Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD2453

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
365902/CV EXPL 07-11126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Consumentenkoop. Leverancier krijgt gelegenheid tegenbewijs te leveren op grond van artikel 7:18 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 336
RCR 2008, 79
Prg. 2008, 143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 365902/CV EXPL 07-11126

datum uitspraak: 21 mei 2008

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde H. Terhoeven

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Oosten Interieur B.V.

te Haarlem

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

hierna te noemen Oosten Interieur

gemachtigde H. Terhoeven

In conventie en in reconventie

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 26 maart 2008 uitgesproken tussenvonnis,

- de akte van [eiser] en

- de akte van Oosten Interieur.

Bij hun onderscheiden aktes hebben beide partijen de kantonrechter verzocht een beslissing te nemen op de voet van artikel 96 Rv.

Ter wille van de leesbaarheid van dit vonnis heeft de kantonrechter hier deels overgenomen wat reeds in het tussenvonnis van 26 maart 2008 was vermeld.

Mede gelet op een door de gemachtigde van [eiser] in dat tussenvonnis geconstateerde kennelijke schrijffout, heeft de kantonrechter de vaststaande feiten hieronder opnieuw geformuleerd.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. Op 31 oktober 2006 heeft [eiser] bij Oosten Interieur een zitbank in een hoekopstelling gekocht.

b. De aankoopprijs bedroeg €7.358,00.

c. [eiser] heeft een aanbetaling gedaan van €1.840,00. Het resterende bedrag van €5.518,00 heeft hij nog niet voldaan.

d. Tevens heeft [eiser] diezelfde dag bij Oosten Interieur een CD-rek gekocht voor de prijs van €695,00. Dit bedrag heeft [eiser] nog niet voldaan.

e. De door [eiser] gekochte bank betreft het merk Rolf Benz Ego, type G “comfort medium.”

f. [eiser] heeft dit type in de showroom van Oosten Interieur bekeken, mede aan de hand van de folder van de fabrikant.

g. In de folder wordt het volgende over het type G vermeld:

“Type G. Klassiek en rechtlijnig.

Met Rolf Benz type G geeft u de voorkeur aan een klassiek design: puristisch en rechtlijnig. Opvallend en typisch zijn hier de rechte zij-elementen met de ertussen geplaatste rug. Zo mooi kan zitcomfort zijn.”

h. Voorafgaande aan de levering van de bank heeft een medewerker van Oosten Interieur de situatie in de woning van [eiser] bekeken, met name de trappen waarover de bank naar boven moest worden gebracht.

i. De bank is op 5 januari 2007 bij [eiser] afgeleverd.

j. Na een klacht door [eiser] zijn door Oosten Interieur in de woning van [eiser] de maten van de bank opgemeten. Daarbij bleek dat diverse maten niet overeenkwamen met de maten van dit type zoals vermeld in de folder.

k. Bij brief van 17 januari 2007 heeft [eiser] Oosten Interieur in gebreke gesteld en voorgesteld dat Oosten Interieur een andere Rolf Benz zou leveren die wel aan de overeengekomen specificaties in de koopovereenkomst voldoet.

l. Daarna heeft een vertegenwoordiger van de fabrikant van de bank in de woning van [eiser] de bank onderzocht.

m. In februari 2007 en maart 2007 heeft Oosten Interieur aan [eiser] bericht dat de fabrikant de bank ter beoordeling zou ophalen en dat besloten zou worden of er een nieuwe bank zou worden gemaakt.

n. Bij brief van 20 maart 2007 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] aan Oosten Interieur bericht dat [eiser] al het vertrouwen in Oosten Interieur had verloren en de koop wenste te annuleren.

o. In antwoord hierop heeft Oosten Interieur op 23 maart 2007 het volgende aan de gemachtigde van [eiser] geschreven:

“(…)

Ik heb inderdaad wat afwijkingen geconstateerd t.o.v. het winkelexemplaar, maar beslist niet gezegd dat het niet herstelbaar zou zijn.

(...)

