Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD1205

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
145406/2008-1434
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De raadsvouw van betrokkene heeft verzocht om het verzoek af te wijzen, omdat de geneeskundige verklaring is ondertekend door een agnio; deze arts is geen psychiater. De door de Hoge Raad geformuleerde eis houdt in dat er een onderzoek moet zijn geweest door een onafhankelijke psychiater, aldus de raadsvrouw.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het psychiatrisch onderzoek van betrokkene in nauwe samenwerking tussen en onder directe supervisie van de verantwoordelijke psychiater-achterwacht en de arts-geneeskundige in opleiding tot stand is gekomen. In het geval dat uit de geneeskundige verklaring evenwel onvoldoende blijkt dat sprake is van een onderzoek door een psychiater die betrokkene zelf heeft onderzocht, verdient het de voorkeur een niet bij de behandeling betrokken, onafhankelijke, psychiater alsnog na opneming van betrokkene een beoordeling uit te laten voeren. In het onderhavige geval heeft voornoemd onderzoek tot de zitting nog niet plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt uit de verklaring van mevrouw H. ter zitting dat voornoemde beoordeling standaard wordt uitgevoerd na opname, doch nagelaten is bij betrokkene die reeds circa zes weken op de gesloten afdeling, alwaar mevrouw H. werkzaam is, verbleef en daar reeds langdurig intramuraal is geobserveerd.

Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank telefonisch op 21 april 2008 aan [naam psychiatrisch ziekenhuis] verzocht alsnog een aanvullend psychiatrisch onderzoek betreffende betrokkene uit te voeren.

Uit de op 22 april 2008 ter griffie ontvangen rapportage van B., psychiater bij [naam psychiatrisch ziekenhuis], is gebleken dat in het gesprek met betrokkene op 21 april 2008 er nog steeds sprake is van een ernstig vermoeden van een geestelijke stoornis, te weten PTSD beeld gecompliceerd met mogelijke depressie onderliggend naar borderline persoonlijkheidsproblematiek, uit welke stoornis een verhoogd suïciderisico voortvloeit.

De rechtbank begrijpt de verklaring aldus dat de onafhankelijke psychiater bij de beoordeling van de stoornis en het gevaar dat daaruit voortvloeit de gronden die aanleiding zijn geweest tot het opmaken van de geneeskundige verklaring van 16 april 2008 heeft betrokken en na eigen onderzoek heeft onderschreven.

Alle omstandigheden, verklaringen en ter beschikking staande stukken in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat aldus op betrouwbare wijze is vastgesteld dat de gronden voor een inbewaringstelling aanwezig waren en voor de machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling aanwezig zijn.

Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

voortzetting inbewaringstelling

zaak-/rekestnr.: 145406/08-1434

beschikking van de enkelvoudige kamer van 21 april 2008,

betreffende:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

hierna ook: betrokkene,

verblijvende in psychiatrisch ziekenhuis [naam], locatie [] te [plaats].

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 17 april 2008 ter griffie van de rechtbank ontvangen verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, met bijlagen;

- de medische verklaring van B., psychiater Kortdurende psychiatrie polikliniek/Zuid Kennemerland, ingekomen ter griffie op 22 april 2008.

en het verhandelde ter terechtzitting op 21 april 2008.

De rechtbank heeft op 21 april 2008, met instemming van de raadsvouw van betrokkene, telefonisch gehoord mevrouw S., psychiater bij [naam psychiatrisch ziekenhuis].

Betrokkene is ter zitting bijgestaan door mr. M.B. Meindersma.

2 Beoordeling

Uit de inhoud van de overgelegde stukken, de gehouden verhoren en de verkregen inlichtingen, is het volgende gebleken:

De raadsvouw van betrokkene heeft verzocht om het verzoek af te wijzen, omdat de geneeskundige verklaring is ondertekend door een agnio; deze arts is geen psychiater. De door de Hoge Raad geformuleerde eis houdt in dat er een onderzoek moet zijn geweest door een onafhankelijke psychiater, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het verweer overweegt de rechtbank het volgende.

