Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD1549

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
06/10551
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Het kantoor en de woning zijn twee zelfstandige, los van elkaar bruikbare goederen. Geen recht op aftrek van het geheel dan wel van een gedeelte van de omzetbelasting die ter zake van de aan de woning verrichte diensten aan haar in rekening is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/996
FutD 2008-1065
V-N 2008/40.2.4

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/10551 en 06/10553

Uitspraakdatum: 9 april 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

X h.o.d.n. Y, wonende te Huizen, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Hilversum, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 25 augustus 2004 over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 83.023.

1.2. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 25 augustus 2004 over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2004 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 9.396.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 13 januari 2006 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.4. Eiseres heeft daartegen bij brief van 2 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 3 augustus 2006, beroep ingesteld. Eiseres heeft het beroep nader aangevuld bij brief van 9 oktober 2006.

1.5. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, mr. A. Namens verweerder is verschenen mr. B. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De gemachtigde van eiseres heeft, met instemming van verweerder, een overzicht van de omzetbelastinggegevens van eiseres van het jaar 2003 overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres een bouwtekening laten zien. Verweerder heeft op deze tekening kunnen reageren.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft een adviesbureau op het gebied van management coaching, interim- en verandermanagement onder de naam Y. Voor deze activiteit is zij ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

2.2. Eiseres heeft in 2002 met haar echtgenoot een boerderij gekocht aan de a-straat 0 - 4 te Q. De boerderij bestond voor de verbouwing uit een woongedeelte (a-straat 4) met daaraan verbonden een stal (kadastraal bekend als a-straat 0 en 2). Eiseres en haar echtgenoot zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.3. Eiseres heeft de boerderij verbouwd tot woning en kantoor. Het buitenaanzicht van het pand is op aandringen van de welstandscommissie van de gemeente behouden gebleven. Van binnen is het pand gerenoveerd. Het woongedeelte is uitgebreid en omvat na de verbouwing a-straat 2 en 4 (hierna: de woning). Het kantoor is gevestigd in een deel van de voormalige stal en is kadastraal bekend als a-straat 0 (hierna: het kantoor). De woning en het kantoor zijn na de verbouwing op 13 december 2003 in gebruik genomen.

2.4. De woning en het kantoor hebben ieder een eigen entree met voordeur en hal. Het kantoor beschikt over twee kamers, een toilet en een pantry. Het kantoor heeft een eigen cv-installatie en meterkast. De woning en het kantoor beschikken ieder over eigen nutsvoorzieningen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres een toelichting gegeven op de bouwtekeningen, die tot de gedingstukken behoren.

2.5. Eiseres heeft in haar aangiften omzetbelasting voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het jaar 2003 de omzetbelasting op de verbouwingskosten in aftrek gebracht voor zover deze kosten betrekking hebben op het kantoor. In haar aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal van 2003 heeft eiseres, naast de omzetbelasting op de verbouwingskosten van dat kwartaal, de omzetbelasting op de totale verbouwingskosten van de woning in aftrek gebracht.

2.6. Verweerder is op 1 juli 2004 een boekenonderzoek begonnen. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd.

2.7. Niet in geschil is dat de verbouwing niet heeft geleid tot de vervaardiging van een nieuw goed.

2.8. Niet in geschil is dat eiseres 25 procent van het pand, zijnde het kantoor, binnen het kader van haar onderneming gebruikt. De nageheven belasting ziet op de resterende 75 procent van het pand, zijnde de woning. De met beide percentages samenhangende bedragen zijn niet in geschil.

2.9. Het bezwaarschrift is ingediend door de toenmalige gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft de uitspraken op bezwaar naar het adres van eiseres gezonden. Niet in geschil is dat verweerder de uitspraken op bezwaar niet aan de toenmalige gemachtigde heeft gezonden.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiseres de verbouwingsdiensten aan haar bedrijfsvermogen kan toerekenen en dientengevolge recht heeft op aftrek van de omzetbelasting op de verbouwing van de woning. Primair dient in dit verband de vraag te worden beantwoord of het pand als één goed dient te worden beschouwd. Subsidiair is in geschil of, indien de woning en het kantoor aparte goederen vormen, eiseres recht heeft op aftrek van de omzetbelasting op de verbouwing van de woning omdat deze gemengd wordt gebruikt.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3.3. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en naar het aangehechte proces-verbaal.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 6:17 van de Awb bepaalt dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde zendt. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de toenmalige gemachtigde heeft verzocht of anderszins heeft doen blijken dat de uitspraken op de bezwaarschriften naar een ander adres moesten worden verzonden dan naar zijn op de bezwaarschriften vermelde adres. Gelet op hetgeen onder 2.9. is vermeld, zijn de uitspraken niet overeenkomstig artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht aan de toenmalige gemachtigde verzonden. De beroepstermijn is derhalve op 14 juli 2006 aangevangen, zodat eiseres ontvankelijk is in haar beroepen.

4.2. Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat het kantoor en de woning twee zelfstandige, los van elkaar bruikbare goederen zijn. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de toegangsdeur tot het kantoor niet of nauwelijks wordt gebruikt door haar zakelijke gasten en dat deze gasten hoofdzakelijk via de hoofdingang van het pand binnenkomen waarbij zij gebruik maken van de garderobe in de woning. Desgevraagd geeft eiseres als reden hiervoor het feit dat de hoofdingang eerder door de bezoeker wordt bereikt. Daarbij komt dat de toegangsdeur tot het kantoor kleiner is, omdat het een voormalige staldeur betreft, waarvan de oorspronkelijke afmetingen niet mochten worden gewijzigd. Deze afmetingen zijn echter zodanig dat iemand met een normaal postuur gewoon naar binnen kan gaan. Een lang persoon zal iets moeten bukken. Dit gestelde doet er naar het oordeel van de rechtbank echter niet aan af dat zowel de woning als het kantoor beschikken over alle faciliteiten die het normale gebruik overeenkomstig hun bestemming mogelijk maken. Zij zijn niet op een wijze met elkaar verbonden die het aparte gebruik van beide of één der delen onmogelijk maakt of ertoe leidt dat het ene deel ondergeschikt is aan het andere deel. De keuze van eiseres om haar zakelijke gasten toegang te verschaffen via de hoofdingang van het pand, maakt dit niet anders nu deze keuze niet is gebaseerd op de objectieve kenmerken en eigenschappen van het kantoor, maar op subjectieve en persoonlijke overwegingen.

4.3. Hetgeen eiseres heeft gesteld over de omvang van het zakelijke gebruik van de woning kan er niet toe leiden dat de omzetbelasting kan worden afgetrokken, die aan eiseres voor de verbouwing van de woning in rekening is gebracht. Het zakelijke gebruik is zowel absoluut als relatief verwaarloosbaar ten opzichte van het gebruik van de woning voor andere dan zakelijke doeleinden, zodat eiseres geen recht heeft op aftrek van het geheel dan wel van een gedeelte van de omzetbelasting die ter zake van de aan de woning verrichte diensten aan haar in rekening is gebracht.

4.4. Verweerder heeft de omzetbelasting, die eiseres ter zake van de verbouwing van de woning in aftrek heeft gebracht, terecht nageheven. De hoogte van de nageheven bedragen is niet in geschil, zodat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt geen aan¬lei¬ding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. E. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Jalink, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.