Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD2526

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
136283 - HA ZA 07-777
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mediation. Toedeling echtelijke woning. Overeenstemming? Schriftelijkheidsvereiste; daaraan is in casu voldaan door correspondentiewisseling en uitvoering van de andere punten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2008, 69

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 136283 / HA ZA 07-777

Vonnis van 23 april 2008

in de zaak van

[Eiseres],

wonende te Monnickendam, gemeente Waterland,

eiseres,

procureur mr. M. Meerman-Padt,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Purmerend,

gedaagde,

procureur mr. M. Zee.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 augustus 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest vanaf 1 maart 1978.

2.2. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 29 augustus 2000 is de echtscheiding

tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de beschikking op 4 oktober 2000 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Eind november/ begin december 2001 hebben partijen door middel van door deze rechtbank aangeboden mediation geprobeerd om te komen tot een definitieve regeling van de tussen hen resterende geschilpunten in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding. Partijen hebben daaraan voorafgaand een concept-mediationovereenkomst ontvangen, welke zij niet ondertekend hebben.

2.4. In voornoemde concept-mediationovereenkomst is onder meer het volgende bepaald.

“Artikel 8 - Vaststellingsovereenkomst, tussentijdse afspraken

8.1 Een ingevolge de mediation in der minne bereikte oplossing van het geschil zal tussen partijen worden vastgelegd in een daartoe strekkende, schriftelijke vaststellingsovereenkomst. (…)

8.2 Tijdens de loop van de mediation tussen partijen gemaakte afspraken binden hen alleen voor zover deze schriftelijk tussen hen zijn overeengekomen. Partijen kunnen in een dergelijke overeenkomst bepalen dat bedoelde afspraken hen niet langer binden indien en zodra de mediation wordt beëindigd zonder vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het voorgaande lid.”

2.5. De (N.M.I.) mediator A.J.T. Karskens (hierna: de mediator) heeft bij brief van

6 december 2001 de raadslieden van partijen onder meer het volgende meegedeeld.

“Met uw cliënten heb ik op 26 november en 4 december j.l. gesprekken gehad in het kader van de door de rechtbank Haarlem aangeboden mediation.

In het laatste gesprek heeft mevrouw het volgende voorstel gedaan om tot een definitieve regeling van alle geschillen en procedures te komen.

1. Afstand van alimentatie voor mevrouw met terugwerkende kracht.

2. Kinderalimentatie voor 2002 wordt gesteld op f. 400,00 per kind per maand. Afgezien wordt van inning achterstallige kinderalimentaie.

3. Huis wordt toegescheiden aan mevrouw, met lusten en lasten. Man ziet af van verrekening overwaarde.

4. Vrouw ziet af van verrekening giften door haar ouders aan man en eveneens van verrekening lening aan man voor aanschaf auto.

5. Iedere partij houdt aan roerende zaken wat deze heeft. Uitzondering: man maakt wensen bekend uit de reissouvenirs. Vrouw zal dit verzoek welwillend beschouwen.

6. Van dia’s en foto’s worden zo nodig op kosten verzoeker duplicaten gemaakt.

Voor de goede orde: Dit voorstel deed mevrouw in het kader van de voorwaarden waaronder mediation plaatsvindt, te weten met name: sans prejudice en vertrouwelijk.

(…)

Ik sprak met uw cliënten af dat ik u dit zou berichten (…) en dat zij met u dit voorstel zouden bespreken. Ik wees er met name op dat de afstand alimentatie/ verrekening ervan met de overwaarde van de woning wellicht fiscaal in een voor beide partijen gunstige vorm moet en kan worden gestoken. De man zegde toe dat eventueel nadelige gevolgen daarvan voor mevrouw (ik zou haast zeggen: uiteraard) door hem worden gecompenseerd. Kortom er is dus nog wat rekenwerk te doen maar ik denk dat ik dat alsook de uitwerking en detail aan u c.q. de fiscalisten kan en mag overlaten.”

2.6. De mediator heeft partijen bij brief van 24 december 2001 onder meer het volgende meegedeeld.

“Van mr Zee vernam ik dat [gedaagde] het voorstel van mevrouw heeft aanvaard. Er is dus thans volledige overeenstemming over de financiële gevolgen van de echtscheiding.”

2.7. De raadsman van [gedaagde] heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij brief van 7 januari 2002 onder meer het volgende meegedeeld.

“Mede namens de raadsvrouwe van [eiseres], Mevrouw Mr M. Meerman-Padt te Haarlem, kan ik U tot mijn genoegen berichten dat partijen na een (…) plaatsgehad hebbende mediation erin zijn geslaagd hun geschillen, inclusief de aan Uw Hof voorgelegde alimentatiekwestie, alsnog in der minne te regelen.”

2.8. De raadsman van [gedaagde] heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen bij brief van 7 januari 2002 onder meer het volgende meegedeeld.