De geneeskundige verklaring is op 16 april 2008 opgemaakt door de heer K. Uit het telefonisch gehouden verhoor met mevrouw S., psychiater en opleidster, is de rechtbank gebleken dat voorafgaand en aansluitend aan het onderzoek van betrokkene de heer K. overleg heeft gevoerd met mevrouw S. De heer K. is psychiater in opleiding, aldus mevrouw S. Zijn bevindingen, met name anamnese, psychiatrisch onderzoek en risico-taxatie zijn besproken met mevrouw S. Als eindverantwoordelijke heeft mevrouw S. vervolgens telefonisch de beslissing genomen om een geneeskundige verklaring op te laten maken door de heer K. Mevrouw S. heeft betrokkene niet zelf onderzocht.

De rechtbank stelt vast dat mevrouw S. in haar hoedanigheid van geraadpleegde psychiater is vermeld in de geneeskundige verklaring.

Ter zitting is gebleken dat betrokkene reeds geruime tijd, aanvankelijk op vrijwillige basis en aansluitend op grond van een last tot inbewaringstelling, nog steeds op de gesloten afdeling [] verblijft.

De rechtbank stelt vast dat betrokkene niet, conform de interne werkwijze van de instelling, is gezien door een onafhankelijk psychiater, niet zijnde de behandelaar van betrokkene.

Mevrouw H., de behandelaar van betrokkene, was en is ook nu nog dagelijks betrokken bij de voortgezette behandeling.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het psychiatrisch onderzoek van betrokkene in nauwe samenwerking tussen en onder directe supervisie van de verantwoordelijke psychiater-achterwacht en de arts-geneeskundige in opleiding tot stand is gekomen. In het geval dat uit de geneeskundige verklaring evenwel onvoldoende blijkt dat sprake is van een onderzoek door een psychiater die betrokkene zelf heeft onderzocht, verdient het de voorkeur een niet bij de behandeling betrokken, onafhankelijke, psychiater alsnog na opneming van betrokkene een beoordeling uit te laten voeren. In het onderhavige geval heeft voornoemd onderzoek tot de zitting nog niet plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt uit de verklaring van mevrouw H. ter zitting dat voornoemde beoordeling standaard wordt uitgevoerd na opname, doch nagelaten is bij betrokkene die reeds circa zes weken op de gesloten afdeling, alwaar mevrouw H. werkzaam is, verbleef en daar reeds langdurig intramuraal is geobserveerd.

Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank telefonisch op 21 april 2008 aan [naam psychiatrisch ziekenhuis] verzocht alsnog een aanvullend psychiatrisch onderzoek betreffende betrokkene uit te voeren.

Uit de op 22 april 2008 ter griffie ontvangen rapportage van B., psychiater bij [naam psychiatrisch ziekenhuis], is gebleken dat in het gesprek met betrokkene op 21 april 2008 er nog steeds sprake is van een ernstig vermoeden van een geestelijke stoornis, te weten PTSD beeld gecompliceerd met mogelijke depressie onderliggend naar borderline persoonlijkheidsproblematiek, uit welke stoornis een verhoogd suïciderisico voortvloeit.

De rechtbank begrijpt de verklaring aldus dat de onafhankelijke psychiater bij de beoordeling van de stoornis en het gevaar dat daaruit voortvloeit de gronden die aanleiding zijn geweest tot het opmaken van de geneeskundige verklaring van 16 april 2008 heeft betrokken en na eigen onderzoek heeft onderschreven.

Alle omstandigheden, verklaringen en ter beschikking staande stukken in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat aldus op betrouwbare wijze is vastgesteld dat de gronden voor een inbewaringstellingaanwezig waren en voor de machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling aanwezig zijn.

Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de OvJ overweegt de rechtbank als volgt.

De behandelaar van betrokkene heeft ter zitting als haar deskundig oordeel naar voren gebracht dat op dit moment en ten tijde van de beoordeling in het kader van een inbewaringstelling sprake is van een geestelijke stoornis bij betrokkene waaruit onmiddellijk dreigend gevaar in de vorm van suïcide nog steeds aanwezig is.

De raadsvouw heeft subsidiair geconcludeerd dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van een machtiging is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank veroorzaakt betrokkene gevaar, waarbij het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens betrokkene dit gevaar doet veroorzaken.

Het gevaar kan niet worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis, terwijl het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat de procedure ter verkrijging van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 en volgende van de Wet BOPZ niet kan worden afgewacht.

Betrokkene geeft geen, althans onvoldoende blijk van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

Gelet op het boven overwogene zal het verzoek worden toegewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

Verleent machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis met ingang van heden voor de duur van drie weken.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 22 april 2008, in tegenwoordigheid van S.J.M. Schuijt als griffier.