Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD2860

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
AWB 08-3142
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voor het realiseren van het bouwplan is geen milieuvergunning vereist, omdat het bedrijf valt binnen de voorwaarden van het Besluit landbouw milieubeheer. Voorts is de noodzakelijkheid van de uitbreiding van het dierenverblijf voldoende aangetoond. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Wel is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, omdat de onduidelijkheid die bij verzoeker is ontstaan te wijten is aan verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3142

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Wormerland,

verweerder,

derde partij

[vergunninghouder],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. L. de Man.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2008, verzonden op 27 februari 2008, heeft verweerder aan de heer [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) een bouwvergunning verleend voor het vergroten van een stal op het perceel kadastraal bekend: [adres].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 maart 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 april 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 april 2008, alwaar namens verzoeker de heer V.W. Wagenaar, kantoorgenoot van mr. Lamers voornoemd, is verschenen en alwaar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de heer R. van Kalken, de heer E. Houwertjes en de heer M.C. Steeman, werkzaam bij de gemeente Wormerland. Voorts is namens de derde partij ter zitting aanwezig mr. De Man, voornoemd.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Naar aanleiding van de aanvraag om een bouwvergunning heeft verweerder aan vergunninghouder een bouwvergunning verleend. Op [adres] is een melkrundveehouderij gelegen. Het bouwplan ziet op het oprichten van een nieuw dierenverblijf. Verweerder stelt zich in het primaire besluit op het standpunt dat het bouwplan binnen het geldende bestemmingsplan past, voldoet aan de redelijke eisen van welstand en er overigens geen gronden zijn om de bouwvergunning te weigeren.

2.3 Het bezwaar van verzoeker richt zich op het feit dat verweerder de bouwaanvraag had moeten aanhouden, omdat het oprichten van de stal tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet Milieubeheer (Wm) is vereist. Verzoekers woning is gelegen op een afstand van 45 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt binnen het bedrijf van vergunninghouder en als gevolg van de thans vergunde nieuwbouw zal het aantal stuks rundvee binnen de inrichting ver boven de honderd komen te liggen. Daarmee wordt het bedrijf van vergunninghouder milieuvergunningplichtig, terwijl zo een vergunning niet is verleend. Aangezien vergunninghouder een aanvang heeft gemaakt met de bouw van de stal en de onderbouw daarvan reeds heeft gerealiseerd, heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de bouwvergunning wordt geschorst tot verweerder een besluit op zijn bezwaar heeft genomen.

2.4 Uit het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet (Ww) volgt dat een bouwvergunning dient te worden geweigerd indien zich een of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoen. Andersom betekent het dat, wanneer het bouwplan in overeenstemming is met de in artikel 44 Ww neergelegde voorschriften, de bouwvergunning moet worden verleend. Andere gronden dan genoemd in artikel 44 Ww mogen niet tot weigering van een bouwvergunning leiden. Artikel 44 Ww geeft met andere woorden een limitatieve opsomming van de weigeringsgronden die bovendien een imperatief karakter hebben.

2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat de bezwaren van verzoeker zich niet richten tegen het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in voornoemd artikel.

2.6 Ingevolge artikel 52 Ww dient verweerder een beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan te houden, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 Wm is vereist.

2.7 Voor het realiseren van het bouwplan is geen milieuvergunning vereist indien het bedrijf valt binnen de voorwaarden van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit).

2.8 Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) is dit besluit van toepassing op een melkrundveehouderij.

2.9 Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit is dit besluit niet van toepassing op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit besluit, in afwijking van het tweede lid, van toepassing is op een inrichting die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object indien het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden wordt niet groter is dan het aantal landbouwhuisdieren dat op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer gehouden mocht worden, te weten 100 stuks melkrundvee en 50 schapen.

2.10 Op grond van de door vergunninghouder ter zitting getoonde tekening, behorende bij de afgegeven bouwvergunning, is tussen partijen thans niet meer in geschil dat de emissiepunten van het nieuw te bouwen dierenverblijf zich buiten de 50 meter cirkel bevinden, zodat de voorwaarde als bedoeld in het derde lid van artikel 4 van het Besluit, te weten dat het bedrijf niet meer dan 100 stuks melkrundvee en ten hoogte 50 stuks schapen, niet van toepassing is.

2.11 Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit is dit besluit niet van toepassing is op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien meer dan 200 stuks melkrundvee worden gehouden, exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar.

