Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD3891

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
146458 / KG ZA 08-292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag in kort geding in hoeverre de gemeente is aan te spreken voor de uitvoering van de sanering van het naastgelegen fabrieksterrein en de nasleep daarvan. De bewoners vorderden voortzetting van hun tijdelijke huisvesting en een voorschot op schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft het eerste toegewezen tot 1 oktober 2008 en de beslissing op de rest van de vordering aangehouden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat overleg voorafgaand aan de sanering niet heeft kunnen plaatsvinden een rechtstreeks gevolg is van het feit dat de gemeente zonder voldoende onderzoek met sanering is begonnen en gaande de sanering door instortingsgevaar werd verrast. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat vervangende huisvesting ook de komende maanden nog noodzakelijk is. Hij heeft geoordeeld dat de kosten daarvan als schade tengevolge van gebrekkige -en dientengevolge onrechtmatige- voorbereiding van de sanering aan de gemeente is toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146458 / KG ZA 08-292

Vonnis in kort geding van 13 juni 2008

in de zaak van

1. [Eiseres 1] en [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

niet verschenen,

3. [Eiseres 2],

4. [Eiser 3],

5. [Eiser 4],

allen wonende te Krommenie

eisers,

procureur mr. P. Wieringa,

advocaat mr. K. Straathof te Alkmaar,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZAANSTAD,

zetelend te Zaandijk,

gedaagde,

advocaat mr. K.J.L. Verschoor te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de bewoners en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van eisers

- de pleitnota van de gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De bewoners zijn eigenaren van de woning van het woningenblok met de nummers 40 t/m 52 (hierna te noemen: de woningen) op de Wilhelminastraat te Krommenie.

2.2. In september 2005 is door de afdeling Realisatie Projecten van de gemeente een projectvoorstel gemaakt met betrekking tot de sanering van het voormalige fabrieksterrein van Krommenie, dat is gelegen grenzend aan de tuinen van de woningen.

2.3. Bij beschikkingen van 7 februari 2006 (hierna te noemen: het saneringsbesluit) heeft de gemeente besloten over te gaan tot sanering van het voormalig fabrieksterrein te Krommenie (hierna te noemen: het perceel). In het besluit staat onder meer het volgende:

“7. Er dienen maatregelen te worden getroffen ter beperking van overlast aan derde (bijvoorbeeld door aan-en afvoer van grond, lawaai, stof en trillingen).”

2.4. Bij brief van 8 februari 2006 heeft [ambtenaar 1] van de gemeente een afschrift van het saneringsbesluit aan de bewoners gestuurd.

2.5. Op 22 juni 2006 is door bbci Frijwijk een vooropname verricht van de woningen, waarna meetbouten zijn geplaatst. De saneringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden tussen juli 2006 en augustus 2007.

2.6. Door de bewoners zijn tijdens de saneringswerkzaamheden ernstige zettingen van hun woningen geconstateerd. Bij brieven van 14 januari 2007 is de gemeente door de bewoners aansprakelijk gesteld voor de schade aan hun woningen.

2.7. In september 2007 heeft de gemeente opdracht gegeven aan Van der Wal & Joosten om onderzoek te verrichten naar de door de bewoners gestelde schade. Van der Wal & Joosten heeft geconcludeerd dat er geen schade aan de woningen van de bewoners was ontstaan als gevolg van de sanering.

2.8. In januari 2008 heeft de gemeente, die een second opinion wenste, opdracht gegeven aan Deltares om onderzoek te verrichten naar de schade.

2.9. In januari 2008 heeft de gemeente Ingenieursbureau DHV (hierna te noemen: DHV) opdracht gegeven om de woningen bouwkundig te beoordelen. Bij brief van 31 januari 2008 heeft DHV onder meer het volgende geschreven:

“Op basis van voorgaande bevindingen concluderen wij dat de fundering onder de bouwkundige eenheid 40 t/m 52 is bezweken. Wij adviseren u dringend, zo spoedig mogelijk maatregelen te nemen om de veiligheid van de eigenaren/bewoners te waarborgen en de bouwkundige eenheid te voorzien van een nieuwe fundering.”

2.10. Op 31 januari 2008 heeft de gemeente de bewoners laten in verband met acuut instortingsgevaar van hun woningen laten ontruimen en voor hen vervangende huisvesting georganiseerd in door haar voor de bewoners gehuurde stacaravans die waren geplaatst op het terrein grenzend het perceel waarop de woningen zijn gelegen.

