Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD3969

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
138783 / HA ZA 07-1124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van bepaling in overname-overeenkomst tussen Albert Heijn met een derde terzake een door Albert Heijn reeds eerder van Laurus overgenomen supermarktvestiging en beoordeling of Albert Heijn aan uitvoering van die bepaling heeft voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de bepaling een inspanningsverplichting bevat en ziet op een verplichting voor Albert Heijn om zich tot het uiterste in te spannen om de werknemers die door de overname boventallig waren over te nemen en binnen één van de eigen Albert Heijn winkels te plaatsen. Uitleg van de inspanningsverplichting zoals door eiser betoogd zou ertoe leiden dat feitelijk sprake was van een resultaatsverbintenis. Nu van de 23 werknemers, 22 werknemers door Albert Heijn zijn overgenomen en 1 werknemer wegens onvoldoende vaardigheden niet binnen Albert Heijn plaatsbaar was, heeft Albert Heijn aan haar inspanningsverplichting voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138783 / HA ZA 07-1124

Vonnis van 14 mei 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOENDER ZALTBOMMEL B.V.,

gevestigd te Oostvoorne,

eiseres,

procureur mr. S.I. van der Staal,

advocaat mr. H. Carels te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALBERT HEIJN B.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

gedaagde,

procureur mr. M. Middeldorp.

Partijen zullen hierna Boender en Albert Heijn genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 november 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 3 januari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Albert Heijn heeft aan Boender verkocht de activa, bestaande uit bedrijfsmiddelen en goodwill, van een voormalige Konmar Supermarkt aan de Steenweg 8a te Zaltbommel (hierna: de supermarkt).

Daarvoor exploiteerde Boender als franchisenemer van Albert Heijn een andere Albert Heijn supermarkt op een andere locatie in Zaltbommel.

2.2. De activa van de supermarkt maakte onderdeel uit van een overname van 29 filialen door Albert Heijn van Laurus N.V. (h.o.d.n. Konmar), welke overname plaatsvond in mei 2006. De overdracht van de activa van de supermarkt van Laurus aan Albert Heijn vond plaats op 11 november 2006 en betrof een overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek.

2.3. De overdracht van de activa van de supermarkt van Albert Heijn aan Boender vond plaats op 12 november 2006.

2.4. Ter vastlegging van de tussen partijen gesloten overeenkomst is door partijen een “koopovereenkomst activa”, gedateerd 8 december 2006, (hierna: de koopovereenkomst) ondertekend. Daarin is met betrekking tot het personeel het volgende overeengekomen:

“(…)

9.1 De rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomsten met de Werknemers gaan met ingang van de Overdrachtsdatum van rechtswege over van Verkoper naar Koper overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, zulks met inachtneming van het bepaalde in lid 2 van dit artikel.

(…)

9.5

Indien Koper vier weken na de Openingsdatum naar het oordeel van Verkoper een te veel aan Werknemers heeft zal Verkoper zich tot het uiterste inspannen om het overschot aan Werknemers van Koper over te nemen en binnen haar eigen winkels proberen te (her)plaatsen.

(…)”

2.5. Aan de koopovereenkomst is een lijst gehecht met vermelding van de namen van alle werknemers van de Konmar Supermarkt verdeeld over een aantal categorieën. In de kolom “bij Boender Zaltbommel in dienst” staan 49 namen van werknemers die werkzaam zouden blijven in de supermarkt na de overname. In de kolom “WWM”, dat staat voor “Winkel/Werkmaatschappij”, staan 23 namen van werknemers waarvoor geen passende arbeid voor handen was binnen de overgenomen onderneming. Van die laatste categorie zijn 22 werknemers herplaatst binnen de organisatie van Albert Heijn. [A], die ook op de lijst van 23 namen staat vermeld, is niet herplaatst binnen de organisatie van Albert Heijn.

2.6. Vanaf 1986 is [A] werkzaam geweest in de supermarkt.

2.7. In een brief van 3 januari 2007 van Albert Heijn aan [A] is onder meer vermeld:

“(…)

Hiermee bevestigen wij dat wij u met ingang van 13 november 2006 een dienstverband met Albert Heijn B.V. aanbieden.