De leverancier wil toch minimaal de mogelijkheid hebben de klacht te beoordelen, zoals in eerdere correspondentie al is aangegeven.

(…)”

p. Bij brief van 28 maart 2007 heeft diezelfde gemachtigde namens [eiser] aan Oosten Interieur bericht dat deze bereid was de bank nogmaals te laten inspecteren en graag een voorstel met data zou ontvangen om een afspraak te maken.

q. Bij faxbericht van 30 mei 2007 heeft Oosten Interieur aan de gemachtigde van [eiser] het volgende geschreven:

“Tot op heden hebben wij geen reactie van U mogen ontvangen, op onze brief van

29 maart 2007.

(…)

Daarom zijn wij helaas genoodzaakt onze vordering van €6.213,- uit handen te geven.

(…)”

r. Bij brief van 4 juli 2007 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] het volgende aan Oosten Interieur geschreven:

“(…)

Tot driemaal toe zijn reeds mensen bij cliënt langs geweest om de bank en de gebreken te bezien. Door de heer [XXX] van Oosten is tijdens een inspectiebezoek aan cliënt meegedeeld dat alleen een nieuwe bank het probleem op kan lossen.

Cliënt is bereid om nogmaals de bank bij hem thuis te laten inspecteren, iets wat al meermaals aan uw cliënte kenbaar is gemaakt. Echter, cliënt heeft een absolute voorkeur voor annulering van de koop. Uw cliënte betaalt de aanbetaling terug en na bijschrijving op rekening van cliënt, kan door uw cliënte een afspraak worden gemaakt voor het ophalen van de bank.

(…)

Graag verneem ik waarvoor uw cliënte kiest, de bank voor de vierde keer inspecteren bij cliënt thuis, instemming met annulering van de koop of een rechtbankprocedure inzake het openstaande factuurbedrag.

(…)”

s. Bij brief van 7 september 2007 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] het volgende aan de gemachtigde van Oosten Interieur geschreven:

“(…)

Oosten krijgt een finale termijn van 8 dagen na heden om kenbaar te maken of Oosten bereid is zorg te dragen voor deugdelijk herstel (lees: vervanging). De gebreken zijn bij Oosten bekend en een vierde inspectie (en ophalen) is dan ook niet nodig. Blijft een bevestigende reactie binnen de gestelde termijn uit, dan stel ik vast dat Oosten niet haar verzuim wenst te zuiveren. Cliënt zal dan in rechte om bevestiging van de ingeroepen ontbinding vragen.

(…)”

t. Bij brief van 18 september 2007 aan Oosten Interieur heeft de gemachtigde van [eiser] namens deze de overeenkomst ontbonden, aanspraak gemaakt op terugbetaling van de aanbetaling van €1.840,00 en op betaling van een schadevergoeding van €1.500,00 vanwege inbreuk op het woongenot en de aan het dossier bestede tijd.

In conventie

De vordering

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

- Oosten Interieur zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen acht dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, haar ongedaanmakingsverplichting na te komen door terugbetaling van het door [eiser] betaalde voorschot van €1.840,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der ontbinding, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, onder verbeurte van een dwangsom van €500,00 per dag of dagdeel dat Oosten Interieur in strijd handelt met het in dit vonnis te wijzen bevel met een maximum van €7.500,00;

Subsidiair:

- voor zover er zou worden geoordeeld dat de overeenkomst niet rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, de overeenkomst tussen partijen zal ontbinden en Oosten Interieur zal voordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen acht dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, haar ongedaanmakingsverplichting na te komen door terugbetaling van het door [eiser] betaalde voorschot van €1.840,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag ter ontbinding, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, onder verbeurte van een dwangsom van €500,00 per dag of dagdeel dat Oosten Interieur in strijd handelt met het te wijzen bevel met een maximum van €7.500,00;

alsmede:

- gedaagde zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] wegens overlast, inbreuk op zijn woongenot en gemaakte kosten - telefoonkosten, correspondentiekosten, opgenomen vrije dagen, etc. - ad €1.500,00 of een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

- gedaagde zal veroordelen tot betaling van de vergoeding van juridische bijstand en buitengerechtelijke kosten, welke worden gesteld op €1.000,00 of een bedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren.