2.11. Bij brief van 5 februari 2008 heeft mr. Straathof , namens eisers, de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade aan de woningen van de bewoners.

2.12. Bij faxbericht van 19 februari 2008 aan mr. Straathof heeft [ambtenaar 2] van de gemeente onder meer het volgende geschreven:

“De beredderingskosten voor opvang van bewoners van de Wilhelminastraat 40-52, voor de periode van 31 januari tot en met het verschijnen van het rapport van Deltares (eind maart: uitslag schuldvraag), zijn voor rekening voor de gemeente Zaanstad.”

2.13. Bij brief van 20 februari 2008 aan ([ambtenaar 2] van) de gemeente heeft mr. Straathof verzocht om een bespreking tussen eisers en de gemeente. Deze bespreking heeft plaatsgevonden.

2.14. Bij beschikkingen van 26 februari 2008 (hierna te noemen: het funderingherstelbesluit) heeft de gemeente besloten over te gaan tot funderingsherstel. Daarbij heeft zij de bewoners aangezegd dat de kosten van bestuursdwang en herstel voor hun eigen rekening komen. Zij heeft Driehouck B.V. opdracht gegeven de fundering te herstellen. De kosten van het funderingsherstel zijn voorlopig voor rekening van de gemeente gekomen.

2.15. Op 1 april 2008 is door Deltares (prof. ing. A.F. van Tol en ir. ing. V. Veenbergen) het rapport “Deskundigenonderzoek woningen Wilhelminastraat te Krommenie” overgelegd (hierna te noemen: het rapport Deltares). In het rapport Deltares staat onder meer het volgende:

“Samenvatting rapport”

(…)

Ondanks dat de werkzaamheden zorgvuldig zijn uitgevoerd hebben, heeft de sanering toch enige invloed gehad op de omgeving in de vorm van te trillingen en grondwaterverlaging door het ontgraven van de gashouders en de bemaling van de Groote Weiver. Ondanks dat de invloed van de werkzaamheden gering was, waren de zakkingen van enkele woningen relatief groot door de slechte staat van fundering.

Doordat de gemeente niet ruim voorafgaand aan de werkzaamheden hoogtebouten heeft geplaatst en laten meten kan de grootte van het autonome zakkingsproces slechts bij benadering worden vastgesteld. Het is het meest waarschijnlijk dat de toename van de scheefstand gedurende de werkzaamheden voor ongeveer 70 % is veroorzaakt door de werkzaamheden en voor het overige gedeelte door het autonomen zakkingsproces. De bijdrage van de werkzaamheden aan de huidige (totale) scheefstand van de woningen ligt in de orde van 15 %. De rest is het gevolg van het autonome zakkingsproces en dus van de slechte fundering. De percentages verschillen voor de woningen in geringe mate. De initiële scheefstand van de panden had voor de Gemeente aanleiding kunnen zijn om de hoogtebouten wel eerder te plaatsen en te meten.”

Het rapport Deltares is op 9 april 2008 aan de bewoners getoond.

2.16. In opdracht van de bewoners heeft voormalig geometrisch adviseur van de gemeente Amsterdam D.W. Maagdelijn (Maagdelijn) de situatie onderzocht. Bij brief van 12 april 2008 heeft hij onder meer het volgende geschreven:

“Indien bovengenoemde mogelijke oorzaak van toepassing is op de betrokken panden dan kan overduidelijk worden gesteld dat de hoofdoorzaak van de tijdens (en/of na) de sanering opgetreden verzakkingen voornamelijk zijn veroorzaakt door deze sanering en niet door de slechte kwaliteit van het paalhout. Met andere woorden indien er geen sanering had plaatsgevonden dan hadden de thans opgetreden extra verzakkingen vermoedelijk pas over 25 à 50 jaar opgetreden, dan wel in veel mindere mate.”

2.17. In opdracht van de gemeente is door Bureau Berenschot onderzoek verricht naar de gang van zaken. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport “Het verloop van het proces rondom de sanering van het voormalige gasfabriekenterrein te Krommenie” opgesteld d.d. 14 april 2008 (hierna te noemen: het rapport Berenschot).