(…)

Zoals uitgebreid met u besproken zien wij geen mogelijkheden u passend werk aan te bieden. U wordt dan ook vooralsnog volledig vrijgesteld van werk met behoud van salaris behorende bij de functie van Verkoper B. De komen 6 maanden wordt u in de gelegenheid gesteld werk te vinden dat past bij uw kwaliteiten en talenten. Een gespecialiseerd bureau zal u professioneel begeleiden bij het vinden van een baan buiten onze organisatie. De kosten voor dit begeleidingstraject bedragen E 3850,= en komen voor rekening van Albert Heijn.

(…)”

2.8. [A] is niet akkoord gegaan met de inhoud van de brief genoemd onder 2.7 en heeft deze niet ondertekend.

2.9. Bij brief van 7 maart 2007 van Albert Heijn aan de raadsman van [A] is onder meer vermeld:

“(…)

In de tussentijd heeft Albert Heijn vanaf 13 november 2006 geheel onverplicht het volledige salaris van uw cliënt doorbetaald. Uw cliënt is immers niet akkoord gegaan met de arbeidsovereenkomst van 3 januari jl. waarin de nadrukkelijke voorwaarde staat opgenomen dat Albert Heijn geen passend werk heeft. (..) dit betekent wel dat uw cliënt geen aanspraak kan maken op betaling van salaris door Albert Heijn. Hierbij bericht ik u dan ook dat Albert Heijn de salarisbetaling met ingang van 29 januari jl. heeft stopgezet.

(…)”

2.10. Bij brief van 15 maart 2007 bericht de raadsman van [A] aan Boender dat hij binnen vijf dagen zijn werkzaamheden in de supermarkt wenst voort te zetten, bij gebreke waarvan hij zich zal wenden tot de kantonrechter.

2.11. Bij brief van 3 april 2007 heeft Albert Heijn aan Boender bericht:

“(…)

Zoals ik al meerdere malen heb aangegeven is het niet zo dat wij onderling kunnen bepalen welke werknemers waar tewerkgesteld kunnen worden. Daar is altijd de medewerking van de betreffende werknemer voor nodig. Juridisch is het namelijk zo dat alle werknemers van rechtswege mee overgaan. Dat is ook de reden waarom wij in de koopovereenkomst hebben opgenomen dat Albert Heijn, indien een werknemer overtollig zou blijken, zich zal inspannen te bewerkstelligen dat de werknemer bij Albert Heijn in dienst treedt. [A] bleek zo’n werknemer en daarom heeft Albert Heijn intern gekeken of [A] geschikt was voor een aantal functies bij Albert Heijn. Dat bleek gezien zijn huidige functie zowel qua werkzaamheden als qua niveau, niet haalbaar. Als laatste optie heeft Albert Heijn [A] een outplacement traject aangeboden, maar dat aanbod is afgewezen.

(…)”

2.12. Bij vonnis van 6 juni 2007 van de kantonrechter te Tiel is Boender veroordeelt [A] weer toe te laten tot zijn werkzaamheden als 1e verkoopmedewerker in de supermarkt, alsmede tot betaling van het salaris aan [A] ten bedrage van EUR 1.738,53 bruto per maand vanaf 29 januari 2007 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst zal zijn beëindigd.

2.13. Bij beschikking van 6 juni 2007 heeft de kantonrechter te Tiel inzake het voorwaardelijk verzoekschrift van Boender tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [A] wegens wijziging van omstandigheden het voornemen uitgesproken de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 15 juni 2007 onder toekenning van een vergoeding van EUR 39.417,84 bruto aan [A] ten laste van Boender. Het verzoekschrift is na 6 juni 2007 en voor 15 juni 2007 door Boender ingetrokken.

2.14. Met ingang van 9 juli 2007 heeft [A] zijn werkzaamheden in de supermarkt hervat. Hij maakt het parkeerterrein schoon, verricht laad- en loswerkzaamheden en is vakkenvuller.

3. Het geschil

3.1. Boender vordert na vermindering van eis buiten procesrechtelijk bezwaar van Albert Heijn samengevat - veroordeling van Albert Heijn tot betaling van EUR 23.553,72, alsmede een bedrag van EUR 2.023,47 per maand vanaf 9 juli 2007 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst met [A] rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Boender heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Albert Heijn toerekenbaar tekortkomt in haar verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst inhoudende dat zij zich tot het uiterste diende in te spannen om voor [A] passend werk te vinden binnen haar (omvangrijke) organisatie. Daarbij heeft Albert Heijn Boender op geen enkele wijze geïnformeerd met betrekking tot de diverse besprekingen met [A] daaromtrent, waardoor de belangen van Boender, waarmee Albert Heijn uit hoofde van de koopovereenkomst rekening diende te houden, ernstig zijn geschaad. Boender heeft als gevolg van de toerekenbare tekortkoming schade geleden, bestaande uit de salarisbetalingen aan [A] alsmede uit de kosten voor juridische bijstand in verband met de arbeidsrechtelijke procedures die [A] jegens Boender heeft aangespannen, tot vergoeding waarvan zij Albert Heijn aanspreekt.

