Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD3044

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
07/7737
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Kosten in verband met resultaat uit overige werkzaamheden: opnemen van kosten in aangifte ionvoldoende om aannemelijk te maken dat verzoek als bedoeld in artikel 3.15 van de Wet IB 2001. Parkeerkosten vallen onder het forfaitaire bedrag van € 0,18 voor vervoerskosten genoemd in artikel 3.17, lid 1 van de Wet IB 2001. Premie kapitaalsverzekering vormen geen kosten van geldlening ten behoeve van de eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/7737

Uitspraakdatum: 3 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan eiser is voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.889 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.872. Daarbij is voorts bij afzonderlijke beschikkingen een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 567 en heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 611.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2007 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.656 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 410. De verzuimboete is daarbij verminderd tot een bedrag van € 340 en de heffingsrente tot een bedrag van € 186.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 9 november 2007, ontvangen bij de rechtbank op 14 november 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008.

1.7. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. A, bijgestaan door B.

1.8. Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser genoot in 2005 de volgende inkomsten uit dienstbetrekking:

Periode: werkgever: loon: loonheffing:

01/01/2005 – 31/05/2005 C € 51.062 € 22.533

01/06/2005 – 31/12/2005 D € 43.169 € 16.820

Totaal € 94.231 € 39.353

2.2. Van D ontving eiser tevens een reiskostenvergoeding van € 2.291. Daarnaast genoot eiser in 2005 inkomsten van E B.V. te Q tot een bedrag van

€ 3.978 als redactiesecretaris en auteur voor het tijdschrift F.

2.3. De kosten die eiser heeft opgevoerd in verband met zijn werkzaamheden als redactiesecretaris, bestaan uit de volgende:

voeding, drank en genotmiddelen € 313,80

autokosten

-kilometers € 531,50

-parkeerkosten € 42,79

reiskosten openbaar vervoer € 18,30

internetaansluiting € 275,40

overige kosten € 20,03

Totaal €1.201,82

In verband met zijn werkzaamheden als auteur heeft eiser een bedrag aan kosten opgevoerd van € 921,05.

2.4. Op of omstreeks 1 september 2003 heeft eiser een lening van € 350.000 afgesloten voor de koop van de woning aan de a-straat 1 te Z. Deze woning vormt voor eiser het hoofdverblijf. De rente op deze lening bedraagt in het onderhavige jaar

€ 19.445.

2.5. Het bedrag van de lening is als volgt besteed. Van de lening is een bedrag van € 18.750 ondergebracht in een verbouwingsdepot bij G B.V. op rekeningnummer 00000, waarop in 2005 een bedrag van € 998 aan rente is vergoed.

Een bedrag van € 8.500 ziet op aanschaf van roerende zaken, en een bedrag van € 3.879,52 is aan eiser uitbetaald. De rest van genoemd leningbedrag ad € 318.870,48 ziet rechtstreeks op verwerving van de eigen woning.

2.6. Eiser beschikte in 2005 over de volgende totaalsaldi bij financiële instellingen:

Saldo 01/01/05 saldo 31/12/05

€ 94.034 € 38.121

In genoemde saldi is begrepen het saldo van bovengenoemd verbouwingsdepot, dat op genoemde data bedroeg:

€ 20.012 € 21.011

3. Geschil

In geschil is:

- tot welk bedrag eiser recht heeft op aftrek van kosten in verband met resultaat uit overige werkzaamheden;

- op welk bedrag de schuld eigen woning moet worden gesteld;

- of recht bestaat op aftrek van de premies betaald voor de kapitaalverzekering eigen woning;

- of terecht een verzuimboete is opgelegd;

- of terecht en tot het juiste bedrag heffingsrente in rekening is gebracht.

4. Beoordeling van de geschilpunten

Aftrekbare kosten resultaat uit overige werkzaamheden

4.1. Verweerder heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de inkomsten als redactiesecretaris eveneens kwalificeren als resultaat uit overige werkzaamheden, zodat de kosten dienaangaande in beginsel aftrekbaar zijn. De rechtbank ziet geen reden van dit nader ingenomen standpunt af te wijken, zodat het gelijk in zoverre aan eiser is. Van de door eiser opgevoerde kosten in verband met zijn werkzaamheden als redactiesecretaris is een bedrag van € 500,95, niet geaccepteerd, namelijk € 313,80 aan uitgaven voor voeding, drank en genotmiddelen en een bedrag van € 187,15 aan genoemde autokosten.

4.2. Eiser bepleit aftrek van een bedrag van € 313,80 aan voedsel drank en genotmiddelen. Daarnaast bepleit eiser aftrek van een bedrag van € 56,40, welk bedrag ziet op reis- en verblijfskosten met betrekking tot een congres waarvan verslag is gedaan in het blad waarvan eiser redactiesecretaris is. Eiser bepleit in dit verband voorts een aftrekpost van € 86,40 voor autokosten in verband met bezoek van een oratie.

