Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD2855

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
AWB 07-7136
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtredingen arbeidstijdenwet. Boetes. Geen strijd met het legaliteitsbeginsel, motiveringsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de zorgvuldigheid. Geen sprake van opsporing maar toezicht, dus de inspecteur heeft binnen zijn bevoegdheid gehandeld. Minister is bevoegd tot boeteoplegging; het beboetbaar stellen van overtredingen valt immers binnen het omschreven doel van “voorkoming van ernstig gevaar”, als bedoeld in artikel 7:2 Atw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 7136 WET

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 april 2008

in de zaak van:

[eiser],

gevestigd te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. K. Vierhout, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 19.910,-- wegens verschillende overtredingen van de Arbeidstijdenwet (Atw).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 maart 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 september 2007 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, eruit bestaand dat de boete met een bedrag van € 3520,-- wordt verlaagd, waardoor de aan eiser opgelegde boete € 16.390,-- bedraagt.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 oktober 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 februari 2008, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Autar en D.J. van Tergouw, beiden werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

2. Overwegingen

2.1 Een inspecteur van verweerder heeft op 11 november 2005 een bedrijfsonderzoek ingesteld bij eiser. In dat onderzoek heeft de inspecteur een aantal overtredingen van de Atw geconstateerd in de periode van 29 augustus 2005 tot en met 9 oktober 2005.

2.2 Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat eiser in de periode van 29 augustus 2005 tot en met 28 september 2005 verschillende overtredingen van de Atw heeft begaan. Deze overtredingen zijn volgens verweerder boetewaardig op grond van de Atw.

2.3 Eiser heeft aangevoerd dat het besluit is genomen in strijd met het legaliteitsbeginsel. Verder heeft eiser aangevoerd dat de minister niet bevoegd was tot het opleggen van de boete. Voorts heeft eiser gesteld dat de inspecteur van verweerder niet bevoegd was tot opsporing terwijl hij daartoe wel is overgegaan. Eiser heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Met betrekking tot de beroepsgrond dat het besluit genomen is in strijd met het legaliteitsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 2.5:1, vierde lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atbv) luidde: De bestuurder handelt overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van verordening (EEG) nr. 3820/85. Deze verordening is per 11 april 2007 ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 561/2006.

Eiser heeft gesteld dat geen sprake is van beboetbare feiten omdat verordening 3820/85 per 11 april 2007 is ingetrokken en niet geregeld is hoe overtredingen van vóór die datum afgehandeld moeten worden.

Verweerder heeft gesteld dat van strijd met het legaliteitsbeginsel geen sprake is en daarbij gewezen op de codificering van dit beginsel in het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 7, eerste lid, dat luidt: "Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was."

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het plegen van de overtredingen, deze feiten beboetbaar waren. Het legaliteitsbeginsel houdt - zoals hiervoor is weergegeven - in dat geen straf kan worden opgelegd voor een feit dat ten tijde van het plegen van het feit niet strafbaar was gesteld. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Eiser heeft echter gesteld dat de omstandigheid dat de oude verordening tot onduidelijkheden leidde, die door de nieuwe verordening zijn weggenomen, betekent dat normadressanten onder de nieuwe verordening beter af zijn. Eiser zou dat voordeel ook dienen te krijgen, aldus eiser.

Nu eiser niet heeft geconcretiseerd waarin voor hem onzekerheid bestond over de normen die golden ten tijde van de overtredingen en evenmin is gebleken dat toepassing van de nieuwe verordening tot een lagere boete zou leiden, volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.6 De beroepsgrond van eiser dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van een boete begrijpt de rechtbank aldus dat eiser vindt dat er geen sprake is van een gevaarzettende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.7 Atw, waardoor aan de voorwaarden voor het opleggen van een boete niet is voldaan. Wanneer sprake zou zijn geweest van een gevaarzettende situatie had naar de mening van eiser gebruik moeten worden gemaakt van artikel 11:3 Atw en een strafrechtelijke vervolging ingezet moeten worden. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet en heeft daartoe het volgende overwogen.

Artikel 2.7, eerste lid, Atw luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat voor de bij die maatregel en de daarop berustende bepalingen omschreven arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden, deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk mede moeten worden nageleefd door een persoon die, zonder werkgever of werknemer te zijn in de zin van deze wet, deze arbeid verricht, indien zulks noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen." In artikel 11:3 Atw is bepaald dat bepaalde beboetbare feiten als strafbaar feit worden aangemerkt, als daardoor de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht.

