Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD4106

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
07/445 en 07/446
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6126, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. KB-Lux. Overleggen Draaiboek en Nieuwsbrieven. Stelling eisers dat rekeningen van ouders waren niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eisers de rechthebbenden zijn. Redelijke schatting. Boete gematigd wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 07/445 en 07/446

Uitspraakdatum: 12 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

X, wonende te Z, eiser, en

Y, wonende te Z, eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1. Aan eiser is voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) met dagtekening 31 december 2005 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.306 – waarin begrepen een door verweerder toegepaste correctie ter zake van winst uit onderneming ter hoogte van

€ 15.000 – en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.168. Gelijktijdig met de aanslag is een beschikking heffingsrente opgelegd en daarnaast is bij beschikking een boete opgelegd van 100% van de over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde en van 50% van de over het belastbaar inkomen uit werk en woning verschuldigde IB/PVV, in totaal een bedrag van € 4.277 aan boete.

1.2. Aan eiseres is voor het jaar 2002 een aanslag IB/PVV opgelegd met dagtekening 31 december 2005, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.168. Gelijktijdig met de aanslag is een beschikking heffingsrente opgelegd en voorts bij beschikking nog een boete van 100% van de over het bedrag van € 8.168 en van 50% van de over het bedrag van € 15.000 verschuldigde IB/PVV, in totaal een bedrag van € 4.875 aan boete.

1.3. Eisers hebben bij brieven van 16 december 2005, bij verweerder binnengekomen op 21 december 2005 – op welk moment de aanslagen en beschikkingen reeds kenbaar voor eisers door verweerder waren vastgesteld – tegen de aanslagen en de boetebeschikkingen bezwaar gemaakt.

1.4. Verweerder heeft bij uitspraken van 1 december 2006 de bezwaren afgewezen en de aanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.5. Door eisers is daartegen bij brieven van 27 december 2006, ontvangen bij de rechtbank op 28 december 2006, beroep ingesteld.

1.6. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.7. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2007 te Haarlem. De beroepen zijn daar gelijktijdig behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Eiseres is niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. A en B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eisers zijn met elkaar gehuwd en elkaars fiscaal partner voor het jaar 2002.

2.2. Op 27 oktober 2000 zijn documenten en microfiches, afkomstig van de Kredietbank Luxemburg in Luxemburg (hierna: KB-Lux) door de Belgische autoriteiten op basis van het bepaalde in de EG-Richtlijn van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/799/EEG) in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen aan het Nederlandse Ministerie van Financiën verstrekt. Naar aanleiding van deze gegevens is een onderzoek ingesteld door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst/Economische controledienst (FIOD-ECD) en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het Draaiboek van dit project vermeldt onder het kopje "3.1.2. Het identificatietraject” de wijze waarop te werk is gegaan bij de identificatie van rekeninghouders.

2.3. Onder de verstrekte gegevens bevinden zich fotokopieën van afgedrukte microfiches (bijlage 5 bij het verweerschrift) waarop onder meer de volgende teksten voorkomen:

“ JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994”

en

“ xxxxxxxxx -377,04”

en

“xxxxxxxxx 94.616,03”

en

“xxxxxxxxx 50.000,00”

2.4. Naar aanleiding van deze gegevens heeft verweerder met gebruikmaking van zijn bevoegdheid ex artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) om informatie aangaande (de) buitenlandse bankrekeningen verzocht. Eisers hebben geen informatie met betrekking tot enige buitenlandse rekening verstrekt.

2.5. Voor de jaren 1990 tot en met 2001 zijn aan eisers op basis van voorgaande informatie navorderingsaanslagen IB/PVV en vermogensbelasting en een aanslag IB/PVV opgelegd.

2.6. Voor het jaar 2002 hebben eisers aangifte voor de IB/PVV gedaan. Eisers hebben geen inkomsten uit sparen en beleggen in hun aangifte opgenomen.

