Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD3341

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
129609 - HA ZA 06-1417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen bewijs van de stelling dat toestemming is gegeven voor een overboeking van een bedrag van EUR 200.000,- bij wijze van lening. Evenmin sprake van stilzwijgende bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 129609 / HA ZA 06-1417

Vonnis van 23 april 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MONOGRAM COMMUNICATION STRATEGIES (MCS) B.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. S.I. van der Staal,

advocaat mr. F.C.C. Wester te Alkmaar,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Oostzaan,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. D.W. Giltay Veth te Nieuw Vennep.

Partijen zullen hierna MCS en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 mei 2007 met de daarin genoemde processtukken,

- de brief van mr. Wester van 30 juli 2007 aan de rechtbank met de daarin genoemde stukken,

- de akte zijdens [gedaagde] van 6 augustus 2007 met producties 4 tot en met 6,

- de akte zijdens [gedaagde] van 15 augustus 2007 met productie 7,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 september 2007,

- de conclusie na enquête zijdens [gedaagde] van 17 oktober 2007,

- de antwoordconclusie na enquête zijdens MCS van 14 november 2007, met producties 13 tot en met 15,

- de op 12 maart 2008 gehouden pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen zijdens [gedaagde] en MCS.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. Bij tussenvonnis van 16 mei 2007 is [gedaagde] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [A] hem op 26 september 2002 toestemming heeft verleend tot het uitvoeren van een overboeking ter grootte van € 200.000,- van de bankrekening van MCS naar de bankrekening van Datateam met als betalingsomschrijving: interne ov B (hierna: de overboeking). [gedaagde] heeft vervolgens zichzelf en [A] als getuigen doen horen. MCS heeft geen getuigen in contra-enquête naar voren gebracht.

2.2. Als getuige heeft [gedaagde] – voorzover relevant en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Voorafgaand aan de overboeking heeft hij [A] telefonisch benaderd. Hij heeft [A] verzocht of hij voor de korte termijn een bedrag van MCS mocht gebruiken. Op de vraag van [A] hoeveel het betrof, heeft hij geantwoord dat het afhankelijk was van de liquiditeitsruimte van Datateam welke pas later die maand inzichtelijk zou worden. [A] heeft akkoord gegeven, zonder hierbij een maximum bedrag te noemen, mits het voor heel korte termijn was. Nadat [A] geconfronteerd werd met de overboeking heeft [A] telefonisch contact met hem opgenomen en hem medegedeeld dat het bedrag zo snel mogelijk terug gestort moest worden naar de rekening van MCS. [A] heeft in dit gesprek te kennen gegeven dat hij de hoogte van het bedrag betreurde en het feit dat dit niet van te voren was besproken. Vervolgens heeft hij

€ 100.000,- teruggestort naar de rekening van MCS omdat het de afspraak was dat het bedrag zo spoedig mogelijk terug zou komen. Hij heeft aan [A] te kennen gegeven dat hij er als directeur van Datateam voor zou zorgen dat de resterende € 100.000,- ook zou worden teruggestort aan MCS. Hij meende hiertoe een morele verplichting te hebben, aldus steeds [gedaagde] als getuige.

2.3. Als getuige heeft [A] – voorzover relevant en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. [gedaagde] heeft toestemming gevraagd noch gekregen voor de overboeking. Nadat [A] de overboeking op een rekeningafschrift ontdekte, was hij onaangenaam verrast en heeft hij telefonisch contact gezocht met [gedaagde]. [gedaagde] heeft toegezegd het bedrag op zo kort mogelijke termijn terug te storten, waarbij hij niets heeft gezegd over een toestemming van hem, [A], voor de overboeking. MCS heeft in de daarop volgende maand van [gedaagde] twee keer € 50.000,- op haar bankrekening ontvangen. Later heeft MCS nog twee relatief kleine deelbetalingen van [gedaagde] ontvangen, in totaal € 7.750,- . Gezien hun goede vertrouwensrelatie ging hij er vanuit dat [gedaagde] persoonlijk garant stond voor terugstorting van het resterende bedrag. Het vermelden van € 100.000,- als ‘lening u/g Datateam’ in MCS’ jaarrekening over 2002 en 2003 is bedacht door de accountant van MCS. Hij heeft de mogelijke consequenties voor de vennootschapsbelasting niet met hem besproken. Het faillissement van Datateam kwam onverwacht voor MCS en hemzelf, aldus steeds [A] als getuige.

2.4. In aanvulling op de getuigenverhoren heeft [gedaagde] producties 4 tot en met 7 in het geding gebracht. [gedaagde] betoogt primair dat ook hieruit blijkt dat [A] aan [gedaagde] toestemming heeft gegeven voor de overboeking en voert hiertoe het volgende aan. Uit de als productie 4 overgelegde brief van de accountant van MCS en de jaarcijfers van MCS over de jaren 2002 en 2003 blijkt dat in de jaarcijfers van MCS het nog na terugbetaling door [gedaagde] resterende bedrag van € 100.000,- als ‘lening u/g Datateam’ is opgenomen. Daarnaast is in beide jaarrekeningen een accountantsverklaring opgenomen waaruit volgt dat de jaarrekeningen zijn opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de vennootschap. Hoewel [A] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard dat hij zich laat leiden door zijn accountant, is dit in tegenspraak met een e-mail van de accountant gedateerd op 21 december 2004 waarin hij een door [A] gewijzigde versie van de jaarrekening aan [gedaagde] stuurt. Uit de als productie 5 overgelegde weergave uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende de vennootschappelijke balans van MCS over 2002, blijkt dat de jaarrekening na vaststelling is gedeponeerd.

