Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD1682

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
08-3028, 08-3043, 08-3036
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft een erfenis ontvangen, maar zijn erfdeel is onder bewind gesteld. Verweerder heeft ten onrechte de bijstandsuitkering (geheel) beëindigd, nu verzoeker niet zomaar, maar alleen met medewerking van de bewindvoerders of door het voeren van gerechtelijkeprocedures zijn erfenis kan opeisen. Vastgesteld wordt dat verzoeker thans niet over middelen beschikt. Verweerder had op grond van artikel 55 WWB een verplichting kunnen opleggen. Er bestaat echter geen grond om uitkering onder verwijzing naar dit artikel beëindigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 08 - 3028, 08-3043, 08-3036

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 mei 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. A. Oass, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede,

verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2008, verzonden op 8 februari 2008, heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld zijn uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 1 maart 2008 wordt beëindigd.

Bij besluit van 30 januari 2008, verzonden op 12 februari 2008, heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn aanvraag om langdurigheidstoeslag voor het jaar 2007 wordt afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2008, verzonden op 12 februari 2008, heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat de bijzondere bijstand voor bijdrage in de premie ziektekosten op grond van de WWB met ingang van 1 februari 2008 wordt beëindigd (de voorzieningenrechter leest: ingetrokken).

Tegen deze besluiten heeft verzoeker bij brief van 13 februari 2008, aangevuld bij brief van 26 maart 2008, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 27 maart 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 9 mei 2008, alwaar verzoeker zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.R. Staller en B. Disseldorp.

2. Overwegingen

2.1 Gebleken is dat verzoeker een uitkering ontving krachtens de WWB naar de norm van een alleenstaande. Op respectievelijk [datum] 2002 en [datum] 2002 zijn de ouders van verzoeker overleden. Verzoeker heeft een bedrag van € 49.223,18 geërfd. Bij testament is vastgelegd onder punt IV:

'Ik stel hetgeen mijn zoon [verzoeker], hierna aangeduid met "onder-bewindgestelde", uit mijn nalatenschap verkrijgt onder bewind, onder de volgende bepalingen:

1. het bewind vangt aan op de dag van mijn overlijden en eindigt zodra de onder-bewindgestelde de leeftijd van vijf en zestig jaar heeft bereikt of eerder overlijdt; [...]

4. het bewind is uitsluitend ingesteld in het belang van onder-bewindgestelde; [...]

6. de bewindvoerder bepaalt of en in welke mate de inkomsten uit het onder-bewindgestelde vermogen aan de eigenaar ter beschikking worden gesteld;

7. de bewindvoerder heeft de bevoegdheid om - indien het belang van de onder-bewindgestelde dit naar zijn oordeel vordert, waaronder zonder meer huisvesting of studie van de onder-bewindgestelde zijn begrepen - het kapitaal in te teren; [...]

Bij besluit van 7 februari 2008 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 maart 2008 te beëindigen, omdat er sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, WWB. Als voorliggende voorziening wordt aangemerkt het vermogen dat is vrijgekomen uit de nalatenschap van verzoekers ouders. Dit vermogen is volgens verweerder hoger dan het wettelijk toegestane vrij te laten vermogen ad. € 5.325,00. Verweerder heeft voorts verwezen naar artikel 55 WWB. Volgens verweerder moet verzoeker zijn bewindvoerder verzoeken om het vermogen vrij te maken voor levensonderhoud. Indien de bewindvoerder hier niet aan meewerkt, kan verzoeker zich wenden tot de Rechtbank om via een kort geding het vermogen op te eisen ten behoeve van levensonderhoud, aldus verweerder. Op grond van artikel 36, eerste lid, WWB is verzoekers aanvraag om landurigheidstoeslag voor het jaar 2007 afgewezen. Tevens is verzoekers recht op bijzondere bijstand inhoudende bijdrage in de premie ziektekostenverzekering ingetrokken, omdat verzoeker een vermogen heeft dat hoger is dan het wettelijk vrij te laten vermogen.

2.2 Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, teneinde de besluiten van 8 februari 2008 en 12 februari 2008 te schorsen zodat tot betaling van de uitkering dient te worden overgegaan. Verzoeker heeft in bezwaar aangevoerd dat hij niet de beschikking heeft over een vermogen hoger dan het wettelijk toegestane vrij te laten vermogen, nu zijn deel van de erfenis onder bewind is gesteld. Pas als hij 65 jaar oud is kan verzoeker over het vermogen beschikken. Verzoeker heeft thans geen inkomen op grond waarvan hij in zijn levensonderhoud kan voorzien. Verzoeker is afhankelijk van de bewindvoerders - te weten zijn broer en zus - en die willen niet overgaan tot uitkering van het vermogen daar zij gehouden zijn aan de wil van hun ouders zoals neergelegd in het testament.

2.3 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.4 Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat verzoekers bijstandsuitkering is beëindigd, op grond van artikel 15 WWB, omdat sprake zou zijn van een voorliggende voorziening, te weten het geld dat verzoeker heeft geërfd.