2.7. Naar aanleiding van de aangiftes over 2002 heeft verweerder bij brieven van 26 oktober 2005 eisers in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van de aangiftes. In deze brieven is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat u tenminste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

Rekening op naam van: xxxxxxxxxx

Rekeningnummer: 000000

Bank: Kredietbank Luxemburg

Saldo per 31-01-1994: Fl. 144.993,07 positief

(...)

Voor wat betreft de vaststelling van de verschuldigde belasting over 2002 verwijs ik u naar de toelichting en de bijlage bij de kennisgeving die u ontving ten aanzien van het jaar 2001.

(...)

Voor u leidt dit nu tot de volgende consequenties:

Middel en jaar correctie tegoeden in het buitenland

Inkomstenbelasting 2002 € 204.201 (vermogen box 3)

In de berekende correcties is al rekening gehouden met vrijstellingen en heffingsvrije bedragen. Op grond van artikel 2.17 van de wet inkomstenbelasting 2001 heb ik het vermogensbestanddeel bij u en uw partner bij ieder voor de helft in aanmerking genomen.

(...)

Motivering boete

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen voor wat betreft de inkomsten uit het buitenland te verhogen met een boete van 100%.

(...)

Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is.

De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.”

en:

“Winst uit onderneming

Verder deel ik u mee dat ik voornemens ben om het aangegeven inkomen te verhogen met een bedrag van € 15.000.

(..)

Met betrekking tot de correctie “Winst uit onderneming” deel ik u mee dat ik een boete zal opleggen van 50% van de daarover verschuldigde belasting.”

2.8. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren, hetgeen zij hebben gedaan bij brief van 31 oktober 2005. In deze brief hebben eisers aangegeven niet in het bezit te zijn van vermogen.

2.9. Bij brief van 17 november 2005 heeft verweerder eisers vervolgens medegedeeld dat hij de aanslagen zal opleggen inclusief de aangekondigde correcties en boetes.

2.10. Met dagtekening 31 december 2005 heeft verweerder vervolgens de thans in het geding zijnde aanslagen en boetes opgelegd

2.11. Eiser heeft bij brief van 8 oktober 2007 onder meer de volgende stukken aan de rechtbank doen toekomen, welke stukken in het dossier zijn gevoegd:

- een (afschrift van een) brief met dagtekening 28 augustus 2006, met het briefhoofd van de KB-Lux en ondertekend namens “KREDIETBANK S.A. Luxembourgeoise”, met de volgende tekst:

“Geachte mijnheer,

Op uw verzoek bevestigen wij u dat de rekening n° 000000 in onze boeken werd geopend op 07 08 1992.sluiting van rekening op 18.03 1994

Wij wijzen u erop dat wij, overeenkomstig de Luxemburgse wetgeving, klantengegevens slechts gedurende 10 jaar dienen te bewaren. Wij bevinden ons hierdoor in de onmogelijkheid, informatie te bezorgen betreffende de voorafgaande periode.”

- een overzicht op papier met het embleem van de KB-Lux, als volgt:

“OPENING VAN SPAARREKENING 000000 07/08/1992 NLG 50.000,00

RENTE OP SPAARREKENING 31/12/1992 1.011,43

SOLDE AU 31/12/1992 51.011,43

RENTE OP SPAARREKENING 31/12/1993 1.956,48

SOLDE AU 31/12/1993 94.467,91

RENTE OP SPAARREKENING 18/03/1994 890,15

OPNEMING R GEDATEERD 18/03/1994 145.359,06

SOLDE AU 18/03/1994 0,00

AFSLUITING VAN SPAARREKENNING 000000 18/03/1994”

3. Geschil

3.1. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat de hoogte van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning niet in geschil is. Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiseres overeenkomstig het standpunt van eiseres op nihil dient te worden gesteld, en dat de aan haar opgelegde boete dient te worden verminderd met het deel dat betrekking had op de correcties betreffende het belastbaar inkomen uit werk en woning.