2.12 Zowel uit de bouwaanvraag als het rapport van DLV Rundvee Advies B.V. van 24 oktober 2007 blijkt dat met de uitbreiding van het dierenverblijf vergunninghouder een ruimte wenst te creëren voor maximaal 180 stuks melkrundvee. Daarmee voldoet het bedrijf, gezien het stuks melkrundvee, alsmede gelet op de afstand tussen de emissiepunten en het object, aan de voorwaarden van het Besluit en is vergunninghouder krachtens artikel 8.1 Wm niet milieuvergunningplichtig.

2.13 Gezien het vorenstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat een beslissing van verweerder omtrent een bouwaanvraag als bedoeld in artikel 52 Ww niet van toepassing is.

2.14 De voorzieningenrechter dient thans de vraag te beoordelen of is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.2.1, aanhef en onder l, van de bestemmingsplanvoorschriften (hierna: planvoorschriften).

2.15 In artikel 3.2.1, aanhef en onder l, van de planvoorschriften is bepaald dat de noodzakelijkheid van de bouw van een bedrijfsgebouw voor de agrarische bedrijfsvoering moet aangetoond worden met een advies van een agrarisch deskundige.

2.16 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat middels het voornoemd rapport van DLV van 24 oktober 2007 de noodzakelijkheid van de uitbreiding van het dierenverblijf niet voldoende is onderbouwd en voert daartoe het volgende aan. Onvoldoende is aangetoond dat de wens van vergunninghouder zijn bedrijf te laten groeien dient te leiden tot een uitbreiding van het bedrijf. Dat vergunninghouder de uitbreiding wenst in het kader van het dierenwelzijn betreft een ondeugdelijk argument, omdat vergunninghouder er kennelijk zelf voor heeft gekozen de runderen thans in een te krappe ruimte samen te voegen. De extra hoeveelheid mest zou voorts in een kelder kunnen worden opgeslagen.

2.17 De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat met het aantonen van de noodzakelijkheid van de bouw ervoor wordt gewaakt dat er niet nodeloos gebouwen worden opgericht. De aanvrager dient bij zijn aanvraag aan te geven wat de bedrijfsvoering zal worden. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of bouwplan past binnen de bestaande bebouwing. Daartoe heeft verzoeker een advies uitgebracht van DLV Rundvee advies B.V. waarvan de resultaten zijn neergelegd in voornoemd rapport. Uit dit rapport volgt dat het bedrijf een duidelijke groeistrategie heeft die alleen kan worden uitgevoerd door uitbreiding van de stalcapaciteit. Door de uitbreiding van de stal wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor mestopslagcapaciteit en hygiëne eisen en is er de mogelijkheid voor het invoeren van automatisch melken in de vorm van plaatsing van robots. Vooral met het oog op de plaatsing van deze robots is de situering van de nieuw te bouwen stallen logisch. Met het bouwplan blijft het bedrijf levensvatbaar en voldoende concurrerend, ook voor de langere termijn.

2.18 Gelet op hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd, alsmede gezien de conclusie van DLV, is de noodzakelijkheid van de uitbreiding van het dierenverblijf naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aangetoond. De grief ter zake heeft derhalve geen kans van slagen.

2.19 De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de thans verleende bouwvergunning ziet op het eerste deel van de gewenste uitbreiding van het bedrijf. Ter zitting is tussen partijen vast komen te staan dat voor het tweede deel van de uitbreiding opnieuw een bouwvergunning dient te worden aangevraagd.

2.20 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.21 Met betrekking tot het verzoek verweerder in de proceskosten te veroordelen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Eerst ter zitting is vast komen te staan op grond van welke tekening verweerder de bouwvergunning heeft verleend. Op grond van de in het dossier bevindende tekeningen is de voorzieningenrechter, evenals verzoeker, niet duidelijk gebleken dat de emissiepunten zich buiten de 50 meter bevinden. Bovendien volgt uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen dat op de in het dossier bevindende tekening wijzigingen zijn aangebracht. Deze wijzingen vielen pas te begrijpen aan de hand van de ter zitting getoonde tekening en verweerders overgelegde tekeningen bij de pleitnota. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de onduidelijkheid die als gevolg van het voornoemde bij verzoeker is ontstaan te wijten aan verweerder. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor deze kosten wordt met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- toegekend (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij het gewicht van de zaak als gemiddeld is aangemerkt).

2.22 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de gemeente Wormerland aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.2 veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,- te betalen door de gemeente Wormerland aan verzoeker;

3.3 bepaalt dat de gemeente Wormerland het door verzoeker betaalde griffierecht van

€ 145,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en op 8 mei 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.