[eiser] heeft het volgende aan zijn vordering ten grond¬slag gelegd:

[eiser] heeft met name op basis van het showmodel in de winkel en wat erover in de folder werd vermeld besloten tot de koop van de bank. [eiser] was geïnteresseerd in een strakke rechtlijnige bank, die netjes was afgewerkt.

De bank is in oktober 2006 besteld en is op 5 januari 2007 geplaatst.

De afgeleverde bank verschilt op belangrijke punten wezenlijk van het showmodel en de tekst en de foto's die in de folder zijn afgebeeld. De kussens lopen niet rechtlijnig in elkaar over en de afwerking aan de onderzijde is zelfs slordig te noemen. De kussens zijn te bol, wat afbraak doet aan de rechte lijn, waar [eiser] de bank voor verkoos. Door de bolling ontstaan er tevens ruimtes tussen de kussens. Zelfs het frame heeft ongelijke afmetingen.

De bank voldoet niet aan de overeenkomst (artikel 7:17 lid 1 BW). De bank beschikt immers niet over de eigenschappen die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, mede gelet op de bijzondere eigenschappen die de reden vormden om juist deze bank te kopen (artikel 7:17 lid 2 BW).

Het geleverde exemplaar komt niet overeen met het in de showroom getoonde model (artikel 7:17 lid 4 BW).

Het wettelijke vermoeden van artikel 7:18 BW is in dit kader relevant.

Bij brief van 17 januari 2007 heeft [eiser] Oosten Interieur deugdelijk in gebreke gesteld.

Bij brief van 20 maart 2007 heeft [eiser] de koopovereenkomst ontbonden en ongedaan-making geëist. Oosten Interieur heeft hieraan geen gevolg gegeven.

Oosten Interieur is niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor Van Rut-ten haar in lid 1 van artikel 7:21 BW bedoelde verplichtingen nagekomen.

Aangezien de discussie heeft voortgeduurd heeft [eiser] een fatale termijn gesteld op 7 september 2007. Toen ook hieraan niet werd beantwoord is de overeenkomst nogmaals en slechts voor zover nog noodzakelijk op 18 september 2007 ontbonden.

Niet alleen heeft [eiser] recht op ontbinding en ongedaanmaking van de reeds verrichte rechtshandelingen, tevens heeft hij op grond van artikel 7:24 BW recht op schadevergoeding en vergoeding van de kosten van het voorwerk, welke daadwerkelijk zijn gemaakt.

Het verweer

Oosten Interieur heeft het volgende tegen de vordering aangevoerd:

[eiser] heeft, zoals blijkt uit het gestelde op de aankoopbon, zelf gekozen voor het comfort “Medium”. Iedere leek kan begrijpen dat er dus geen sprake kan zijn van een strak kussen.

Tijdens het verkoopgesprek gaf [eiser] duidelijk aan de voorkeur te hebben voor mediumzitcomfort, waardoor een ietwat minder strakke uitstraling van de kussens ontstaat.

Oosten Interieur ontkent met klem dat de geleverde combinatie wezenlijk afwijkt van het showmodel en de tekst en de foto’s in de folder.

Alles is precies conform de folder en showroomexemplaar geleverd.

[eiser] heeft zijn recht op reclame verspeeld, omdat hij Oosten Interieur niet in de gelegenheid heeft gesteld om de vermeende klachten bij de fabrikant te laten checken c.q. te laten repareren indien nodig en/of vereist.

[eiser] kan geen aanspraak maken op vergoeding van kosten conform rapport Voorwerk, omdat deze kosten geheel en al zijn te wijten aan zijn onwil om deze zaak op een redelijke, billijke manier op te lossen.

De gevorderde schadevergoeding ad €1.000,00 zal moeten worden afgewezen als zijnde niet gestoeld op de wet.

