van deze rekening € 25,61 bedroeg en op 2 oktober 2008 nihil.

5.3 Onweersproken is door de vrouw gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk in welstand hebben geleefd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het aangaan van de leningen door de vrouw in het licht van de abrupte beëindiging van de relatie en de samenwoning van partijen. De rechtbank gaat er voorts vanuit dat de vrouw geld heeft gereserveerd voor afdracht van de inkomstenbelasting aan de fiscus, zoals is gesteld namens de vrouw.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de vrouw de leningen bij haar moeder ter overbrugging van de uitspraak in de voorlopige voorzieningen heeft moeten afsluiten om in de doorlopende kosten van het levenonderhoud te voorzien en de vaste lasten te kunnen betalen. Het netto inkomen van de vrouw van circa € 1.454,-- waarover zij op dat moment beschikte, was daartoe ontoereikend.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van [datum] 2007 is weliswaar bepaald dat de man aan de vrouw een bruto bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 3.000,-- per maand dient te betalen, maar daaraan is de voorwaarde gesteld dat de vrouw alle vaste lasten van de echtelijke woning en de kinderopvang zelf zal betalen. De hypothecaire lasten van deze woning bedragen reeds ca € 1.800,-- per maand.

5.4 De rechtbank deelt, met inachtneming van het hierboven overwogene, het standpunt van de man dat de vrouw lichtvaardig schulden maakt en goederen van de gemeenschap verspilt, niet. Uit het door de man aan het verzoekschrift gehechte overzicht met ontvangsten van de vrouw en uitgaven van de man blijkt dat de man tot en met 2 oktober 2007 de hypothecaire lasten van de echtelijke woning heeft betaald, alsmede een aantal andere kosten.

Uit het overzicht vanaf 8 oktober 2007 tot en met 27 december 2007 blijkt dat de man naast de vastgestelde bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw en de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige nog ca € 650,-- aan kosten voor de vrouw heeft betaald.

Naast de door hem gestelde inkomsten van de vrouw, stelt de man echter niet welke uitgaven de vrouw na 8 oktober 2007 heeft gedaan en of deze uitgaven - naast de vaste lasten van de echtelijke woning en de kosten van levensonderhoud - daadwerkelijk de gemeenschap hebben benadeeld.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat de bijdrage voor de minderjarige geen inkomsten zijn in het levensonderhoud van de vrouw en dat deze bedoeld zijn als bijdrage aan de kosten van verzorging en opvoeding de minderjarige.

Nu vast staat dat de vrouw geen geld van het flexibel krediet heeft opgenomen en na het afsluiten van dit krediet geen andere leningen heeft afgesloten, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een van de in art. 1:109 BW gestelde gronden die opheffing van de gemeenschap rechtvaardigen, zodat het verzoek van de man zal worden afgewezen. Het enkele feit dat de vrouw de beschikking heeft over een reeds verleend maar tot het moment van de zitting niet benut krediet bij de ABN-AMRO, kan niet op voorhand aangemerkt worden als het lichtvaardig aangaan van schulden. De rechtbank benadrukt evenwel dat partijen, ter voorkoming van het onnodig laten oplopen van schuldenlasten, de weg van het gezamenlijk overleg dienen te volgen.

Gelet op de aard van de procedure zullen de kosten worden gecompenseerd.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Wijst het verzoek af.

6.2 Bepaalt dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 6 mei 2008, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.