3.2. In geschil is daarom thans nog het antwoord op de vraag of verweerder terecht de aangiftes heeft gecorrigeerd ten aanzien van het vermelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, met een bedrag van € 8.168 voor elk der eisers, en of de in verband met deze correcties en de correctie van eisers belastbaar inkomen uit werk en woning opgelegde boetes terecht zijn opgelegd en zo ja, passend en geboden zijn in de omstandigheden hier aan de orde.

3.3. Eisers beantwoorden deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend.

3.4. Eisers concluderen tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de belastingaanslagen tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en vernietiging van de boetes.

3.5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep van eiser en handhaving van diens aanslag en boete, en tot gegrondverklaring van het beroep van eiseres, met handhaving van de correctie betreffende het inkomen uit sparen en beleggen en de in verband daarmee opgelegde boete.

3.6. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de beschikkingen heffingsrente

4.1. Eisers hebben eveneens beroep ingesteld ter zake van de bij beschikkingen opgelegde heffingsrente. Nu eisers tegen deze beschikkingen niet eerst, zoals de wet voorschrijft, bezwaar hebben gemaakt, zijn zij in hun beroep hiertegen niet-ontvankelijk. De rechtbank zal de beroepschriften op dit punt aanmerken als bezwaarschriften en ter afdoening doorsturen aan verweerder. Indien eisers geen behoefte hebben aan een afzonderlijke bezwaarprocedure ter zake van uitsluitend de heffingsrente, kunnen zij verweerder doen weten de bezwaarschriften in te trekken.

Ten aanzien van de (in)compleetheid van het onderhavige dossier

4.2.1. Eisers stellen zich op het standpunt dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken door verweerder zijn overgelegd. De rechtbank leidt hieruit af dat eisers doelen op het in het kader van het Rekeningenproject opgestelde Draaiboek en de interne Nieuwsbrieven die in dit verband binnen verweerders organisatie zijn uitgebracht. Bij brief van 28 september 2007 heeft verweerder desgevraagd de zogenoemde Amsterdamse versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven overgelegd. Hierbij heeft verweerder tevens de aanvullingen c.q. verbeteringen die door de rechtbank Breda zijn aangebracht overgelegd. Ter zitting heeft eiser ten aanzien van deze stukken gesteld dat ze naar zijn mening niet volledig zijn. Naar de mening van eiser dient de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven in het geding te worden gebracht.

4.2.2. Op 20 juni 2006 heeft de Derde Meervoudige Belastingkamer van het gerechtshof te Amsterdam geoordeeld over de vraag of de ongeschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven door verweerder dienden te worden overgelegd in een bij dit Hof lopend beroep (kenmerk 04/02832, te vinden onder dit nummer op www.rechtspraak.nl) tegen navorderingsaanslagen IB/PVV en vermogensbelasting alsmede de daarin begrepen verhogingen dan wel gelijktijdig daarmee genomen boetebeschikkingen over (een) eerder(e) ja(a)r(en). Het Hof heeft beslist - zakelijk weergegeven - dat verweerder kan volstaan met overlegging van de stukken in de vorm waarover eisers thans reeds beschikken. Ook de rechtbank ziet, mede gezien de door de rechtbank Breda aangebrachte verbeteringen en aanvullingen, geen aanleiding verweerder te verplichten tot het overleggen van meer dan dat. Zij verwijst verder naar de motivering van het Hof in bedoelde uitspraak, onder overneming daarvan. De rechtbank constateert voorts dat eisers vanaf 9 oktober 2007 met de aan hen ter beschikking gestelde stukken (waaronder de door de rechtbank Breda aangebrachte aanvullingen c.q. verbeteringen) en de inhoud van dit dossier over al het relevante materiaal beschikten om op de door hen genoemde punten de in het geding zijnde aanslagen en boetebeschikkingen juridisch onderbouwd te kunnen aanvechten.