4.3. Ingevolge art. 3.15, lid 1, onderdeel a, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet), tekst 2005, komen kosten die verband houden met voedsel, drank en genotmiddelen niet in aftrek tot een bedrag van € 4.000. Ingevolge het tweede lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel c, van genoemde bepaling komen voorts niet in aftrek tot genoemd drempelbedrag reis- en verblijfskosten met betrekking tot congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen etc. Het vijfde lid van art. 3.15 van de Wet bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in het eerste lid genoemde posten, voor 75% in aftrek komen indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest. Nu de genoemde kosten vallen onder het eerste lid, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van zo’n verzoek.

4.4. Ter zitting heeft verweerder alsnog in aftrek geaccepteerd genoemd bedrag van € 86,40 voor een bezoek door eiser aan een oratie in verband met zijn werkzaamheden als redactiesecretaris. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken, en volgt verweerder in zijn opvatting dat de door eiser bezochte oratie niet onder de begrippen “congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke”, kan worden gerangschikt. Het beroep is in zoverre gegrond.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het aangiftebiljet IB/PVV 2005 voor de rest van genoemde kostenposten een verzoek is gedaan als bedoeld in 3.15, lid 5 van de Wet. Weliswaar heeft eiser een aangiftebiljet overgelegd waarin aftrek is geclaimd van de in het eerste lid genoemde kostenposten, maar uit het aangiftebiljet en hetgeen eiser in dit verband voor het overige heeft opgemerkt, kan niet worden opgemaakt dat eiser met het aldus opvoeren van kosten heeft verzocht de genoemde kosten voor 75% in aftrek te brengen. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het in de aangifte opgevoerde bedrag 75% bedraagt van de totale in dit verband gemaakte kosten. Aftrek is in zoverre terecht geweigerd, zodat het gelijk op dit punt aan verweerder is. Beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een verzoek “bij de aangifte” als de aangifte niet binnen de gegeven termijn is ingediend, kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.

4.6. Met betrekking tot de door eiser in aftrek gebrachte en door verweerder in aftrek geweigerde parkeerkosten ten bedrage van € 42,79, stelt verweerder zich op het standpunt dat dit bedrag moet worden geacht te zijn begrepen in het forfaitaire bedrag van € 0,18 per kilometer, als bedoeld in artikel 3.17, lid 1 aanhef en onderdeel b van de Wet (tekst 2005), zodat voor een afzonderlijke aftrek dienaangaande geen plaats meer is.

4.7. Ingevolge genoemde bepaling komen in aftrek tot een bedrag van € 0,18 per kilometer, kosten en lasten die verband houden met tot het privévermogen van de belastingplichtige behorende vervoermiddelen. Deze aftrekbeperking stamt uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en is nagenoeg ongewijzigd overgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Er is daarbij geen inhoudelijke wijziging beoogd. Met de woorden "die verband houden met" in de aanhef van art. 3.17, lid 1 van de Wet, beoogde de wetgever aan te geven dat kosten en lasten in ruime zin moeten worden opgevat (Kamerstukken, 20 874, nr. 3, p. 8.). Hieronder vallen bijvoorbeeld ook de kosten van stalling (garage) en kosten van transport van de auto door een ander vervoermiddel, zoals een veerboot.

'Het bedrag van ten hoogste (rechtbank: maximering is vervallen bij wet van 21 december 1989, Stb. 1989, 582) 44 cent per km is de bovengrens van de aftrekbaarheid van alle met de auto samenhangende kosten (de integrale autokosten) en bestrijkt dus bij voorbeeld mede de kosten van stalling (garage) en van het transport van de auto door een ander vervoermiddel, zoals een veerboot.' (Kamerstukken, 20 874, nr. 3, p. 13.)

4.8. Gelet op de hieruit blijkende ruime reikwijdte, hetgeen ook wordt bevestigd in de door de wetgever in dit verband gegeven voorbeelden, vallen de onderhavige parkeerkosten onder de normering, zodat ook op dit punt het gelijk aan verweerder is en afzonderlijke aftrek dienaangaande niet mogelijk is (vgl. HR 28 juni 1995, 30.255, rechtsoverweging 3.2, BNB 1995/335).

4.9. Gelet op het voorgaande is terecht niet in aftrek toegelaten een bedrag van € 414,55 (313,80 + 57,96 + 42,79). Van kosten die verband houden met de werkzaamheden als redactiesecretaris, wordt alsnog geaccepteerd een bedrag van € 787,27 (€ 1.201,82 minus

€ 414,55). Het bedrag aan aftrekbare kosten in verband met resultaat uit overige werkzaamheden bedraagt derhalve:

Kosten auteurswerkzaamheden: € 921,05

Kosten redactiesecretaris: € 787,27

€ 1.708,32

Eigen woningschuld

4.10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eigen woningschuld € 322.750 bedraagt en stelt daartoe dat uitgaven aan roerende zaken ad € 8.500 en het saldo van het verbouwingsdepot ad € 18.750, niet tot de eigen woningschuld behoren. De renteaftrek bedraagt 322.750/350.000 * 19.445 = € 17.932, aldus verweerder. Het aan eiser uitbetaalde bedrag van € 3.879,52 kan volgens verweerder tot de eigen woningschuld worden gerekend nu eiser daarmee uitgaven heeft gefinancierd die rechtstreeks verband houden met de eigen woning van eiser. Nu in de uitspraak op bezwaar slechts een bedrag van € 15.471 aan rente in aftrek is toegelaten, is het beroep in zoverre reeds gegrond. Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt.

