Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD2991

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
07/4155
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM4225, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geslaagd beroep op gelijkheidsbeginsel. Ongelijke behandeling tussen belastingplichtigen die een partner hebben en in het jaar van 65 worden uitsluitend inkomen uit AOW-uitkering genieten en door middel van een voorlopige teruggave hebben verzocht om uitbetaling van de heffingskorting en belastingplichtigen die onder dezelfde omstandigheden met aanvragen van uitbetaling hebben gewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1198
FutD 2008-1221

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/4155

Uitspraakdatum: 24 april 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiseres,

en

de inspecteur, Belastingdienst R / kantoor P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft voor eiseres voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vastgesteld (hierna: IB/PVV), waarbij hij aan eiseres uitbetaling van € 95 heffingskorting toekent.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 mei 2007 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 22 juni 2007, ontvangen bij de rechtbank op

27 juni 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft bij brief van 3 december 2007 op het verweerschrift gereageerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008 te Haarlem.

Eiseres is met bericht niet verschenen. Namens verweerder is verschenen A.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres is geboren op 22 mei 1940 en is in 2005 65 jaar geworden.

2.2. Eiseres is geheel 2005 gehuwd met de heer Y. De echtgenoot had over 2005 € 23.754 aan pensioeninkomen en uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW). Hij is over 2005 meer dan tweemaal de algemene heffingskorting aan gecombineerde inkomensheffing verschuldigd.

2.3. Eiseres genoot tot 1 mei 2005 geen inkomsten. Vanaf 1 mei 2005 genoot zij inkomen uit AOW. Over 2005 bedroeg haar belastbaar inkomen uit werk en woning € 5.096.

2.4. De gecombineerde inkomensheffing over het door eiseres in 2005 genoten AOW-inkomen bedraagt € 1.143. De voor eiseres geldende algemene heffingskorting bedraagt in 2005 over de vier maanden voor haar 65e verjaardag € 631 (zijnde 4/12 x € 1.894, de heffingskorting van een persoon onder 65 jaar in 2005) en over de overige 8 maanden € 607 (zijnde 8/12 x € 910, de heffingskorting van een persoon boven 65 jaar in 2005), totaal derhalve € 1.238.

2.5. Bij haar aangifte 2005 heeft zij, voor het eerst, om uitbetaling van de algemene heffingskorting verzocht.

3. Geschil

3.1. In geschil is de hoogte van de aan eiseres uit te keren heffingskorting.

3.2. Eiseres stelt dat zij recht heeft op uitbetaling van een bedrag van € 631 aan algemene heffingskorting in plaats van het toegekende bedrag van € 95. Dat bedrag komt haar toe over de periode januari tot mei 2005 toen zij geen inkomen had, terwijl haar echtgenoot het tweevoudige van de heffingskorting aan belasting verschuldigd is. Zij wijst er op dat personen in gelijke omstandigheden die na indiening van een verzoek om een voorlopige teruggaaf het bedrag van € 631 uitbetaald hebben gekregen, dat bedrag mogen houden. Eiseres beroept zich op het gelijkheidsbeginsel.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Verweerder stelt dat de teruggaaf € 95 moet bedragen omdat de algemene heffingskorting voor eiseres € 1.238 bedraagt en zij over haar belastbaar inkomen € 1.143 aan IB/PVV verschuldigd is. Indien eiseres voorafgaand aan 2005 voor dat jaar een voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting had aangevraagd, zou aan haar het totale bedrag van € 631 wel zijn uitgekeerd en zou voor haar geen aanslag zijn vastgesteld, zodat zij dat bedrag dan had mogen houden. De wettelijke regeling laat het niet toe haar dat bedrag achteraf bij aanslag toe te kennen. Volgens verweerder faalt het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel omdat geen sprake is van gelijke gevallen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De wettelijke regeling en verweerders uitvoeringspraktijk rond de vaststelling en uitbetaling van de gecombineerde heffingskorting aan de minst verdienende partner in het jaar van 65 worden van die partner is - voor zover van belang voor onderhavige zaak - als volgt. De rechtbank betrekt bij deze beschrijving uitsluitend de algemene heffingskorting, omdat niet in geschil is dat eiseres in 2005 geen aanspraak kan maken op de andere in artikel 8.9 Wet IB 2001 genoemde heffingskortingen (arbeids-, kinder- en combinatiekortingen).

4.2.1. Ingevolge artikel 8.8 Wet IB 2001 bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing. Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 Wet IB 2001 zou worden beperkt tot een bedrag lager dan de algemene heffingskorting, wordt ingevolge artikel 8.9, eerste lid, Wet IB 2001 de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het bedrag van de algemene heffingskorting indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting bedraagt ingevolge het tweede lid maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.