Ten aanzien van de aangebrachte correctie

4.3.1. Eisers ontkennen dat er sprake is of is geweest van een of meer rekeningen bij de KB-Lux op hun naam. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat eisers gerechtigd zijn tot de rekening(en) rust op verweerder.

4.3.2. Het door verweerder op dit punt ingebrachte bewijs bestaat uit de beide afschriften van de microfiches waarvan de inhoud hiervoor onder 2.3 is weergegeven. Gelet op de vermelding van de voor- en achternaam van eiser daarop, in combinatie met de achternaam van eiseres, is in beginsel aannemelijk dat het hier om rekeningen op naam van eiser en/of eiseres gaat.

4.3.3. Eisers hebben dit betwist. Eiser heeft ter zitting nader toegelicht dat het hier rekeningen van zijn vader zou betreffen, tot die kwam te overlijden in september 1991. Daarna werd zijn moeder rechthebbende op de rekeningen. Na het overlijden van zijn ouders en het vinden van het overzicht zou hij contact hebben opgenomen met de KB-Lux. Om het geld te kunnen opnemen moest het eerst naar een van de rekeningen worden overgeboekt. Daartoe heeft eiser vervolgens opdracht gegeven. Op 18 maart 1994 heeft eiser volgens zijn opgave samen met eiseres een bedrag van rond de ƒ 150.000 opgenomen. Eiser stelt dat de eisen die de KB-Lux stelde teneinde de opname mogelijk te maken, te weten het insturen van kopieën van de paspoorten van eisers en de overlijdensakte van zijn vader, er de oorzaak van zal zijn dat zijn naam en die van eiseres bij de rekening zijn vermeld. Desgevraagd heeft eiser verklaard dat verklaarbaar is dat de naam van eiseres al vóórdat het geld werd opgenomen bij de rekening was vermeld. Eiser zou namelijk in december 2003 (aldus heeft eiser ter zitting meegedeeld, waarbij, zo begrijpt de rechtbank, eiser heeft bedoeld december 1993), na het overlijden van zijn moeder in november 1993, hebben gebeld om de gegevens van eiseres en hemzelf door te geven met het oog op een opname. Vervolgens is de opname in januari 2004 (de rechtbank begrijpt: maart 1994) gedaan.

4.3.4. Verweerder heeft in reactie hierop aangevoerd dat de KB-Lux in het geval van het overlijden van een rekeninghouder een verklaring van erfrecht eist en de goedkeuring van alle erfgenamen voordat tot uitbetaling van enig tegoed wordt overgegaan. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat eiser ter gelegenheid van de behandeling van zijn beroep met betrekking tot eerdere jaren dan 2002 ter zitting van het Hof heeft verklaard dat de rekening van zijn vader was en niet van zijn moeder.

4.3.5. Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ter verklaring van het voorkomen van zijn naam en die van eiseres op de microfiches acht de rechtbank niet geloofwaardig. Niet aannemelijk is dat een bankinstelling naar aanleiding van de mededeling van een beweerdelijke erfgenaam dat hij een tegoed wil opnemen uit eigen beweging de tenaamstelling van een rekening zal gaan wijzigen door deze op naam van die beweerde erfgenaam en diens echtgenote te zetten. Eisers verklaring dat het om een rekening van eerst zijn vader en dan zijn moeder zou gaan is bovendien in tegenspraak met het door eiser zelf overgelegde rekeningoverzicht als hiervoor onder 2.11 weergegeven, waarop eiser zich eveneens beroept. Volgens dit overzicht is de rekening pas geopend ná het overlijden van zijn vader. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eisers de rechthebbenden zijn met betrekking tot de op de microfiches vermelde rekeningen.