4.11. Ingevolge artikel 3.120 van de Wet behoren tot de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigen woningschuld. Onder eigen woningschuld wordt ingevolge art. 3.119a, leden 1 en 3 van de Wet - voor zover hier van belang - verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving dan wel voor verbetering of onderhoud van een eigen woning.

4.12. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het in het verbouwingsdepot aangehouden saldo niet als eigen woningschuld kan worden aangemerkt (vgl. HR 22 oktober 2004, 39.082, BNB 2005/135). Zoals eiser ter zitting ook heeft bevestigd, staat vast dat het verbouwingsdepot tot en met 2005 niet is aangesproken. Gesteld noch gebleken is voorts dat kosten van verwerving, onderhoud of verbetering ten laste van een andere rekening van eiser zijn gekomen. Er is dus evenmin grond om aan te nemen dat genoemde kosten indirect ten laste van genoemd verbouwingsdepot zijn gekomen.

4.13. Voorts is terecht een bedrag van € 8.500 niet geaccepteerd omdat het uitgaven voor roerende zaken betreft. Voor het overige heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat kosten zijn gemaakt die in de eigen woningschuld tot uitdrukking moeten worden gebracht. Reis- en brandstofkosten in verband met het zoeken naar een woning en uitgaven voor lidmaatschap van de Consumentenbod en de Vereniging eigen huis en de rechtsbijstandverzekering van eiser, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.

4.14. Zoals verweerder naar voren heeft gebracht brengt het voorgaande een vermindering van het box III inkomen met zich omdat het niet geaccepteerde deel van de hypotheekschuld ad € 27.250 als box III-schuld in aanmerking moet worden genomen. Verweerder bepleit het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nader vast te stellen op € 759. In de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen reeds verminderd tot een bedrag van € 410. Verhoging van de aanslag is thans niet mogelijk. Een beroep op interne compensatie in verband met bovengenoemde verminderingen van het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder niet gedaan, zodat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal worden gehandhaafd.

Premie kapitaalverzekering

4.15. Eiser stelt dat de premies die hij heeft betaald voor de kapitaalverzekering eigen woning dienen te worden beschouwd als kosten van geldlening als bedoeld in art. 3.120 van de Wet. Daartoe betoogt eiser dat het afsluiten van de kapitaalverzekering een noodzakelijke voorwaarde vormde voor het verkrijgen van de geldlening voor de woning. De rechtbank verwerpt deze stelling van eiser. De premies houden primair verband met de kapitaalverzekering en zijn slechts indirect gerelateerd aan de geldlening. Met de premies wordt kapitaal opgebouwd en als tegenprestatie is eiser voorts verzekerd tegen risico’s die opbouw van het benodigde kapitaal in de weg zouden kunnen staan, zoals het risico van overlijden. De premies vormen derhalve geen kosten van de geldlening.

Huurwaardeforfait

4.16. Eiser heeft zich voorts ter zitting op het standpunt gesteld dat voor de berekening van het huurwaardeforfait is uitgegaan van een onjuiste WOZ-waarde. Verweerder heeft daartegenover een renseignement overgelegd waaruit blijkt dat voor het onderhavige jaar is uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning van eiser per 1 januari 2003, ten bedrage van € 280.000. Nu eiser zijn standpunt dienaangaande niet nader heeft onderbouwd en ook niet heeft aangegeven dat te kunnen doen, zal de rechtbank op dit punt verweerder volgen.

Verzuimboete

4.17. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de verzuimboete kan vervallen omdat hij aannemelijk acht dat eiser de aanmaning tot het doen van aangifte niet heeft ontvangen. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken en zal verweerder in zijn nader standpunt volgen, met dien verstande dat de beschikking waarbij de verzuimboete is vastgesteld zal worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.

Heffingsrente

4.18. De heffingsrente zal overeenkomstig de vermindering van het bedrag van de aanslag worden verminderd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verdere vermindering.

Slotsom

4.19. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond zal worden verklaard.

Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal worden verminderd tot een bedrag van:

Loon C: € 51.062

Loon D: € 43.169

Loon: € 94.231

Inkomsten E: € 3.978

Kosten: € 1.708,32

Resultaat uit overige werkzaamheden: € 2.269,68

Eigen woningforfait 0,6% * 280.000: € 1.680

Rente eigen woningschuld: € 17.932

Inkomsten eigen woning: -/- € 16.252

€ 80.248,68

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal worden gehandhaafd. De heffingsrente zal overeenkomstig de vermindering van de aanslag worden verminderd. De verzuimboetebeschikking zal worden vernietigd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op reis- en verblijfskosten tot een bedrag van € 5.

Kosten van aangetekende verzending komen op de voet van genoemd Besluit niet voor vergoeding in aanmerking.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.248,68, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 410, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- vernietigt de beschikking met betrekking tot de verzuimboete;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 5, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mrs. R.G. Kemmers en C.J. Hummel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.