In reconventie:

De vordering

Oosten Interieur vordert dat de kantonrechter [eiser] zal veroordelen tot betaling van €7.318,57, te verhogen met de wettelijk verschuldigde rente vanaf 3 juli 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Oosten Interieur heeft haar verweer in conventie ten grondslag gelegd aan zijn vordering in reconventie.

De pro resto nog verschuldigde aankoopsom voor de bank en een CD-rek bedraagt €6.213,00.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [eiser] Oosten Interieur genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. Oosten Interieur heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €931,95. [eiser] dient deze kosten ingevolge de algemene betalingsvoorwaarden dan wel ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan Oosten Interieur te voldoen.

Voorts is [eiser] de wettelijke rente verschuldigd geworden. Deze bedraagt, berekend tot en met 2 juli 2007, €173,62.

Het verweer

[eiser] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie

1. De over en weer ingestelde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2. [eiser] heeft ter comparitie erkend dat hij het bedrag van €695,00 voor het geleverde CD-rek nog moet voldoen. Om die reden kan dit bedrag onmiddellijk worden toegewezen.

3. [eiser] heeft zich met betrekking tot de geleverde bank beroepen op het bepaalde bij artikel 7:17 BW en gesteld dat de geleverde bank niet overeenstemt met het hem in de showroom van Oosten Interieur getoonde model. Volgens [eiser] wijkt de geleverde bank qua maat en vormgeving af van dat model, terwijl het hem nu juist te doen was om de strakke vormgeving zoals deze te zien was aan het getoonde model en op de foto’s in de folder.

4. Vooropgesteld wordt dat [eiser] voldaan heeft aan de bij artikel 7:23 BW gestelde eis om binnen bekwame tijd de afwijking aan Oosten Interieur te melden. Zoals uit de vaststaande feiten blijkt, heeft [eiser] immers kort na de aflevering al geklaagd en heeft hij bij brief van 17 januari 2007 Oosten Interieur in gebreke gesteld.

5. De kantonrechter verwerpt het betoog van Oosten Interieur dat [eiser] zijn recht op reclame heeft verspeeld, omdat hij Oosten Interieur niet in de gelegenheid heeft gesteld om de vermeende klachten bij de fabrikant te laten checken. Voldoende gebleken is immers dat [eiser] die gelegenheid aanvankelijk wel heeft gegeven. Naderhand heeft hij die gelegenheid weliswaar niet meer willen geven, maar dat kan niet tot rechtsverwerking leiden. [eiser] gaf die gelegenheid immers niet meer, omdat hij zijn rechten op de gedane aanbetaling niet wilde prijsgeven wanneer de bank terug zou moeten naar de fabrikant.

6. De afwijkende maten zijn geconstateerd door Oosten Interieur zelf, terwijl het ontbreken van een strakke vormgeving valt af te leiden uit het overgelegde fotomateriaal, te weten: de folder en de van de afgeleverde bank gemaakte foto’s.

7. Artikel 7:18 lid 2 BW bepaalt dat wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Nu de afwijking zich in dit geval binnen de genoemde termijn heeft geopenbaard en de uitzonderingsregel zich hier niet voordoet, wordt daarom vermoed dat de bank niet aan de overeenkomst heeft beantwoord.

8. Het ligt vervolgens op de weg van Oosten Interieur om dat vermoeden te weerleggen door het leveren van tegenbewijs. Oosten Interieur heeft in dat verband gesteld dat een bank met ‘medium zitcomfort’ een andere uitstraling heeft, maar dat er verder niets op de kwaliteit en/of het zitcomfort aan te merken kan zijn. Oosten Interieur heeft voorts gesteld dat, indien [eiser] voor een ‘stevig zitcomfort’ had gekozen, het geheel een wat strakker aanzien zou hebben gekregen, dat hierover tijdens het verkoopgesprek is gesproken, maar dat [eiser] duidelijk aangaf voorkeur te hebben voor het ‘medium zitcomfort’ waardoor een ietwat minder strakke uitstraling van de kussens ontstaat. Oosten Interieur zal tot die bewijslevering worden toegelaten.