In het geval van eiseres is niet in geschil dat de gecombineerde inkomensheffing van haar echtgenoot (meer dan) tweemaal de algemene heffingskorting is, zodat de aanspraak van eiseres op uitbetaling van heffingskorting niet door het tweede lid van artikel 8.8 Wet IB 2001 wordt beperkt.

4.2.2. Een belastingplichtige kan, gelet op artikel 9.3, tweede lid, Wet IB 2001, voorafgaand aan het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft, verzoeken om een voorlopige teruggaaf in twaalf maandelijkse delen in dat jaar indien hij verwacht dat hij over dat jaar aanspraak kan maken op de verhoging en dus uitbetaling, van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 Wet IB 2001. Bij het vaststellen van een dergelijke voorlopige teruggaaf houdt verweerder in het jaar van 65 worden geen rekening met het voorzienbare feit dat de belastingplichtige dat jaar de AOW-gerechtigde leeftijd zal bereiken en AOW-uitkering zal gaan ontvangen. Bij de vaststelling van de voorlopige teruggave wordt bij dergelijke belastingplichtigen, die geen ander inkomen hebben, derhalve er van uitgegaan dat de gecombineerde inkomensheffing dat jaar nihil zal zijn. Het uitbetalen van de voorlopige teruggave stopt verweerder met ingang van de maand waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt en AOW-uitkering zal gaan ontvangen.

Die uitvoeringspraktijk blijkt uit het besluit van 18 juni 2003, nr. CPP2003/1571M, BNB 2003/303, V-N 2003/39.9 van de Staatssecretaris van Financiën. Dat besluit is weliswaar ingetrokken, maar ter zitting heeft verweerder erkend dat de praktijk van toekenning – op verzoek - van voorlopige teruggaven over de periode voorafgaand aan de maand van 65 jaar worden, hetzelfde is gebleven. Dit betekent dat aan een belastingplichtige bij een aanvraag vooraf een voorlopige teruggaaf wordt toegekend die hoger is, dan waar hij op grond van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 recht op heeft als bij de berekening van de voorlopige teruggaaf reeds rekening wordt gehouden met de AOW-uitkering die de belastingplichtige voorzienbaar in het kalenderjaar zal gaan ontvangen. Een dergelijke voorlopige teruggaaf zou bij het vaststellen van een aanslag achteraf tot een terugbetaling leiden, omdat bij de aanslag alsnog rekening zou worden gehouden met de ontvangen AOW-uitkering en de daadwerkelijk verschuldigde gecombineerde inkomensheffing over het gehele kalenderjaar.

4.2.3. In artikel 9.4 Wet IB 2001 (tekst 2005) is echter geregeld dat in die situatie geen nadere aanslag wordt vastgesteld. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onderdeel a,Wet IB 2001 wordt weliswaar een aanslag vastgesteld indien de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffing en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (voorheffingssaldo), met niet meer dan € 40 te boven gaat. Maar in het derde lid, onderdeel a, van hetzelfde artikel is bepaald dat het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is indien de belastingplichtige in het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar bereikt en een verzamelinkomen heeft dat uitsluitend bestaat uit een uitkering volgens de Algemene Ouderdomswet. Indien een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt ingevolge het vijfde lid van hetzelfde artikel, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiseres gelet op de onder 4.2.2. weergegeven uitvoeringspraktijk een voorlopige teruggaaf zou zijn toegekend als zij die voorafgaand aan 2005 zou hebben aangevraagd en dat zij dan tot aan mei 2005 € 631 zou hebben ontvangen. De aanslag over 2005 zou gelet op artikel 9.4, vijfde lid, Wet IB 2001 geacht worden te zijn vastgesteld tot dat bedrag. Tussen partijen is ook niet in geschil dat gelet op de artikelen 8.8 en 8.9 Wet IB 2001 bij de vaststelling van de aanslag na afloop van het kalenderjaar aan eiseres, gelet op de gecombineerde inkomensheffing over haar AOW-inkomen in 2005 van

€ 1.143 en de voor haar geldende algemene heffingskorting over heel 2005 van totaal € 1.238, een uitbetaling aan heffingskorting toekomt van € 95.

4.4. De belastingplichtige, die vooraf om een voorlopige teruggaaf heeft verzocht, heeft in een dergelijk geval gelet op de artikelen 8.8 en 8.9 Wet IB 2001 dus in wezen meer heffingskorting ontvangen dan hem toekomt. Dat was bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf ook voorzienbaar, omdat al duidelijk was dat hij 65 jaar zou worden, maar dat teveel ontvangen bedrag wordt niet teruggevorderd doordat op grond van artikel 9.4, derde lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 in deze situatie geen aanslag wordt vastgesteld. Op grond van artikel 9.4, vijfde lid, Wet IB 2001 wordt de aanslag zelfs geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf. De belastingplichtige die om voorlopige teruggaaf heeft verzocht, verkrijgt derhalve voorzienbaar een gelet op de wettelijke regeling onterecht financieel voordeel ten opzichte van een belastingplichtige die niet – vooraf – een verzoek om een voorlopige teruggave heeft ingediend.