2.5 Ingevolge artikel 15, eerste lid, WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt

2.6 In artikel 5 aanhef en onder f WWB is bepaald dat een voorliggende voorziening betreft, elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep op kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

2.7 Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 5 WWB (Kamerstukken II 2002-2003 28 870, nr.3, p. 35-35) blijkt dat de begripsomschrijving tot uitdrukking brengt dat elke andere bestaansvoorziening voor deze wet, als sluitstukvoorziening, het karakter heeft van een voorliggende voorziening, die met voorrang op deze wet dient te worden toegepast. Tot de voorliggende voorzieningen worden gerekend alle mogelijke prestaties op grond van publiekrechtelijke regelingen, dan wel op grond van privaatrechtelijke regelingen zoals bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst. Het gaat om regelingen waaraan rechten kunnen worden ontleend. Een erfenis is niet zo een regeling als bedoeld in artikel 15 WWB. De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat het geërfde bedrag geen voorliggende voorziening betreft, zoals wordt bedoeld in artikel 15, eerste lid, WWB.

2.8 De erfenis van verzoeker dient te worden aangemerkt als middel als bedoeld artikel 31, eerste lid, WWB en dan meer specifiek als vermogen in de zin van artikel 34 WWB. Immers, in artikel 31 WWB is bepaald dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

2.9 Op grond van artikel 11, eerste lid WWB, heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

2.10 Nu verweerder aangeeft dat verzoeker geen recht op bijstand heeft omdat hij naar mening van verweerder voldoende vermogen heeft om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien, zou - als verweerder in dit standpunt zou kunnen worden gevolgd - eiser op grond van artikel 11 WWB niet langer rechthebbende in de zin van de WWB zijn. In de artikelen 43 en 44 WWB is dan de bevoegdheid tot beëindigen van het recht op bijstand gegeven. Met een verwijzing in de bestreden beschikking naar artikel 15 WWB heeft verweerder naar oordeel van de voorzieningenrechter dan ook een verkeerd toetsingskader gebruikt.

2.11 Daarbij stelt de voorzieningenrechter vast dat, nu verzoekers erfenis onder bewind is gesteld, verzoeker op dit moment feitelijk niet over middelen beschikt. Immers, verzoeker kan niet - zonder medewerking van de bewindvoerders - zelfstandig over zijn geërfde bedrag beschikken. Bovendien blijkt ook uit het dossier dat de bewindvoerders hebben aangegeven overeenkomstig de wil van de erflaters te handelen, wat erop neerkomt dat de bewindvoerders niet eerder dan op het moment dat verzoeker 65 jaar oud wordt, de onder-bewindstelling zullen laten eindigen. Gelet hierop zal verzoeker niet anders dan via gerechtelijke procedures kunnen proberen het testament aan te vechten of zijn legitieme portie op te eisen. De voorzieningenrechter volgt verweerder dan ook niet in diens stelling dat verzoeker nu of op korte termijn over middelen kan beschikken. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker op dit moment wel rechthebbende is op grond van artikel 11 WWB.

2.12 In het bestreden besluit heeft verweerder voorts verwezen naar artikel 55 WWB. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat ook artikel 55 WW geen deugdelijke grondslag biedt voor beëindiging van verzoekers bijstandsuitkering. Verwezen wordt in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 januari 2008 (LJN-nummer BC3126).

2.13 In artikel 55 WWB is bepaald - voor zover hier relevant - dat het college verplichtingen kan opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.

2.14 Verweerder heeft in het bestreden besluit echter niet een dergelijke verplichting opgelegd. Verweerder heeft verzoekers uitkering met een verwijzing naar artikel 55 WWB beëindigd en daarbij vermeld dat verzoeker zijn bewindvoerder dient te verzoeken om het vermogen vrij te maken voor levensonderhoud. Verweerder was echter op grond van artikel 55 WWB slechts bevoegd om een specifieke verplichting aan verzoeker op te leggen en niet verzoekers bijstandsuitkering direct te beëindigen. Uit de bovengenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep vloeit voorts voort dat bij - eventuele - niet nakoming van een verplichting het college gehouden is om op grond van artikel 18, tweede lid, WWB, in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, WWB bedoelde verordening, de bijstand te verlagen en kan niet in plaats daarvan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot beëindiging van het recht op bijstand.

2.15 Gelet op het voorgaande ontbeert het bestreden besluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de beëindiging van verzoekers bijstandsuitkering een deugdelijke grondslag. Daaruit volgt dat dit ook geldt ten aanzien van de afwijzing van verzoekers aanvraag om een langdurigheidstoeslag en het beëindigen van verzoekers recht op bijzondere bijstand. Gelet hierop zullen deze besluiten geen stand kunnen houden in de bodemprocedure.

2.16 Verzoekster is voor zijn bestaan afhankelijk van bijstand en door het ontbreken van bijstand is hij in financiële problemen geraakt.

2.17 Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek daartoe zal derhalve op de hierna vermelde wijze worden toegewezen.

2.18 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst de bestreden besluiten van respectievelijk 30 januari 2008 (langdurigheidstoeslag), 1 februari 2008 (bijzondere bijstand) en 7 februari 2008 (algemene bijstand) tot zes weken na verzending van de respectieve beslissingen op bezwaar;

3.3 draagt verweerder op verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2008 tot zes weken na de beslissing op bezwaar voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm;

3.4 draagt verweerder op verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2008 tot zes weken na de beslissing op bezwaar voorschotten op de bijzondere bijstand voor bijdrage in de premie ziektekostenverzekering ad € 10,- per maand, te verstrekken;

3.5 draagt verweerder op binnen een redelijke termijn de aanvraag om langdurigheidstoeslag verder te behandelen;

3.6 veroordeelt het college van burgemeesters en wethouders van Heemstede in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,-, welk bedrag de gemeente Heemstede dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.7 gelast dat de gemeente Heemstede het door verzoeker betaalde griffierecht ad drie maal € 39,- (in totaal € 117,-) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en op 9 mei 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.