In het rapport Berenschot staat onder meer het volgende:

“De gemeente had een aantal zaken in de procesgang beter moeten laten meewegen. Dit betreft de aandacht voor de technische staat van de huizen en de funderingen zowel vooraf als gedurende de sanering. De aandacht bij het toezicht lag vooral op milieuaspecten en de uitvoering van het werk en niet zozeer op technische staat van woningen De keren dat de afdeling Handhaving geïnformeerd werd, was de insteek vanuit milieu en niet vanwege de bouwtechnische staat van de woningen. Binnen die afdeling zijn de signalen overigens niet verspreid naar het gebruikstoezicht. De gemeente heeft in dit verband weinig gedaan met signalen van de bewoners. Ook in het projectplan van de afdeling Realisatie Projecten werd de kans op onaanvaardbare zettingen van de huizen hoog ingeschat. Er zijn geen vooropnames waarbij de staat van de funderingen is onderzocht. De gemeente had bij de vooropnames ook aandacht kunnen (laten) besteden aan de scheefheid om de staat van de woningen te bepalen. Ook was het wellicht verstandig geweest voor aanvang van de werkzaamheden meetbouten te plaatsen aan de achtergevel van de woningen. De gemeente had dus geen betrouwbaar beeld hoe slecht de huizen ervoor stonden bijaanvang van de sanering. Hoewel volgens de Woningwet de toestand van de funderingen een verantwoordelijkheid is van de eigenaars had de gemeente vanuit haar verantwoordelijkheid conform de Woningwet de signalen beter kunnen oppakken en beter toe kunnen zien op de staat van de woningen.”

2.18. Bij brief van 29 april 2008 aan mr. Straathof (welke brief op 7 mei aan de bewoners is verzonden en op 8 mei door hen is ontvangen) is namens de gemeente onder meer het volgende geschreven:

“De aannemer verwacht rond 20 mei het funderingsherstel te voltooien. De woningen dienen dan nog praktisch voor bewoning geschikt gemaakt te worden. Daarom (…) draagt de gemeente Zaanstad de huisvestingskosten van uw cliënten tot 1 juni.”

2.19. Op 8 mei 2008 is door Deltares een aanvullende rapportage opgesteld (hierna te noemen: het aanvullend rapport Deltares). In het aanvullend rapport Deltares staat onder meer het volgende:

“De grootte van het autonome zakkingsproces van de voorgevels van de panden 40 t/m 52 bedroeg in de periode 1978-2006 1,8 tot 2,4 mm/jaar. De snelheid waarmee de achtergevels in dezelfde periode verzakten bedroeg 2.5 tot 10 mm/jaar. Vervolgens is afgeleid dat de toename van de scheefstand gedurende de werkzaamheden voor ongeveer 72 tot 90 % is veroorzaakt door de werkzaamheden en voor het overige door het autonome zakkingsproces. De bijdrage van de werkzaamheden aan de huidige (totale) scheefstand van de woningen ligt inde orde van 12 tot 30 %. De rest is het gevolg van het autonome zakkingsproces en dus van de slechte fundering.”

2.20. In een bespreking over het aanvullend rapport Deltares op 8 mei 2008 verzoekt eiser Vredenburg aan de wethouders […] van de gemeente om de beredderingskosten voor een langere periode te betalen dan tot 1 juni 2008.

2.21. Bij brief van 15 mei 2008 aan mr. Straathof is namens de gemeente onder meer het volgende geschreven:

“Zoals u eerder mondeling en schriftelijk is gemeld, heeft het College van Burgemeester en Wethouders t.a.v. de huiseigenaren van Wilhelminastraat 40-52 besloten om de kosten voor tijdelijke huisvesting in caravans (inclusief de kosten voor verbruik van gasflessen) en de kosten voor opslag van de inboedel op zich te nemen tot 1 juni 2008.

De gemeente heeft een contract afgesloten met de verhuurder van de stacaravans, firma Venrooy, tot 11 juni. Dat contract is onlangs van gemeentewege opgezegd vanaf 11 juni a.s. Vanwege de verwachte oplevering van de woning binnen twee weken is de verwachting dat uw cliënten voor die tijd weer de volledige beschikking hebben over hun woningen. Indien uw cliënten na 11 juni a.s. gebruik willen blijven maken van de caravans, dien zij zelf een nieuwe contract af te sluiten met de firma Venrooy.”

2.22. Bij brief van 15 mei 2008 aan de bewoners, heeft A. Steenkamp van DHV een reactie gegeven op het rapport en het aanvullend rapport van Deltares. In voormelde brief staat onder meer het volgende:

“7. Conclusie & advies

Uit voornoemde gegevens blijkt dat de sanering voor een groot deel (55%) heeft bijgedragen aan de zettingen van de woning. Wij adviseren u dan ook om de gemeente Zaanstad te verzoeken om deze gegevens in de rapportage van Deltaris te (laten) verwerken en de conclusie te herzien.”

