Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD2319

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
142501/HA RK 08-03
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek in strafzaak afgewezen. Het is niet aan de wrakingskamer om de motivering van de kantonrechter om verzoek tot horen van getuigen niet in te willigen, inhoudelijk te toetsen. Die toetsing is uitsluitend voorbehouden aan de appelrechter. Er is aanleiding om wegens misbruik van het rechtsmiddel wraking toepassing te geven aan artikel 515 vierde lid Wetboek van Strafvordering: een volgend verzoek om wraking van de kantonrechter in de hoofdzaak wordt niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 142501/HA RK 08-03

datum beslissing: 6 mei 2008

Op verzoek van:

[Verzoeker],

wonende te Haarlem,

verzoeker.

1. Procesverloop

1.1 Op de openbare zitting van 11 januari 2008 heeft verzoeker de wraking verzocht van [rechter 2], hierna te noemen: de kantonrechter, in de bij deze rechtbank, sector kanton, aanhangige zaak met parketnummer 15/710767-07, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2 De kantonrechter heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3 De officier van justitie heeft schriftelijk gereageerd.

1.4 Verzoeker, de officier van justitie en de kantonrechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 29 januari 2008. Verzoeker is verschenen; tevoren heeft hij de wrakingskamer nog brieven van 24 januari 2008 en 28 januari 2008 toegestuurd. De kantonrechter en de officier van justitie hebben van de geboden gelegenheid om te worden gehoord, met bericht, geen gebruik gemaakt. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.5 Aan het einde van die zitting heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de leden van deze wrakingskamer ingediend. Bij beslissing van 10 april 2008 (zaaknummer 143176) heeft de wrakingskamer van deze wrakingskamer dat verzoek afgewezen, waarbij verder is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling zal worden genomen en dat deze (wrakings)zaak met zaaknummer 142501 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek. Waar verzoeker zijn standpunt uitvoerig heeft toegelicht ziet de wrakingskamer geen aanleiding om de geschorste zitting te hervatten. De uitspraak in deze zaak is daarop bepaald op 6 mei 2008.

2. Het standpunt van verzoeker

2.1 Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek (samengevat) aangevoerd, dat sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden en dat er gegronde vrees is dat de kantonrechter vooringenomen is. De kantonrechter heeft immers het (tevoren schriftelijk ingediend) verzoek tot het horen van drie door verzoeker met name genoemde getuigen afgewezen. De weigering om die getuigen te horen en het ontbreken van een motivering voor die weigering in het licht van de feiten en het recht, kunnen slechts tot de conclusie leiden dat sprake is van het gegrond zijn van voornoemde vrees. Het verdedigingsbelang van verzoeker brengt het horen van die getuigen mee. Uit de afwijzing van het verzoek leidt verzoeker af dat de kantonrechter zich reeds een oordeel heeft gevormd over de mate van (on)aannemelijkheid van de door verzoeker in zijn verzoekschrift gestelde feiten.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor onpartijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.2 Gesteld noch gebleken zijn omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.3 Ten aanzien van de door verzoeker gestelde vooringenomenheid van de kantonrechter overweegt de wrakingskamer als volgt.

3.4 De wrakingskamer beschikt over het onderliggende strafdossier waarin zich ook het proces-verbaal bevindt van de zitting van 11 januari 2008 in de hoofdzaak. Uit dat proces-verbaal komt onder meer naar voren dat de behandeling van de strafzaak al op 19 oktober 2007 was aangevangen en dat die was geschorst. Uit het zich eveneens in het dossier bevindende proces-verbaal van die eerste zitting blijkt dat de behandeling was geschorst omdat door verzoeker een wrakingsverzoek tegen de toen zitting houdende kantonrechter [rechter 1] was ingediend, welk verzoek door verzoeker is ingetrokken vóórdat -dit door de wrakingskamer ter zitting werd behandeld.