In de situatie, bedoeld in artikel 11:3 Atw heeft de overtreding al geleid tot ernstig gevaar, in tegenstelling tot de situatie in artikel 7.2 Atw, waarin het gevaar mogelijk kan ontstaan. Het overtreden van de regels inzake rij- en rusttijden kan immers leiden tot ernstig gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen, zonder dat dit ernstig gevaar reeds is gerealiseerd. Het beboetbaar stellen van overtredingen valt dan ook binnen het omschreven doel van "voorkoming van ernstig gevaar". Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.7 Ten aanzien van de beroepsgrond van eiser dat de toezichthouder niet bevoegd was tot opsporing, maar daartoe wel is overgegaan op het moment dat duidelijk werd dat er sprake was van overtreding van de Atw overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft de feiten, die aanleiding zijn geweest voor het opleggen van een boete, vastgesteld naar aanleiding van een controle van (een deel van) de administratie, waartoe verweerder onmiskenbaar bevoegd was. Opsporingshandelingen hebben derhalve niet plaats gehad. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

2.8 De omstandigheid dat eiser de registratiebladen, waarnaar in het boeterapport wordt verwezen, heeft ontvangen nadat hij zijn zienswijze had gegeven, leidt niet tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank tijdig, dat wil zeggen in de bezwaarfase over de registratiebladen kunnen beschikken. Hiermee is eiser voldoende gelegenheid geboden daarop in te gaan.

2.9 Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de in de tarieflijst opgesomde boetebedragen worden gehanteerd zonder acht te slaan op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van het geval. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en eveneens is het evenredigheidsbeginsel in ernstige mate geschonden, aldus eiser.

Verweerder heeft dienaangaande het standpunt ingenomen dat in de beleidsregel reeds rekening is gehouden met de proportionaliteit in verhouding tot de ermee te dienen doelen. In de (algemene) toelichting op de beleidsregel is vermeld dat ingevolge artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van deze beleidsregel moet worden afgeweken, als de toepassing van de onderhavige beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Verweerder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de beleidsregel. Eisers stelling dat de boete van € 16.390,-- een onacceptabel bedrag is, acht verweerder geen dusdanige bijzondere individuele omstandigheid.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders besluitvorming ook op dit punt de rechterlijke toets kan doorstaan. Van strijd met de door eiser gestelde beginselen van proportionaliteit en evenredigheid is dan ook geen sprake. Voor verweerder behoefde er evenmin aanleiding te zijn om, op grond van artikel 4:84 Awb, af te wijken van de beleidsregel. Voor toepasselijkheid van artikel 4:84 Awb is ingevolge vaste jurisprudentie vereist dat er sprake is van individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter. In dit kader is door eiser gesteld dat de boeteoplegging onvermijdelijk tot ernstige liquiditeitsproblemen zal leiden en een doodssteek voor zijn (eenmans)bedrijf zal zijn. Dit is evenwel niet met daartoe relevante stukken onderbouwd.

2.10 Eiser heeft met betrekking tot de overtredingen, die in het boeterapport van 21 december 2005 als eerste, tweede en derde worden vermeld, gesteld dat uit het enkele gegeven dat er op bepaalde tijdstippen een factuur van het tankstation op naam van eiser is gesteld geenszins de conclusie kan worden verbonden dat met zijn vrachtauto is getankt. Verweerder heeft gesteld dat artikel 6:13 Awb in de weg staat aan beoordeling van deze grond, nu eiser deze feiten in bezwaar niet heeft betwist.

De rechtbank ziet in de door eiser in bezwaar naar voren gebrachte gronden, noch in hetgeen overigens in de stukken vanwege eiser is gesteld, geen aanleiding te oordelen dat eiser de feiten genoemd onder 1 t/m 3 niet heeft betwist. Eiser heeft immers het gehele besluit betwist. Verweerder heeft dan ook ten onrechte gesteld dat deze feiten niet meer betwist konden worden. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat niet met een vrachtauto van eiser is getankt, nu de hoeveelheid ingenomen brandstof (honderden liters per keer) slechts bedoeld kan zijn voor een vrachtauto. Eiser heeft ook op geen enkele wijze inzicht gegeven welke bestemming de getankte brandstof zou hebben indien deze niet bestemd zou zijn voor zijn vrachtauto. Voorts heeft eiser, na confrontatie met het uiteenlopen van de tanktijdstippen en wat op de registratiebladen door eiser was bijgehouden, blijkens het boeterapport van 21 december 2005 verklaard dat het verschil te wijten is aan het feit dat eiser het uurwerk van het controle apparaat / de tachograaf (door eigen handelen) niet correct had staan. Ook deze beroepsgrond leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

2.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.12 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. A.C.M. Rutten en M.J.S. Korteweg - Wiers, rechters, en op 1 april 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.