2.23. Bij brief van 16 mei 2008 heeft mr. Straathof, namens de bewoners, de gemeente verzocht om de beredderingskosten ook na 1 juni 2008 nog te betalen en tevens verzocht om een voorschot op schadevergoeding vanwege de door de bewoners geleden en nog te lijden schade.

2.24. Bij brief van 20 mei 2008 aan mr. Straathof is namens de gemeente onder meer het volgende geschreven:

“Omdat de woningen aan de Wilhelminastraat 40 t/m 52 in strijd verkeerden met de eisen die het Bouwbesluit daaraan stelt, hebben wij bij besluit van 26 februari jl. uw cliënte, de eigenaren van de betrokken woningen, een bestuursdwangbeschikking opgelegd. Op uw uitdrukkelijk verzoek is daarbij afgezien van het stellen van een begunstigingstermijn. Wij hebben de bestuursdwang dan ook feitelijk ten uitvoer gelegd. Daarbij is van gemeentewege de overtreding van artikel 1b lid 2 van de Woningwet opgeheven. Daartoe heeft er concreet in opdracht van de gemeente definitief funderingsherstel plaatsgevonden van het woningblok Wilhelminastraat 40 t/m 52 te Krommenie.

Het herstel van de fundering is inmiddels afgerond waardoor de geconstateerde overtreding van de Woningwet is opgeheven. Vanmorgen heeft er een oplevering van de woning plaatsgevonden door aannemersbedrijf Driehouck B.V. die de werkzaamheden in onze opdracht heeft verricht. Geconstateerd is dat de funderingen van de onderhavige woningen zijn hersteld en de werkzaamheden conform de afgegeven bouwvergunning zijn uitgevoerd. De bestuursdwangbeschikking heeft hiermee zijn werking verloren.

(…)

Wij wijzen u er uitdrukkelijk op dat uw cliënten bij het herinrichten van hun woningen, gedurende enige tijd rekening moeten houden met een verhoogde luchtvochtigheid in de panden door de uitgevoerde werkzaamheden. Met name de betonvloer zal bij het leggen van een bedekking van de vloer voldoende moeten zijn gedroogd om vocht gerelateerde problemen te voorkomen. Dit is afhankelijk van het te gebruiken materiaal; stoffen vloerbedekking, steenachtig materiaal of hout e.d.“

gevel thans dusdanig is ontzet, dat de gevel als total loss kan worden beschouwd. Afgaande op de wijze waarop de woning uiteindelijk is gelift en gezien het ter plaatse aangetroffen schadebeeld concluderen wij dat de in mei 2008 aangetroffen schade een gevolg moet zijn geweest van het (geforceerd) liften van de woning.”

Ten tijde van het schrijven van de brief hadden de woningen de staat van casco.

3. Het geschil

3.1. De bewoners vorderen, na wijziging van eis buiten processueel bezwaar van de gemeente, dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente zal veroordelen om voor de bewoners vervangende woonruimte te organiseren en te betalen tot een periode van zes maanden na dagtekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de gemeente in gebreke blijft dit vonnis na te leven, alsmede dat de gemeente bij wijze van voorschot op de schadevergoeding aan de bewoners tegen bewijs van kwijting binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis een bedrag van € 20.000,- zal betalen, kosten rechtens.

3.2. De gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Kosten tijdelijke huisvesting

4.1. Vast staat dat de gemeente voorafgaand aan de start van de saneringswerkzaamheden geen goed beeld had van de staat van de woningen. Dit blijkt onder meer uit het rapport Berenschot (deels opgenomen onder 2.17), waarin wordt geconcludeerd dat de gemeente voorafgaand aan en gedurende de saneringswerkzaamheden geen, althans nauwelijks, aandacht heeft besteed aan de bouwtechnische staat van de woningen. Ook in het rapport Deltares (deels opgenomen onder 2.15) wordt geconcludeerd dat de gemeente heeft nagelaten ruim voorafgaand aan de saneringswerkzaamheden hoogtebouten aan te brengen en te meten. Aannemelijk is dat de gemeente voor een andere aanpak zou hebben gekozen indien zij dat beeld wel had gehad. Het is immers niet goed voorstelbaar dat de gemeente bewust een aanpak kiest die het risico op instorting van belendingen in zich bergt.