Dat wrakingsverzoek was nagenoeg gelijkluidend aan het thans aanhangige wrakingsverzoek dat verzoeker ter zitting van 11 januari 2008 heeft ingediend. Dit verzoek vermeldt ook vele malen de naam van [rechter 1] als de kantonrechter waartegen verzoeker bezwaren uit; slechts aan het begin daarvan heeft verzoeker eenmaal de naam van [rechter 1] vervangen door die van [rechter 2]. Aangezien het verzoek is ingediend tijdens de behandeling van de strafzaak door [rechter 2], is de wrakingskamer ervan uit gegaan dat het wrakingsverzoek zich richt tegen [rechter 2], hierna wederom te noemen: de kantonrechter. De wrakingskamer beschikt voorts over de reactie van de kantonrechter naar aanleiding van dit wrakingsverzoek.

3.5 De kantonrechter heeft blijkens het proces-verbaal het verzoek tot het horen van getuigen afgewezen omdat daarmee volgens hem geen de verdediging betreffend belang werd geschaad; ter toelichting heeft de kantonrechter verzoeker daarbij ter zitting meegedeeld dat hij de stukken heeft bestudeerd en de verklaringen en citaten van de getuigen heeft gelezen en dat de mening van verzoeker over die verklaringen en citaten niets anders inhield dan dat die onjuist en onvolledig zijn.

3.6 De bewijslast van omstandigheden, indien al gesteld, die aanwijzingen vormen van vooringenomenheid bij de kantonrechter, ligt bij verzoeker. Verzoeker heeft daaromtrent geen voldoende onderbouwde stelling(en) naar voren gebracht, laat staan dat hij die heeft bewezen of zelfs maar aannemelijk gemaakt. Dat verzoeker eerder in dezelfde hoofdzaak een bijna geheel overeenkomstig verzoek heeft ingediend tegen de toen zittinghoudende kantonrechter en dat hij ter zitting van 11 januari 2008 eenmaal de naam van de daarin vermelde rechter heeft aangepast aan de op 11 januari 2008 zitting houdende rechter, is eerder een aanwijzing die in dezen in het nadeel van verzoeker kan worden uitgelegd. De enkele omstandigheid dat de kantonrechter het verzoek om getuigen te horen heeft afgewezen en het gegeven dat verzoeker zich niet in de motivering van de afwijzing kan vinden, levert geen grond voor wraking op. Anders dan verzoeker schijnt te veronderstellen, is het niet aan de wrakingskamer om die motivering inhoudelijk te toetsen. Die toetsing is uitsluitend voorbehouden aan de appelrechter.

3.7 Anders dan verzoeker ter zitting in onderhavige zaak nog heeft verzocht, ziet de wrakingskamer daarom geen aanleiding om de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek te hervatten en de kantonrechter te verzoeken alsnog voor hem ter verschijnen.

3.8 Het voorgaande voert tot de slotsom dat niet is gebleken van een uitzonderlijke omstandigheid, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, waardoor niet langer kan worden uitgegaan van het vermoeden dat hij onpartijdig is. Van omstandigheden die afgezien van de persoonlijke opstelling van de kantonrechter bij verzoeker vrees voor partijdigheid objectief rechtvaardigen, is evenmin gebleken. Het verzoek tot wraking van de kantonrechter zal daarom worden afgewezen.

3.9 Waar verzoeker reeds bij de eerste behandeling van de strafzaak [rechter 1] schriftelijk heeft gewraakt en na intrekking van dit verzoek bij de nieuwe behandeling [rechter 2] heeft gewraakt - waarbij verzoeker zijn wrakingsverzoek reeds op voorhand gereed had - ziet de wrakingskamer aanleiding om toepassing te geven aan artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat is gebleken van misbruik van het rechtsmiddel wraking. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek om wraking van de kantonrechter in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 wijst het verzoek om wraking af;

4.2 bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking van de kantonrechter in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen;

4.3 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de kantonrechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.4 bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Guinau, voorzitter, en mrs. C.J. Baas en B. Vogel, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2008 in tegenwoordigheid van mr. I.M. ter Sluis als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.