4.5. Eiseres heeft aangevoerd dat het niet aanvragen van de voorlopige teruggaaf vooraf van de algemene heffingskorting niet mag leiden tot een ongunstiger behandeling ten opzichte van belastingplichtigen die wel vooraf een dergelijke aanvraag hebben ingediend. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel, komt, zo volgt uit het betoog van eiseres, neer op de vraag of voornoemde wettelijke bepalingen, zoals die in de praktijk worden toegepast, in strijd komen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarin onder meer is bepaald dat allen gelijk zijn voor de wet en dat de wet discriminatie van welke aard ook verbiedt en een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook garandeert.

4.6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juli 2005, nr. 39 870, LJN: AQ7212, VN 2005/34.2, r.o. 5.3, over de toepassing van dat artikel overwogen:

Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en (…) gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

Recent heeft de Hoge Raad deze uitgangspunten bevestigd in zijn uitspraken van

2 maart 2007, nrs. 42.144 en 42.158, NTFR 2007/380 en 381. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andere toepassing van dit verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel.

4.7. Anders dan verweerder heeft bepleit, ziet de rechtbank geen grond de gevallen van belastingplichtigen die een partner hebben en in het jaar van 65 worden uitsluitend inkomen uit AOW-uitkering genieten te onderscheiden in twee groepen ongelijke gevallen en een cesuur te leggen tussen dergelijke belastingplichtigen die wel en die niet door middel van een voorlopige teruggaaf hebben verzocht om teruggave van de heffingskorting. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wetgever zich een oordeel heeft gevormd over het al dan niet gelijk zijn van deze twee categorieën, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of de wetgever in redelijkheid ongelijkheid van die gevallen heeft kunnen aannemen. Verweerder heeft het al dan niet aanvragen van een voorlopige teruggaaf als een relevant onderscheidend criterium aangemerkt. Dat standpunt heeft hij niet nader onderbouwd. In het licht van de systematiek van de regeling van uitbetaling van heffingskorting acht de rechtbank dat verschil niet doorslaggevend om te kunnen concluderen tot ongelijke gevallen. Die onderscheiding komt er in wezen op neer dat belastingplichtigen die kennelijk in staat zijn met het incasseren van de heffingskorting te wachten tot na het kalenderjaar verschillen van hen die reeds gaandeweg het jaar die uitbetaling wensen. Juist omdat in de wettelijke regeling over de vaststelling van de uit te betalen heffingskorting in wezen – uitsluitend – het inkomen van de beide partners over het gehele kalenderjaar van belang is, kan naar het oordeel van de rechtbank het aanvraagmoment in redelijkheid niet als een onderscheidend criterium worden aangemerkt.

4.8. Onderhavige wettelijke regeling en de uitvoeringspraktijk komen er op neer dat aan vroege aanvragers van de uitbetaling van de heffingskorting een extra voordeel wordt gegeven ten opzichte van degenen die met aanvragen van de uitbetaling hebben gewacht. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wetgever een rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling heeft gegeven, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of de wetgever expliciet binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid is gebleven. Verweerder heeft ter rechtvaardiging van het onderscheid geen nadere argumenten bijgebracht. Voor zover bedoeld zou zijn aan huishoudens in de – overigens van geval tot geval verschillende –periode tot aan het 65 worden van de niet- of minstverdienende partner in enig kalenderjaar een extra financiële ondersteuning te bieden, acht de rechtbank die onderbouwing in redelijkheid onvoldoende, reeds omdat niet is gebleken dat personen die eerst achteraf de uitbetaling ontvangen in dat opzicht per definitie in een andere positie verkeren dan degenen die wel vooraf de uitbetaling vragen.

4.9. De wettelijke regeling en de uitvoeringspraktijk komen daarom in strijd met het in artikel 26 IVBPR neergelegde gelijkheidsbeginsel. De rechtbank kan in deze situatie de ongelijke behandeling opheffen, nu niet in geschil is dat aan eiseres bij eerdere aanvraag over de periode dat zij geen 65 was een heffingskorting zou zijn uitbetaald van € 631 en de aanslag geacht zou worden dienovereenkomstig te zijn vastgesteld. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de aanslag alsnog vaststellen op dat bedrag.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken omdat er geen kosten zijn gesteld. Verweerder dient wel het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt het in de aanslag bepaalde bedrag aan uit te betalen heffingskorting nader vast op € 631 en wijzigt de aanslag overigens dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.