4.2. Het is moeilijk om achteraf vast te stellen hoe die andere aanpak zou zijn geweest. Gelet op de wijze waarop overheden in het algemeen gesproken met aangelegenheden als deze plegen om te gaan (denk aan de zgn. “palenpest problematiek”) is het niet ongerechtvaardigd om aan te nemen dat die aanpak in ieder geval zou hebben omvat: het in overleg met de bewoners vooraf maken van een plan dat zou hebben voorzien in uitplaatsing naar tijdelijke huisvesting, afspraken over wat er nodig is om de woningen weer in bewoonbare staat aan de bewoners op te leveren, financiering van een en ander met onderzoek van subsidiemogelijkheden en andere mogelijk beschikbare constructies, dit alles binnen de randvoorwaarde van draagbare lastenverzwaring voor de bewoners.

De omstandigheid dat dit overleg voorafgaand aan de sanering niet heeft kunnen plaatsvinden is, aldus bezien, een rechtstreeks gevolg van het gegeven dat de gemeente zonder voldoende onderzoek met sanering is begonnen en gaande de sanering door het opkomende instortingsgevaar werd verrast.

4.3. Het is mede aan de gemeente toe te schrijven dat dit overleg ook nadien niet heeft plaatsgevonden. Zij heeft daartoe aanvankelijk geen initiatieven genomen en na oplevering van de woningen met de sub 2.24 weergegeven brief op zodanig krasse wijze de indruk gewekt haar handen van de zaak af te trekken, dat van een klimaat voor overleg na ontvangst van die brief geen sprake meer heeft kunnen zijn.

4.4. De gemeente heeft niet betwist dat de woningen na voltooiing van het funderingsherstel in casco-staat aan de bewoners zijn opgeleverd. Aannemelijk is dat die staat sedertdien niet wezenlijk is veranderd. De gemeente heeft dit weliswaar betwist bij gebrek aan wetenschap, maar heeft (mede naar aanleiding van hetgeen de bewoners hierover op de zitting naar voren hebben gebracht) tezelfdertijd blijk gegeven van het besef dat overleg over financiering van onder meer de kosten van afbouw en herinrichting aan de daadwerkelijke uitvoering van afbouw en herinrichting vooraf zal dienen te gaan, zodat

die betwisting faalt.

Dat betekent dat vervangende huisvesting ook de komende maanden nog noodzakelijk is, niet alleen omdat de bewoners nu nog niet kunnen terugkeren, maar ook omdat zij bij gebrek aan een plan en financiering niet kunnen beginnen met de afbouw die terugkeer mogelijk moet maken (anders dan wellicht in zelfwerkzaamheid en met een budget van enkele honderden euro’s per maand voor de aanschaf van materialen).

4.5. De kosten van vervangende huisvesting gedurende de tijd die gemoeid is met het bereiken van een voor de bewoners draagbare regeling is, aldus bezien, schade die in causaal verband staat met de gebrekkige voorbereiding van de sanering. In een normaal scenario zouden deze huisvestingskosten immers niet zijn ontstaan, omdat voorafgaand aan uitvoering van de funderingsherstelwerkzaamheden zeker was gesteld dat de afbouwwerkzaamheden aansluitend zouden plaatsvinden. Het is dan ook redelijk om deze kosten als schade tengevolge van die gebrekkige -en dientengevolge onrechtmatige- voorbereiding aan de gemeente toe te rekenen.

4.6. De gemeente heeft zich erop beroepen dat over de voorbereiding van de sanering niet meer kan worden geklaagd, omdat het saneringsbesluit formele rechtskracht heeft.

Voor zover de formele rechtskracht van het saneringsbesluit zover zou gaan dat klachten over gebrekkig onderzoek van de belendingen dáárop zouden afstuiten, zijn de bezwaren daarvan in casu zodanig klemmend dat op het leerstuk een uitzondering moet worden aanvaard. Waar immers de gemeente de sanering is begonnen in de veronderstelling dat het plan op voldoende onderzoek en voorbereiding berustte en door de ernst van de gevolgen van de uitvoering van het plan voor de onderhavige woningen compleet werd verrast, zal dat a fortiori voor de bewoners gelden.