3.3. Albert Heijn voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil wat de uitleg is van de bepaling in artikel 9.5 van de koopovereenkomst en of Albert Heijn daaraan heeft voldaan. Albert Heijn heeft zich op het standpunt gesteld dat zij heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting uit die bepaling, en daarbij bovendien onverplicht [A] een dienstverband en outplacementtraject heeft aangeboden en onverplicht salaris van [A] heeft betaald tot 29 januari 2007.

Boender stelt dat de inspanningsverplichting met zich bracht dat Boender erop mocht vertrouwen dat Albert Heijn voor de 23 personeelsleden waarvoor geen passende arbeid voor handen was binnen de overgenomen onderneming een op het individu toegespitste functie zou zoeken.

4.2. Teneinde te kunnen beoordelen of Albert Heijn aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan dient eerst te worden beoordeeld wat partijen zijn overeengekomen en meer in het bijzonder waartoe Albert Heijn zich heeft verbonden.

Bij de uitleg van een bepaling als de onderhavige dienen de bewoordingen als uitgangspunt te worden genomen. Verder dient bij de beoordeling betrokken te worden de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en hetgeen zij ten dien aanzien van elkaar mochten verwachten.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat artikel 9.5 van de koopovereenkomst ziet op een verplichting voor Albert Heijn om zich tot het uiterste in te spannen om de werknemers van Boender die boventallig waren over te nemen en binnen één van de eigen Albert Heijn winkels te plaatsen. In de bewoordingen van bedoelde bepaling valt niet te lezen dat die verplichting eveneens inhield dat Albert Heijn ook buiten haar functiehuis naar een geschikte functie diende zoeken, zoals door Boender betoogd. Aangenomen dat Boender de bepaling heeft opgevat als een verplichting voor Albert Heijn om individueel maatwerk te verzorgen, zodat zij alle 23 werknemers zou overnemen, is voorts niet komen vast te staan dat Albert Heijn het beding aldus heeft begrepen. Daartoe heeft Boender, gelet op de betwistingen door Albert Heijn, onvoldoende onderbouwd welke omstandigheden haar verwachtingen omtrent de inspanningsverplichting hebben gewekt. Bovendien zou een uitleg van de inspanningsverplichting zoals Boender die betoogt ertoe leiden dat feitelijk sprake was van een resultaatsverbintenis. De omstandigheid dat Albert Heijn, zoals zij onweersproken heeft gesteld, zonder voorafgaand onderzoek akkoord is gegaan met de selectie van personeel door Boender leidt veeleer tot de conclusie dat sprake is van een inspanningsverplichting zonder enige verwachting of garantie omtrent het resultaat daarvan. Derhalve faalt het betoog van Boender dat de inspanningsverplichting zag op maatwerk en onverkort zou leiden tot overname van de 23 werknemers.

4.4. Vast staat dat voor 22 werknemers een passende oplossing is gevonden en dat zij door Albert Heijn zijn overgenomen zodat alleen al op grond daarvan Albert Heijn aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Boender heeft echter betoogd dat Albert Heijn ten aanzien van werknemer [A] niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Albert Heijn heeft ter verweer aangevoerd dat zij na de overname op 12 oktober 2006 de plaatsbaarheid van [A] heeft onderzocht. Daartoe heeft zij gesprekken met hem gevoerd en zijn testen afgenomen. Uit dat onderzoek bleek dat [A] over onvoldoende vaardigheden beschikte om binnen de eigen winkels of het distributiecentrum van Albert Heijn te kunnen worden geplaatst. Boender heeft betwist dat [A] over onvoldoende vaardigheden beschikt en stelt dat hij altijd naar behoren heeft gefunctioneerd.

