Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD2865

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-03-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
AWB 07-5108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft voor het jaar 2007 op grond van het in de begroting van provinciale staten opgenomen subsidiebedrag subsidie verleend aan SOS Telefonische Hulpdienst.

De belangrijkste grief van eiseres betreft de introductie van de nieuwe subsidiesystematiek De invoering daarvan staat in de onderhavige beroepsprocedure niet ter toets, omdat het geen besluit in de zin van de Awb betreft. Evenmin staat ter beoordeling van de rechtbank het besluit van provinciale staten waarin het subsidiebedrag op de begroting is opgenomen.

De wijze waarop het nieuwe subsidiesysteem leidt tot een bepaald subsidiebedrag voor eiseres en de rol hierin van verweerder zijn wel aan te vechten bij de bestuursrechter. Echter niet in onderhavige beroepsprocedure omdat het nieuwe subsidiesysteem niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. De slordige wijze van communiceren door verweerder levert naar het oordeel van de rechtbank geen grond op voor het oordeel dat het besluit vernietigd dient te worden wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 5108

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2008

in de zaak van:

Stichting SOS Telefonische Hulpdienst Haarlem e.o.,

gevestigd te Heemstede,

eiseres,

gemachtigde: mr. J. de Vries, voorzitter van eiseres,

tegen:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft verweerder met toepassing van artikel 4:23, derde lid, sub c, Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten aan eiseres subsidie te verlenen tot een bedrag van maximaal € 155.200,- inclusief BTW.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 1 maart 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 26 april 2007, van de hoor- en adviescommissie.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 23 juli 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend, gedateerd 31 augustus 2007.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 februari 2008, alwaar namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, voornoemd, alsmede P.J.M.J. Hoogenbosch en M.W. Jaeger-van Linden van den Heuvell. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, werkzaam bij de provincie Noord-Holland. Voorts was ter zitting aanwezig Y. Pieren, eveneens werkzaam bij de provincie Noord-Holland.

2. Overwegingen

2.1 In artikel 4:23, eerste lid, Awb is bepaald dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

In artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c, Awb is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien de begroting de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt.

Ingevolge artikel 4:22 Awb wordt onder subsidieplafond verstaan het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.

2.2 Eiseres is een stichting die tot doel heeft in anonimiteit door middel van telefonische gesprekken hulp te bieden aan mensen met persoonlijke, maatschappelijke en/of psychische problemen gedurende 24 uur per dag, zeven dagen per week en het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk zijn. Bij brieven van 15 juli 2005 en 14 juli 2006 heeft verweerder eiseres ingelicht over een wijziging van de subsidiesystematiek per 1 januari 2006, waarbij 2006 als overgangsjaar is aangemerkt. In dit schrijven is onder meer aan eiseres medegedeeld dat bij de subsidie-aanvraag een activiteitenplan en een begroting moeten worden toegevoegd en dat hierover afspraken zullen worden gemaakt alvorens tot subsidieverlening over te gaan. Bovendien is aangegeven dat in de subsidieverlening wordt vermeld tot welk bedrag maximaal subsidie kan worden verstrekt. De nieuwe subsidiesystematiek brengt tevens wijzigingen met zich mee die onder meer zien op een subsidie-egalisatiereserve, de loon- en prijsstijgingen en de vermogenstoets.

2.3 Bij brief van 27 september 2006 heeft eiseres - na vooroverleg met een medewerker van verweerder - het activiteitenplan, de aangepaste begroting over het jaar 2007 en een aanvraag voor een subsidie € 221.190,- ingezonden. In reactie op dit schrijven heeft een medewerker van verweerder telefonisch aan eiseres laten weten dat de (concept)begroting van provinciale staten voor 2007 een bedrag van € 155.200,-vermeldt en dat dit bedrag als subsidieplafond geldt. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 17 oktober 2006 een gewijzigde subsidie-aanvraag ingediend ten bedrage van

€ 166.440,-.

2.4 Bij besluit van 13 november 2006 hebben provinciale staten de begroting 2007 vastgesteld waarin een subsidie voor eiseres ten bedrage van € 155.200,-,- (exclusief loon- en prijscompensatie) is vermeld. Verweerder heeft vervolgens op grond van artikel 4:23, derde lid, onder c Awb aan eiseres subsidie verleend tot een maximum van € 155.200,- inclusief BTW. Verweerder heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.5 Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en is van mening dat het besluit dient te worden vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het gelijkheidsbeginsel.