4.7. De gemeente heeft betwist dat de bewoners een spoedeisend belang hebben bij vergoeding van de huisvestingskosten. Die betwisting faalt op grond van hetgeen hiervoor is opgemerkt. Het spoedeisend belang is immers daarin gelegen dat de bewoners tengevolge van de wijze waarop de gemeente de sanering heeft voorbereid aansluitend aan het funderingsherstel niet kunnen komen tot realisatie van de afbouw van hun woningen en dus langer vervangende woonruimte nodig hebben dan zij anders zouden hebben gehad.

4.8. De gemeente heeft aangevoerd dat zij meermalen heeft aangeboden om met de bewoners individueel te spreken over hun financiële situatie, zodat gezamenlijk een oplossing kan worden gezocht om te voorkomen dat zij in financiële problemen geraken, maar dat daarop niet is ingegaan.

4.9. Voor zover de gemeente hiermee wil betogen dat de bewoners onvoldoende initiatief hebben genomen en in zoverre onvoldoende schadebeperkend hebben gehandeld, faalt dit verweer. Het is immers niet in te zien wat de bewoners hadden kunnen en moeten doen om te bewerkstelligen dat zij na 11 juni 2008 geen behoefte meer zouden hebben gehad aan tijdelijke huisvesting.

4.10. Bij de toerekening van de kosten van vervangende woonruimte als gevorderd is er wel een grens. Toerekening is niet redelijk meer zodra door een onredelijke opstelling van de bewoners meer tijd verstrijkt dan redelijkerwijs nodig is om tot afregeling van de problemen te komen. De ter zitting gedane inschatting dat het (bij een constructieve opstelling van beide kanten) in beginsel mogelijk moet zijn om eind september een regeling te hebben getroffen, is bij partijen niet op bezwaren gestuit. Dat is aanleiding om de voorziening tot dat moment toe te wijzen. De door de gemeente verlangde zekerheidstelling verdraagt zich niet met de aard van de verlangde voorzieining, het grote belang van de bewoners en de evidentie dat de gemeente voor deze kosten moet opkomen.

4.11. De gemeente heeft tenslotte terecht opgemerkt dat enig toe te wijzen bedrag gegeven de aard van het kort geding alleen het karakter kan hebben van voorschot.

Daarmee zal bij het treffen van de voorziening rekening worden gehouden.

Voorschot op schadevergoeding

4.12. Met de hierna te treffen voorziening is de onmiddellijke nood van de bewoners gelenigd. Het treffen van verdergaande voorzieningen is op dit moment niet nodig.

Daar komt bij dat de vraag of de gemeente ook aansprakelijk is voor de aan de belendingen toegebrachte schade in het bestek van dit kort geding niet eenvoudig is te beantwoorden. Aan de gemeente moet worden toegegeven dat het rapport Deltares een grondslag biedt voor de gedachte dat een substantieel deel van de inmiddels gemaakte kosten voor rekening van de bewoners zelf moeten komen en dat die gedachte ook betekenis zou kunnen hebben voor de nog te maken kosten. Daarentegen geven de bevindingen van Maagdelijn een ander beeld en ook het rapport van BouwVisie laat een van het rapport Deltares afwijkend beeld zien. Zoals de gemeente heeft aangevoerd zijn die rapportages echter niet zodanig overtuigend dat het rapport Deltares terzijde moet worden gesteld.

Dat betekent dat zonder nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige moeilijk uitspraken zijn te doen over verdeling van schade die zo stevig kunnen worden gefundeerd dat ze toekenning van een voorschot rechtvaardigen. Verder speelt in dit verband mee dat de gemeente de kosten van het funderingsherstel vooralsnog voor haar rekening heeft genomen en dus al een substantieel voorschot heeft betaald.

Afhankelijk van het verdere verloop van de contacten tussen partijen zou in kort geding een deskundigenbericht kunnen worden gelast.

Deelvonnis, aanhouding

4.13. Omdat niet uitgesloten is dat er gaande het besprekingstraject problemen ontstaan die tot vertraging leiden zal een deelvonnis worden gewezen en de zaak pro forma worden aangehouden tot 1 oktober aanstaande. Het ter zitting gedane aanbod om desgewenst bij het vastlopen van de besprekingen een bemiddelende rol te spelen wordt herhaald.

4.14. Overheden plegen gevolg te geven aan rechterlijke uitspraken. De gemeente heeft laten weten dat ook te zullen doen. Dat maakt oplegging van een dwangsom onnodig.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de gemeente om voor de bewoners vervangende woonruimte te organiseren en deze bij wege van voorschot te betalen, tot 1 oktober 2008,

5.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 oktober 2008 PRO FORMA.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2008.?