4.4.1. Gelet op de door de Belgische overheid verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die naar eisers leidde was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om aan eisers nadere inlichtingen omtrent die rekening te vragen als door verweerder is gedaan. Eisers waren, ingevolge het bepaalde in artikel 47 AWR en gelet op wat hiervoor is overwogen, verplicht om de gevraagde gegevens te verstrekken. Eisers hebben daaraan niet voldaan, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 27e, letter b, AWR, de beroepen ongegrond moeten worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de bestreden uitspraken onjuist zijn.

4.4.2. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomsten. Verweerder heeft in het verweerschrift en later ter zitting aan de hand van door hem voorafgaand aan de zitting nog in het geding gebrachte stukken met betrekking tot het berekende vermogen ultimo 2001 voldoende inzichtelijk gemotiveerd hoe de door hem aangenomen inkomsten tot stand zijn gekomen. Door eisers is deze berekening van het vermogen niet betwist. De rechtbank acht de berekening overigens ook niet onredelijk.

4.4.3. Ter zitting heeft eiser nader gesteld dat hij het in 1994 reeds door hem opgenomen saldo van de rekeningen heeft verdeeld onder de erfgenamen van zijn ouders. Eiser heeft geen bewijs overgelegd van deze verdeling van het saldo. Als bewijs van de opname en de hieropvolgende opheffing van de rekening(en) heeft eiser de hiervoor onder 2.11 genoemde stukken in het geding gebracht. Verweerder bestrijdt de echtheid van de brief en is van mening dat hier geen waarde aan gehecht kan worden.

4.4.4. Met verweerder twijfelt de rechtbank aan de authenticiteit van deze brief, gelet op onder meer de merkwaardige wijze waarop typografisch de zinsnede “sluiting van rekening op 18.03 1994” in de overige tekst is geplaatst, de punten handmatig op de letters i in het woord “sluiting” lijken te zijn gezet en de omstandigheid dat de datum “18.03 1994” van een ander lettertype – in casu cijfertype – lijkt te zijn dan de rest van de brief. De enkele omstandigheid dat het origineel van deze brief aan het Hof is getoond en ook door verweerder is bestudeerd, doet hier niet aan af. Dat maakt de brief nog niet authentiek. Zou echter al moeten worden aangenomen dat een rekening is opgeheven, dan is daarmee nog niet aannemelijk dat alle rekeningen – blijkens de afschriften van de micro-fiches zijn dat er in ieder geval 3 – zijn opgeheven, terwijl voorts eiser geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd op grond waarvan aangenomen kan worden dat het saldo mee naar Nederland is genomen en daar is verdeeld onder eiser en zijn mede-erfgenamen, zoals eiser stelt. Nu een dergelijke gang van zaken ook niet valt af te leiden uit de aangiftes van eiser en zijn echtgenote, acht de rechtbank het aannemelijk dat eisers ook in het onderhavige jaar nog de beschikking hadden over het nog in het buitenland aanwezige vermogen.

4.5. Eisers hebben ten slotte gesteld dat de bedragen die zijn vermeld op de microfiches niet geëxtrapoleerd kunnen worden naar latere jaren. Eisers hebben hierbij verwezen naar jurisprudentie waarvan zij uittreksels/besprekingen in het geding hebben gebracht en waarin een dergelijk verbod te lezen zou zijn. De rechtbank overweegt dienaangaande dat bedoelde uitspraken strafzaken betreffen, waarin is beslist dat de kopie van een microfiche, gelet op de in het strafrecht geldende bewijsregels en het wettelijk vastgelegde bewijsminimum, onvoldoende bewijs vormen om bewezen te achten dat iemand in 1994 over een buitenlandse bankrekening beschikte, zodat extrapolatie naar latere jaren al helemaal niet aan de orde kwam. Nu in het fiscale recht de vrije bewijsleer geldt en de rechter niet is gebonden aan een wettelijk vastgelegd bewijsminimum, hebben deze uitspraken voor deze zaak geen betekenis. Een verbod van extrapolatie valt naar het oordeel van de rechtbank in deze uitspraken overigens niet te lezen.