2.6 De rechtbank overweegt allereerst dat zij het er voor houdt dat het bestreden besluit tevens inhoudt de weigering van verweerder om subsidie te verlenen tot een hoger bedrag overeenkomstig de aanvraag van 27 september 2006 .

2.7 Verweerder heeft in zijn verweerschrift uiteengezet dat het bedrag op de provinciale begroting voor hem geldt als het maximum te verlenen subsidiebedrag, zijnde het subsidieplafond. De rechtbank is evenwel van oordeel dat gelet op de tekst van artikel 4:22 Awb het bedrag dat op de begroting is opgenomen kan echter niet worden aangemerkt als een subsidieplafond, als bedoeld in dat artikel. Hetgeen in het verweerschrift is opgemerkt begrijpt de rechtbank dan ook zo, dat de begrotingspost voor verweerder leidend is voor wat betreft de hoogte van het te verlenen subsidiebedrag.

2.8 Zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft toegelicht, heeft verweerder in het kader van de provinciale subsidieverlening tot en met 2006 subsidie verleend op basis van het inwonertal en locatie. Verweerder zal vanaf 2009 de subsidie gaan verlenen door middel van aanbestedingsprocedures op basis van een uurtarief. Teneinde deze nieuwe werkwijze in de subsidierelatie werkbaar in te voeren, is verweerder vanaf 2007 gestart met het stellen van nadere eisen aan de subsidie-aanvraag, zoals het opstellen van een activiteitenplan en het in dat kader berekenen van een integrale kostprijs per uur. Terwijl al wel, vooruitlopend op de nieuwe subsidiesystematiek, de nieuwe eisen aan de subsidie-aanvraag werden gesteld, werd echter de hoogte van de te verlenen subsidie nog niet volgens het nieuwe systeem berekend. Het subsidiebedrag dat op de begroting voor 2007 is opgenomen, is derhalve nog niet tot stand gekomen op basis van de integrale kostprijs per uur, maar is - evenals in voorgaande jaren - historisch bepaald.

2.9 De belangrijkste grief van eiseres betreft de introductie van de nieuwe subsidiesystematiek. De invoering daarvan staat in de onderhavige beroepsprocedure niet ter toets, omdat het geen besluit in de zin van de Awb betreft. Evenmin staat thans ter beoordeling van de rechtbank het besluit van provinciale staten waarin het subsidiebedrag van € 155.200,- op de begroting is opgenomen.

2.10 De wijze waarop het nieuwe subsidiesysteem leidt tot een bepaald subsidiebedrag voor eiseres en de rol van verweerder hierin zijn wel aan te vechten bij de bestuursrechter. Echter niet in onderhavige beroepsprocedure omdat het nieuwe subsidiesysteem niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Verweerder heeft de uit het nieuwe systeem voortvloeiende eisen immers slechts gesteld om ervaring op te doen voor de toekomst zonder dat het een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming.

2.11 Dat met betrekking tot het subsidiejaar 2007 eveneens slechts sprake was van zogenoemd 'droogzwemmen' heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet op adequate wijze aan eiseres kenbaar gemaakt. Uit de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder verweerders voorlichtingsbrieven van 15 juli 2005 en 14 juli 2006, komt immers juist naar voren dat de wijzigingen in de subsidiesystematiek worden ingevoerd vanaf 1 januari 2006, waarbij 2006 als overgangsjaar geldt. Evenmin is gebleken dat verweerder eiseres er tijdens de onderhandelingsfase op heeft gewezen dat de subsidie voor 2007 conform voorgaande jaren zou worden vastgesteld en dat de onderhandelingen over de uurprijs geen rol zouden spelen bij de bepaling van de hoogte van de subsidie. Integendeel, eiseres is op het verkeerde been gezet. Pas na indiening van de begroting van 27 september 2006 is eiseres hiervan telefonisch op de hoogte gebracht. De slordige wijze van communiceren door verweerder levert naar het oordeel van de rechtbank echter geen grond op voor het oordeel dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

2.12 Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiseres onderbouwd met de stelling dat de Stichting SOS Telefonische Hulpdienst (THD) Hilversum in 2007 wel subsidie heeft ontvangen op basis van een hoger uurtarief dan eiseres is toegekend, hoewel de activiteiten identiek zijn. De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder de subsidie voor THD Hilversum voor 2007, evenals voor eiseres, heeft toegekend in lijn met de in het verleden verleende subsidies en geen acht heeft geslagen op de kostprijs per uur. Van een ongelijke behandeling is derhalve geen sprake en het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

2.13 Gelet op voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. A.C.M. Rutten en A.C. Terwiel-Kuneman, rechters, en op 31 maart 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.