Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD1215

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
07/3412
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4862, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft bij de betaling van de naheffingsaanslag omzetbelasting een niet bestaand kenmerk vermeld en de bedoeling van eiseres was overigens ook niet kenbaar. Belastingen vormen een brengschuld als bedoeld in artikel 6:116, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Verweerder heeft derhalve het recht te bepalen, hoe hij de betaling wenst te ontvangen. De voorschriften dienen te voldoen aan een aantal beginselen, zoals de redelijkheid en de billijkheid. Van een schending van deze beginselen aan de zijde van verweerder is de rechtbank niet gebleken. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/965
FutD 2008-1066
V-N 2008/40.2.1

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3412

Uitspraakdatum: 28 april 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

gemachtigde: A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Hilversum, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 juli 2007 op het bezwaar van eiseres tegen

de aan eiseres met datum 24 februari 2005 over het vierde kwartaal van 2004 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer 00) ten bedrage van € 1.187 alsmede de bij beschikking opgelegde boete van € 59.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2008.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, A.

Namens verweerder zijn verschenen B en mr. C.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een kopie daarvan is aan deze uitspraak gehecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 80,50 en wijst de Staat aan deze kosten aan eiseres te vergoeden.

Gronden

1. Op 31 januari 2005 heeft verweerder van eiseres een bedrag van € 3.420 ontvangen met de omschrijving: “0000 0000”.

2. Op 24 februari 2005 heeft verweerder een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete over het vierde kwartaal 2005 opgelegd.

3. Op 8 maart 2005 heeft verweerder een bedrag van € 1.187 aan eiseres teruggestort wegens teveel betaalde loonbelasting. Als reden voor de terugstorting geeft verweerder dat eiseres de bedragen loonbelasting en omzetbelasting in een verzamelbetaling heeft gedaan, waarbij zij voor de omzetbelasting een betalingskenmerk heeft gebruikt dat niet correct was waardoor het voor verweerder onduidelijk was waar dit deel van de betaling betrekking op had.

4. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting naheffen.

5. Eiseres heeft beroep aangetekend tegen het niet tijdig nemen van een besluit inzake het bezwaarschrift van 1 maart 2005, dat was gericht tegen de naheffingsaanslag. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 11 juli 2007. Hierna zal de rechtbank beoordelen of het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 11 juli 2007 gegrond is.

6. De rechtbank stelt voorop dat zij verweerder volgt in zijn stelling dat belastingen een brengschuld vormen als bedoeld in artikel 6:116, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Verweerder heeft derhalve het recht te bepalen, hoe hij de betaling wenst te ontvangen. De voorschriften dienen te voldoen aan een aantal beginselen, zoals de redelijkheid en de billijkheid. Van een schending van deze beginselen aan de zijde van verweerder is de rechtbank niet gebleken. Om bijna 200 miljoen financiële transacties per jaar te verwerken, maakt de Belastingdienst noodzakelijkerwijs gebruik van een geautomatiseerd systeem. Dit is normaal en te doen gebruikelijk voor een organisatie die op dergelijke schaal betalingen moet verwerken. Niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken is aannemelijk dat de gecombineerde wijze van betaling van loonbelasting en omzetbelasting door eiseres bij verweerder aanleiding geeft tot toerekeningproblemen en aldus verweerder noodzaakt tot handmatige verwerking van betalingen, die normaal op geautomatiseerde wijze worden verwerkt. Niet in geschil is dat in dit geval de omschrijving van de door verweerder op 31 januari 2005 ontvangen betaling een niet bestaand kenmerk betrof, althans geen omschrijving welke toe te rekenen is aan de verschuldigde omzetbelasting over het vierde kwartaal 2004. Deze mismatch heeft er toe geleid dat het bedrag niet is toegerekend aan de aangifte omzetbelasting maar als teveel betaalde loonbelasting aan eiseres is teruggestort.

7. Op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag omzetbelasting was de betaling die door eiseres bedoeld was als betaling van omzetbelasting over het vierde kwartaal 2004 op de bankrekening van de Belastingdienst bijgeschreven. Nu bij de betaling een niet bestaand kenmerk was vermeld en de bedoeling van eiseres overigens niet kenbaar was, uit bijvoorbeeld een niet mis te verstane aanvullende mondelinge of schriftelijke toelichting op de betaling, was niet voldoende duidelijk en buiten twijfel vast te stellen op welke belasting de betaling betrekking had. Onder deze omstandigheden was verweerder niet gehouden om de betaling aan te merken als een betaling van omzetbelasting over het vierde kwartaal 2004 en stond het verweerder vrij het bedrag terug te storten op de rekening van eiseres. Eiseres heeft de verschuldigde omzetbelasting dus niet betaald. Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht is opgelegd.

8. Ten aanzien van de boete overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen. Verweerder heeft met toepassing van voormeld artikel 67c en paragraaf 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) een verzuimboete opgelegd van vijf procent. Nu eiseres over het derde kwartaal van 2004 een eerste verzuim heeft gepleegd, is sprake van een tweede verzuim, zodat de boete in beginsel tot het juiste bedrag is opgelegd.

9. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van avas. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres meerdere brieven van verweerder heeft ontvangen om haar op de moeilijkheden te wijzen die de door haar gevolgde betaalwijze veroorzaakten, en dat eiseres desalniettemin heeft volhard in deze betaalwijze. Zij kon zich ervan bewust zijn dat het voortzetten van deze betaalwijze tot gevolg kon hebben dat de betaling van de omzetbelasting voor het vierde kwartaal van 2004 door verweerder niet zou worden herkend en dus niet als betaling van de betreffende belastingschuld zou worden aangemerkt.

10. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de gemachtigde heeft gesteld dat eiseres een belang heeft bij het structureel combineren van betalingen. Dit belang zou bestaan in het beperken van de kosten van spoedoverboekingen. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de kosten die samenhangen met een spoedoverboeking € 2,60 bedragen. De rechtbank benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor een tijdige betaling - en dus voor het voorkomen van spoedbetalingen - bij eiseres ligt. Indien eiseres de kosten van een spoedboeking wil beperken, zal zij de bedragen eerder over moeten maken. Zij kan hiervoor gebruik maken van de accept-giro die verweerder speciaal voor dit doel ter beschikking stelt. Dat eiseres er, blijkens de ter zitting afgelegde verklaring, kennelijk de voorkeur aan geeft andere crediteuren eerder te betalen dan verweerder, komt voor haar risico. Indien eiseres zichzelf toch in de positie brengt dat zij een spoedbetaling moet doen, zal zij dit op de door verweerder voorgeschreven wijze moeten doen: één spoedbetaling per aangifte c.q. belastingaanslag. Dat andere crediteuren geen of minder eisen stellen, kan eiseres verweerder niet tegenwerpen. Verweerder is bevoegd zelf te bepalen hoe hij de betaling wenst te ontvangen. De gekozen manier komt de rechtbank, gelet op de verklaring die verweerder ter zitting heeft gegeven, redelijk en billijk voor. Eiseres kan de gevolgen van haar handelwijze niet op de samenleving afwentelen. Uit het voorgaande volgt dat de boete terecht is opgelegd.

11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

12. Hoewel het beroep ongegrond is, ziet de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, nr. 38.440, reden voor een proceskostenveroordeling. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) stelt de rechtbank het bedrag van de kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op € 80,50 (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 0,25). De overige beroepshandelingen, zoals de conclusie van repliek en het verschijnen ter zitting, hebben betrekking op de behandeling in beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 11 juli 2007. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.