4.5. Gelet op de stellingen van Albert Heijn dat [A] niet beschikte over voldoende taal- en rekenvaardigheden, en voorts geen klantencontact aankon, wordt bij gebreke van een nadere onderbouwing de stelling van Boender daaromtrent gepasseerd. Niet gebleken is dat [A] over voldoende vaardigheden beschikte voor plaatsing binnen de winkels of het distributiecentrum van Albert Heijn. De huidige werkzaamheden van [A] wijzen evenmin in die richting.

De vraag of de benodigde medewerking van [A] al dan niet ontbrak omdat hij, aldus Albert Heijn, aangaf dat hij terug wilde naar de winkel in Zaltbommel, doet niet af aan de ontoereikendheid van de vereiste minimale vaardigheden van [A]. De door Boender overgelegde verklaring van [A] van 14 september 2007, waarin is vermeld dat hij bereid was om in het distributiecentrum te werken, behoeft dan ook geen nadere bespreking.

4.6. Boender heeft zich er voorts nog op beroepen dat tussen Albert Heijn en [A] tussen 12 november 2006 en het vonnis van de kantonrechter van 6 juni 2007, in ieder geval op 3 januari 2007, een arbeidsovereenkomst heeft bestaan.

4.7. Dat beroep slaagt niet.

Blijkens artikel 9.1 van de koopovereenkomst zijn alle werknemers met ingang van de overdrachtsdatum van rechtswege overgegaan op Boender, zodat alle werknemers daarmee in dienst zijn gekomen van Boender. Dat geldt ook voor [A]. De rechtbank constateert dat de brief van 3 januari 2007 de mededeling bevat dat Albert Heijn [A] een dienstverband aanbiedt. Niet is komen vast te staan dat [A] op enig moment dat aanbod heeft aanvaard. Op grond daarvan kan [A] derhalve niet in dienst van Albert Heijn zijn gekomen. Evenmin valt in de brief van 3 januari 2007 op voorhand al een einddatum van de arbeidsrelatie, zoals Boender aanvoert, te lezen. De brief bevat enkel de mededeling dat gestreefd zou worden naar werkhervatting door outplacement gedurende zes maanden.

De stelling van Boender dat [A] op grond van de brief van 3 januari 2007 is uitgegaan van een dienstverband met Albert Heijn en dat [A] verwachtte dat Albert Heijn dat dienstverband eenzijdig zou beëindigen na zes maanden als hij de brief zou ondertekenen, kan haar niet baten. Nog afgezien van de onjuistheid van de verwachtingen die, naar de stelling van Boender, bij [A] leefden, heeft Boender voorts onvoldoende onderbouwd op grond waarvan zij rechten ontleent aan die verwachtingen.

4.8. Voorts heeft Boender betoogd dat Albert Heijn beter met Boender had moeten

communiceren over de hele gang van zaken en dat Albert Heijn Boender als medecontractant bij haar pogingen tot tewerkstelling van [A] en de daarmee gepaard gaande communicatie met [A] rekening diende te houden met de gerechtvaardigde belangen van Boender. Boender is niet bij de besprekingen tussen Albert Heijn en [A] betrokken en voorts heeft de handelwijze van Albert Heijn geleid tot een verstoorde arbeidsrelatie tussen Boender en [A], aldus Boender.

4.9. Gesteld noch gebleken is dat Albert Heijn communicatie met Boender omtrent overname van [A] heeft geweigerd. Gelet op de stelling van Albert Heijn dat zij niet direct bij de besprekingen met [A] aan hem heeft meegedeeld dat Boender zijn werkgever was, omdat zij voorzagen dat [A] met die wetenschap niet meer zou meewerken aan overname door Albert Heijn, had het op de weg van Boender gelegen om haar standpunt omtrent het ontbreken van communicatie nader te onderbouwen. Dat [A] Boender uiteindelijk heeft aangesproken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tussen hen beiden en dat [A] in de periode van 12 november 2006 tot en met 9 juli 2007 geen werkzaamheden voor Boender heeft verricht, valt Albert Heijn derhalve niet te verwijten.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Albert Heijn haar inspanningsverplichting zoals overeengekomen in de koopovereenkomst is nagekomen. Gelet hierop kan geen sprake zijn van een schadevergoedingsplicht. De overige verweren van Albert Heijn behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer. De vordering van Boender zal worden afgewezen.

4.11. Boender zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Albert Heijn worden begroot op:

- vast recht 870,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.028,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Boender in de proceskosten, aan de zijde van Albert Heijn tot op heden begroot op EUR 2.028,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2008.?