“Ten vervolge op het in mijn brief van 9 oktober 2001 gestelde kan ik u thans berichten dat partijen door middel van mediation tot een oplossing van de bestaande kwesties zijn gekomen.”

2.9. De raadsman van [gedaagde] heeft deze rechtbank bij brief van 25 november 2002 onder meer het volgende meegedeeld.

“Deze zaak is door middel van mediation na het daartoe strekkende aanbod zijdens uw rechtbank tot een oplossing gebracht.

(…)

Desgevraagd heeft mr Karskens een en andermaal aangegeven in deze zaak niet een vaststellingsovereenkomst te zullen vervaardigen.”

2.10. Het Landelijk projectbureau Mediation voor de Rechterlijke Macht heeft de raadsman van [gedaagde] bij brief van 10 december 2002 onder meer het volgende meegedeeld.

“Uit overleg met de betreffende mediator mr A.J.T. Karskens blijkt dat hij de mening was

– en is – toegedaan dat na de bereikte overeenstemming, die naar zijn zeggen uitgebreid in een verslag is verwoord, partijen en hun advocaten het erover eens waren dat zij de kwestie, waaronder begrepen het opstellen van een convenant, verder zelf zouden regelen.”

2.11. De raadsvrouw van [eiseres] heeft [gedaagde] (onder meer) bij brief van 19 mei 2005 verzocht om zich te wenden tot notaris mr. M.G.S. Meulenbelt om de voormalige echtelijke woning aan […] te […] (hierna ook: de woning) op naam van [eiseres] te laten stellen.

2.12. [gedaagde] heeft geen medewerking verleend aan bedoelde notariële tenaamstelling van de woning.

2.13. De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft in kort geding bij mondeling vonnis van 27 december 2005 de vordering van [eiseres] tot – kort gezegd – veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan het op naam van [eiseres] stellen van de woning, afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan ‘notariële toescheiding’ van de voormalige echtelijke woning aan de […] te […], aan [eiseres], ten overstaan van notaris mr. M.G.S. Meulenbelt van R. Bosboom Notarispraktijk B.V., De Zarken 21, 1141 DK Monnickendam, alsmede te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van ‘de medewerking van [gedaagde] aan het passeren van de akte tot levering van de echtelijke woning of van een deel van een zodanige akte, zo [gedaagde] medewerking weigert’, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [eiseres] stelt dat [gedaagde] dient mee te werken aan het op haar naam stellen van de woning, nu partijen zulks tijdens de mediation zijn overeengekomen.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Volgens [eiseres] is tijdens de mediation volledige overeenstemming tussen partijen bereikt over de regeling van de gevolgen van de echtscheiding. [eiseres] stelt dat de fiscale gevolgen van de tenaamstelling van de woning weliswaar nog nader moesten worden uitgewerkt, maar dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de eventuele nadelige gevolgen daarvan voor zijn rekening zou nemen. [eiseres] heeft vervolgens uitvoering gegeven aan alle uit hoofde van die overeenkomst op haar rustende verplichtingen, waar [gedaagde] weigert om mee te werken aan de uitvoering van zijn verplichting om de woning op naam van [eiseres] te doen stellen. Volgens [eiseres] kan het ‘schriftelijkheidsvereiste’ van artikel 8.2 van de (concept-)mediationovereenkomst hier aan de kant worden gezet, omdat uit de overgelegde correspondentie duidelijk blijkt wat de inhoud van de overeenkomst is en deze op alle overige punten ten uitvoer is gebracht.

4.2. [gedaagde] voert als verweer aan dat tijdens de mediation door partijen gemaakte afspraken hen slechts binden voor zover deze schriftelijk zijn overeengekomen, waar partijen in deze zaak niets schriftelijk zijn overeengekomen. De mediator heeft, ondanks daartoe verzocht, nagelaten om een vaststellingsovereenkomst op te stellen. Er diende nog een in fiscaalrechtelijke zin deugdelijke concept-vaststellingsovereenkomst te worden opgesteld, opdat partijen die aan hun (fiscaal) adviseurs zouden kunnen voorleggen.

[gedaagde] betwist dat hij de nadelige financiële consequenties van de tenaamstelling voor zijn rekening zou nemen. [gedaagde] licht toe dat [eiseres] de woning wilde behouden zonder aan hem een bedrag aan overbedeling te hoeven betalen. Zij zou in ruil daarvoor afstand doen van partneralimentatie. Hierdoor zou voor [gedaagde] echter een fiscale aftrekpost komen te vervallen.

4.3. Kern van het geschil is of in het kader van de mediation een overeenkomst tot stand is gekomen die partijen bindt, in die zin dat [gedaagde] gehouden is om mee te werken aan notariële tenaamstelling van de woning, zoals – naar de rechtbank begrijpt – door [eiseres] wordt gevorderd.