De toestemming voor de overboeking volgt ook uit de als productie 6 overgelegde beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 19 juni 2007, waarbij het verzoek van MCS tot het leggen van conservatoir loonbeslag ten laste van [gedaagde] wordt afgewezen. De voorzieningenrechter achtte het voorshands niet onaannemelijk dat de bodemrechter (mede) op grond van de boekhoudkundige verwerking van de overboeking als ‘lening’ aan Datateam tot de slotsom zou komen dat MCS geacht moet worden de toestemming voor de overboeking achteraf aan [gedaagde] te hebben gegeven. Tot slot is blijkens het als productie 7 overgelegde rapport betreffende het boekjaar 2003 van MCS een voorziening van € 100.000,- op de balans getroffen, wederom onder de vermelding van ‘lening u/g Datateam’. Aldus steeds [gedaagde].

2.5. De rechtbank is van oordeel dat het opgedragen bewijs niet is geleverd. [gedaagde] heeft weliswaar verklaard dat hij toestemming van [A] heeft gekregen voor de overboeking, maar dat is door [A] als getuige weersproken. In artikel 164 lid 2 Rv ligt besloten dat de verklaring van een partijgetuige slechts bewijs in zijn voordeel op kan leveren, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. De vermelding van het tussen MCS en [gedaagde] na gedeeltelijke terugbetaling door [gedaagde] nog openstaande bedrag van € 100.000,- in de jaarrekening als ‘lening u/g Datateam’ is daartoe ontoereikend. Het enkel uit fiscale overwegingen opnemen van een voorziening in de jaarrekening van een onbevoegdelijk gedane overboeking heeft niet tot gevolg dat MCS daardoor achteraf geacht kan worden alsnog haar toestemming in de zin van artikel 3:35 BW te hebben gegeven tot het verrichten van de overboeking.

2.6. Subsidiair betoogt [gedaagde] dat de overboeking is bekrachtigd in de zin van artikel 3:69 BW door het opnemen van een lening ter grootte van het nog openstaande bedrag van

€ 100.000,- in de jaarrekening van MCS over 2002 en 2003. Dit verweer wordt eveneens verworpen. Met MCS is de rechtbank van oordeel dat het opstellen van een conceptjaarrekening en het vervolgens goedkeuren hiervan uitsluitend interne werking heeft binnen MCS en dat deze handelingen niet de strekking hebben de onbevoegd in naam van MCS door [gedaagde] verrichte overboekingen geldig te maken.

2.7. Hoewel een bekrachtiging ook stilzwijgend kan plaatsvinden en besloten kan liggen in de gedragingen van de vertegenwoordigde, is hiervan – alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen – in het onderhavige geval geen sprake. Integendeel, uit de getuigenverklaring van [A] kan worden afgeleid dat hij direct nadat hij de overboeking ontdekte, contact heeft opgenomen met [gedaagde] en onmiddellijke terugstorting heeft geëist. [gedaagde] heeft toen binnen drie weken twee keer een bedrag van € 50.000,-, in totaal € 100.000,- teruggeboekt naar de bankrekening van MCS, met als omschrijving ‘deelbetaling’. Na het faillissement van Datateam op 10 december 2002 heeft [gedaagde] in privé nog twee kleinere bedragen teruggestort naar MCS. Voorts ligt het niet voor de hand dat MCS beoogd heeft te kennen te geven alsnog akkoord te gaan met een onbevoegd namens haar gedane overboeking nadat Datateam reeds op 10 december 2002 was gefailleerd.

2.8. Ook het betoog van [gedaagde] dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat MCS de overboeking achteraf heeft bekrachtigd, omdat MCS pas vier jaar na dato juridische stappen heeft ondernomen, faalt nu [A] onweersproken heeft verklaard dat tussen hem en [gedaagde] een goede vertrouwensrelatie bestond en dat hij er vanuit ging dat [gedaagde] persoonlijk ervoor garant stond dat het restant aan MCS zou worden teruggestort.

2.9. Het voorgaande betekent dat het gevorderde in hoofdsom op de primair daarvoor aangedragen grondslagen kan worden toegewezen, zodat op het onderdeel van de bestuurdersaansprakelijkheid niet meer behoeft te worden ingegaan. Tegen de gevorderde rente is geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat ook dit deel van de vordering kan worden toegewezen.

2.10. MCS vordert tevens [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 664,95 voor verschotten en € 2.842,00 voor salaris procureur (2 rekesten x € 1.421,00).

2.11. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van MCS worden begroot op:

- dagvaarding € 84,87

- vast recht 2.510,00

- getuigenkosten 20,00

- salaris procureur 7.105,00 (5,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 9.719,87

in reconventie

2.12. De door [gedaagde] gevorderde opheffing van het conservatoir beslag op zijn aandelen in de besloten vennootschap A.C. Van Born Holding B.V. zal worden afgewezen aangezien de vordering in conventie zal worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat MCS aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden schade als gevolg van de door MCS gelegde conservatoire beslagen.

2.13. Het conservatoir beslag op de onroerende zaak van [gedaagde] gelegen aan […] is reeds opgeheven. [gedaagde] heeft dan ook geen belang meer bij de vordering tot opheffing van dit beslag, zodat ook dit onderdeel van het door hem gevorderde zal worden afgewezen.

2.14. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van MCS worden begroot op:

- salaris procureur € 452,00 (2,0 punt × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal € 452,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan MCS te betalen een bedrag van € 114.142,24 (éénhonderdveertienduizendéénhonderdtweeënveertig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van € 113.995,10 vanaf 6 oktober 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.506,95,

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van MCS tot op heden begroot op € 9.719,87,

3.4. verklaart vorenstaande betalings- en kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.5. wijst het gevorderde af,

3.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van MCS tot op heden begroot op € 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, mr. M.J. Smit en mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.?