9. Indien Oosten Interieur slaagt in het leveren van tegenbewijs staat vast dat de geleverde bank aan de overeenkomst beantwoordt. Voor zover ten gevolge van het transport nog herstel van de bank is vereist (zoals ook door [eiser] is gesteld), is onvoldoende gesteld of gebleken dat dit gebrek van zodanige omvang is dat ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd is (artikel 7: 22 lid 1 aanhef en onder a. BW). De vorderingen in conventie zullen dan moeten worden afgewezen. De vordering van Oosten Interieur zal dan moeten worden toegewezen.

10. Voor het geval Oosten Interieur niet slaagt in de bewijslevering moet geconcludeerd worden dat de geleverde bank niet aan de overeenkomst beantwoordt.

11. In dat geval kan [eiser] zich op ontbinding beroepen indien herstel en vervanging van de bank onmogelijk zijn of van Oosten Interieur niet gevergd kunnen worden (artikel 7:22 lid 2 BW). Herstel en vervanging zijn naar het oordeel van de kantonrechter wel mogelijk. [eiser] heeft daar immers ook op aangedrongen. Dat vervanging van Oosten Interieur niet gevergd kan worden is onvoldoende gesteld en/of gebleken. De kantonrechter moet er dus van uitgaan dat vervanging wel mogelijk is.

12. De secundaire vordering van [eiser] strekkende tot vergoeding van schade wegens overlast, inbreuk op zijn woongenot en gemaakte kosten, zal moeten worden afgewezen. Deze vordering is, gelet op de bestrijding daarvan door Oosten Interieur, onvoldoende concreet onderbouwd.

13. Alvorens verder te beslissen zal de kantonrechter Oosten Interieur, overeenkomstig het door haar gedane bewijsaanbod, tot bewijslevering toelaten.

14. In reconventie zal [eiser] thans worden veroordeeld tot betaling van €695,00 wegens het CD-rek, omdat er geen enkele grond bestaat om zijn betalingsverplichting met betrekking tot dat rek op te schorten. Enig verband tussen de koopovereenkomst met betrekking tot het CD-rek en de koopovereenkomst met betrekking tot de bank ontbreekt immers.

15. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie en in reconventie

Laat Oosten Interieur toe te bewijzen dat de door haar aan [eiser] geleverde bank aan de overeenkomst beantwoordt.

Verwijst de zaak naar de rolzitting van:

WOENSDAG 18 JUNI 2008

voor opgave verhinderdata van partijen en getuigen in de maanden augustus en september 2008.

Bepaalt dat ter rolle geen uitstel zal worden verleend.

Bepaalt dat, indien Oosten Interieur aangeeft getuigen voor te willen brengen, op diezelfde rolzitting een datum voor een buitengewone zitting voor de bewijslevering zal worden vastgesteld, welke zitting zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw aan de Jansstraat 46 te Haarlem.

Bepaalt dat Oosten Interieur uiterlijk één week voor de datum van het getuigenverhoor aan de kantonrechter en de tegenpartij dient op te geven hoeveel getuigen zullen worden voorge¬bracht, onder gelijktijdige opgave van de namen van de getuigen.

Deelt partijen mede dat verzoeken om uitstel van de behan¬deling ter terechtzitting in beginsel alleen in behande¬ling worden genomen, als door verzoeker het stand¬punt van de tegenpartij bekend wordt gemaakt en de ver¬hinderdata van beide partijen, hun eventuele gemachtigden en de getuigen worden opgegeven. Deze verzoeken dienen minimaal twee weken voor de vastgestelde zittingsdatum op de griffie te zijn ingediend.

In reconventie

Veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting aan Oosten Interieur te betalen €695,00, te ver¬meerderen met de wette¬lijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der alge¬hele voldoening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voor¬raad.

In conventie en in reconventie

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.