4.4. Beide partijen gaan ervan uit, althans betwisten niet, dat de onder 2.4. deels geciteerde – aan partijen toegezonden – (concept-)mediationovereenkomst als door hen aangegaan moet worden beschouwd, ook al hebben zij deze niet ondertekend. Voorts staat tussen partijen vast dat de mediation niet heeft geresulteerd in een vaststellings-overeenkomst, als bedoeld in artikel 8.1 van de mediationovereenkomst. Ingevolge het bepaalde in artikel 8.2 geldt dan dat tijdens de loop van de mediation tussen partijen gemaakte afspraken hen alleen binden voor zover deze schriftelijk tussen hen zijn overeengekomen.

4.5. Blijkens het gespreksverslag van 6 december 2001 heeft [eiseres] aan [gedaagde] op

4 december 2001 een voorstel gedaan teneinde de geschillen die partijen verdeeld hielden definitief te regelen. Het gaat hier om een voorstel betreffende zes (geschil)punten,

dat partijen nog met hun raadslieden, die bij de mediation niet aanwezig waren, moesten bespreken. Het verslag kan op zichzelf beschouwd dus niet als een schriftelijke, bindende overeenkomst worden aangemerkt. Ook enig ander gespreksverslag/stuk waarin definitieve afspraken zijn neergelegd, ontbreekt.

4.6. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat het derde (geschil)punt van het voorstel van [eiseres] – toescheiding van de woning – als tussen partijen bindend overeengekomen moet worden beschouwd. Dit vloeit in de eerste plaats voort uit de omstandigheid dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de geschilpunten,

zoals ook blijkt uit de onder 2.6. tot en met 2.10. deels geciteerde correspondentie, zonder dat [gedaagde] te dien aanzien enig voorbehoud heeft gemaakt. Ten tweede is, naar onweersproken vast staat, aan de overige vijf (geschil)punten – 1, 2 en 4 t/m 6 – conform het voorstel uitvoering gegeven. De toebedeling van de woning kan niet los worden gezien van de rest van de verdeling, nu [eiseres] afstand heeft gedaan van onder meer haar recht op partneralimentatie om de woning toegescheiden te kunnen krijgen.

4.7. Indien er al sprake zou zijn van enig voorbehoud ten aanzien van de fiscale aspecten van de overeengekomen verdeling, doet dat aan het voorgaande niet af.

De nadere invulling die daaraan gegeven zou moeten worden, raakt de kern van de overeenkomst immers niet. Niet is gebleken dat de verdeling afhankelijk is gesteld van de wijze waarop de fiscale aspecten zouden worden ingevuld. Overigens is van enig voorbehoud ten aanzien van de fiscale gevolgen van de overeengekomen verdeling evenmin gebleken. De mediator heeft in het gespreksverslag d.d. 6 december 2001 immers opgenomen dat [gedaagde] heeft toegezegd dat eventuele nadelige fiscale gevolgen voor [eiseres], wat betreft (de verrekening van) de alimentatie en de overwaarde van de woning, door hem zouden worden gecompenseerd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] tegen deze vaststelling heeft geprotesteerd. Evenmin blijkt uit de brieven van zijn raadsman d.d. 7 januari en

25 november 2002 dat [gedaagde] ter zake enig voorbehoud heeft gemaakt. [gedaagde]s stelling dat er nog een in fiscaalrechtelijke zin deugdelijke concept-vaststellingsovereenkomst diende te worden opgesteld, is dan ook onvoldoende onderbouwd.

4.8. Ook het ‘schriftelijkheidsvereiste’ staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan het voorgaande in de weg. De strekking van artikel 8.2 van de mediationovereenkomst is in de eerste plaats dat partijen zich vrij moeten voelen om tijdens de mediation afspraken te maken ten behoeve van het oplossen van het geschil, zonder dat zij moeten vrezen dat die afspraak hen blijvend zal binden indien het mediationproces zonder succes wordt beëindigd. In deze zaak is de mediation weliswaar geëindigd zonder dat de gemaakte afspraken in een vaststellingsovereenkomst zijn neergelegd, maar er is geen sprake van een onsuccesvolle afloop van de mediation, nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de geschilpunten. De ratio van artikel 8.2 is voorts dat de inhoud van de gemaakte afspraken goed moet worden vastgelegd. Met voornoemde briefwisselingen is dat doel hier reeds bereikt. Gesteld noch gebleken is dat de inhoud van een vaststellingsovereenkomst substantieel zou afwijken van hetgeen partijen thans zijn overeengekomen.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de vordering zal toewijzen.

4.10. Nu partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. gebiedt [gedaagde] om mee te werken aan levering bij notariële akte aan [eiseres] van de voormalige echtelijke woning aan de […] te […], ten overstaan van notaris mr. M.G.S. Meulenbelt van R. Bosboom Notarispraktijk B.V., De Zarken 21, 1141 DK Monnickendam,

5.2. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de akte tot levering van de voormalige echtelijke woning aan [eiseres], of van een deel van een zodanige akte, in het geval [gedaagde] medewerking aan de onder 5.1. bedoelde levering weigert,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.?