Ten aanzien van de boete

4.6.1. Nu moet worden aangenomen dat eisers in het jaar 2002 rechthebbende waren op buitenlandse banktegoeden en zij deze niet hebben opgenomen in hun aangiftes, heeft verweerder ter zake terecht boetes opgelegd. De rechtbank acht deze boetes van elk € 2.450 passend en geboden. Zij overweegt op dit punt nog nader dat zij het, gelet op de feiten, aannemelijk acht dat eisers willens en wetens en met het vooropgezette doel van belastingontduiking rekeningen in het buitenland hebben geopend en deze vele jaren voor verweerder hebben verzwegen en ook thans nog, in strijd met hun wettelijke inlichtingenplicht, verzwijgen en trachten te verhullen. Van strafverminderende omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

4.6.2. Evenzeer acht de rechtbank de boete van € 1.827 (50% van de door eiser over zijn belastbaar inkomen uit werk en woning verschuldigde belasting en premies, zijnde respectievelijk € 333 en € 3.322) ter zake van door eiser niet aangegeven winst uit onderneming in beginsel passend en geboden. Ook hier zijn strafverminderende omstandigheden gesteld noch gebleken.

4.6.3. De rechtbank dient echter nog ambtshalve te onderzoeken of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij neemt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (nr. 37 984, BNB 2005/337) als leidraad.

4.6.4. De strafvervolging is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de ontvangst door eisers van de brief van 26 oktober 2005, aangezien eisers aan deze kennisgeving redelijkerwijs de verwachting hebben kunnen ontlenen dat er boetes zouden worden opgelegd. Tussen dit tijdstip en het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak doet is een periode van circa twee jaren en acht maanden verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de redelijke termijn overschreden. Gesteld noch gebleken is dat dit procesverloop in betekenende mate door eisers is beïnvloed. Deze overschrijding van de redelijke termijn wordt naar het oordeel van de rechtbank ook overigens niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak. Een matiging van de boetes met 10% daarvan is daarom op zijn plaats.

De gevraagde schadevergoeding

4.7. Eiser stelt door de handelwijze van verweerder in 2002 duurzaam arbeidsongeschikt te zijn geworden, waardoor hij 30% van zijn inkomen mist tot aan zijn pensioen. In verband daarmee vordert hij een schadevergoeding ter hoogte van € 137.025. Eiser heeft zijn stellingen op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering daarom af.

5. Proceskosten

In de omstandigheid dat de beroepen gegrond zijn, vindt de rechtbank aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eisers in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 10,70, zijnde de (geschatte) reiskosten per openbaar vervoer 2e klasse van eiser om de zitting van 22 oktober 2007 bij te kunnen wonen. Van andere volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten van eisers in bezwaar of in beroep is niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vermindert de bij beschikking van 31 december 2005 aan eiser opgelegde boete van in totaal € 4.277 met 10% daarvan tot een bedrag van € 3.849;

- vernietigt in zoverre de aan eiser gegeven uitspraak op bezwaar;

- wijst de door eiser gevorderde schadevergoeding af;

- verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de op hem betrekking hebbende beschikking heffingsrente van 31 december 2005;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 10,70, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan om dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt;

- vermindert de aan eiseres opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 met dagtekening 31 december 2005 in die zin dat daarbij uitgegaan wordt van een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil;

- vermindert de aan eiseres opgelegde boete met dagtekening 31 december 2005 tot een boete ter hoogte van 100% van de over het door verweerder vastgestelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksver-zekeringen en vervolgens verminderd met 10% van de uitkomst daarvan tot een bedrag van € 2.205;

- vernietigt in zoverre de aan eiseres gegeven uitspraak op bezwaar;

- verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de op haar betrekking hebbende beschikking heffingsrente van 31 december 2005;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. J.L. Bruinsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.