Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD1145

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
144316/2008-325
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de ernst van de PCF-problematiek, die een vorm van kindermishandeling is, is de kinderrechter van oordeel dat een onbegeleid contact niet in het belang van de kinderen is, zolang de conclusie van het onderzoek van moeder niet bekend is. De gezinsvoogd stelt dat moeder haar instemming met dit onderzoek nog niet heeft verleend. De moeder heeft zich ter zitting bereid verklaard om aan dit onderzoek volledig mee te werken. De kinderrechter merkt op dat een spoedige start van het onderzoek en moeders proactieve houding ten opzichte daarvan in het belang van de kinderen is, te weten voor bepaling van hun toekomstperspectief.

De kinderrechter volgt het oordeel van Spirit dat een uitbreiding van de omgangsregeling op dit moment niet wenselijk is. Het contact met de moeder heeft een groot effect op de kinderen en zorgt voor veel onrust. Een hogere contactfrequentie zou tevens tot loyaliteits- en praktische problemen in het pleeggezin kunnen leiden. Zolang er onvoldoende duidelijkheid is over de eventuele problematiek van moeder en zolang het toekomstperspectief van de kinderen niet vaststaat, acht de kinderrechter een uitbreiding niet in het belang van de kinderen. Dit geldt eveneens voor het telefonisch contact tussen moeder en kinderen. De kinderrechter is aannemelijk geworden dat een uitbreiding van de bestaande regeling belastend zou zijn voor de kinderen.

Er zijn echter termen aanwezig voor een uitbreiding van de huidige omgangsregeling van twee naar drie uur begeleid contact per drie weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

conflictbehandeling: verzoek ex artikel 1:260 lid 4 BW

zaak-/rekestnr.: 144316/08-325

beschikking van de kinderrechter van 10 april 2008

naar aanleiding van het verzoek van:

[verzoeker],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.J. de Groot,

-- tegen --

de Stichting Bureau Jeugdzorg [],

gevestigd te [],

verwerende partij,

verder te noemen: de Stichting,

met betrekking tot de minderjarigen:

- [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [],

- [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [],

- [naam kind 3], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [],

verblijvende in een pleeggezin,

moeder: [naam moeder], wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

vader: [naam vader], wonende in [],

gezag: moeder.

1 Procedure

1.1 Op 11 maart 2008 is ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend door de raadsvrouw van moeder, strekkende tot het geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren van een schriftelijke aanwijzing van de Stichting omtrent de omgangsregeling tussen de moeder en voornoemde minderjarigen, en tot de vaststelling van een uitgebreide omgangsregeling.

1.2 De vader heeft op 2 april 2008 aan de rechtbank telefonisch doorgegeven dat hij niet ter zitting zal verschijnen omdat hij naar zijn mening buiten de omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen staat.

1.3 De Stichting heeft op 3 april 2008 een verweerschrift ingediend.

1.4 De kinderrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting met gesloten deuren van 4 april 2008.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. B.J. de Groot;

- de Stichting, vertegenwoordigd door de heer W. Ramtahalsing en mevrouw Kater.

2 Standpunten

2.1 In haar verzoekschrift heeft de moeder aangevoerd dat de omgangsregeling, zoals aangewezen door de Stichting na de uithuisplaatsing van de minderjarigen, geen recht doet aan een goed contact tussen moeder en kinderen. De huidige omgangsregeling bedraagt eenmaal per drie weken twee uur contact onder begeleiding van een medewerker van Spirit, en twee keer per week telefonisch contact voor de duur van maximaal twintig minuten per keer.

2.2 De moeder wenst een uitbreiding van de omgangsregeling teneinde de band met de kinderen te kunnen waarborgen. Zij stelt dat de uitbreiding tevens een wens van de kinderen is.

Om die redenen heeft moeders raadsvrouw op 25 januari 2008 de Stichting verzocht de omgangsregeling uit te breiden. De Stichting heeft geen beslissing op moeders verzoek genomen, daarom heeft zich moeder tot de kinderrechter gewend.

2.3 De raadsvrouw van de moeder heeft ter zitting aangegeven dat voor moeder onbegrijpelijk is waarom het contact tussen moeder en kinderen door de Stichting wordt weerhouden. Uit de uitspraak in hoger beroep van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 19 december 2007 is geen contra-indicatie voor de contacten gebleken. Nu het onderzoek naar moeders problematiek nog niet plaats heeft gevonden (zelfs door de gezinsvoogd nog niet is aangevraagd), staat er geen stoornis van moeder vast. Desondanks is de omgangsregeling door de Stichting niet gewijzigd. Daarnaast is het verloop van de contacten in de afgelopen periode niet geëvalueerd en de evaluatie staat pas op 11 juni 2008 gepland.

2.4 De moeder verzoekt primair de huidige omgangsregeling te wijzen als volgt:

- eenmaal per week (onbegeleid) contact zonder tijdslimiet;

- driemaal per week telefonisch contact met [kind 1] en [kind 2] zonder tijdslimiet;

- eenmaal per week telefonisch contact met [kind 3] zonder tijdslimiet.

2.5 Subsidiair verzoekt de moeder de omgangsregeling te wijzigen als volgt:

- eenmaal per twee weken twee à drie uur (onbegeleid) contact;

- driemaal per week telefonisch contact met [kind 1] en [kind 2] zonder tijdslimiet;

- eenmaal per week telefonisch contact met [kind 3] zonder tijdslimiet.

2.6 Meer subsidiair verzoekt de moeder de omgangsregeling te wijzigen als volgt:

- eenmaal per drie weken drie uur (onbegeleid) contact;

- driemaal per week telefonisch contact met [kind 1] en [kind 2] zonder tijdslimiet;

- eenmaal per week telefonisch contact met [kind 3] zonder tijdslimiet.

2.7 De Stichting heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat een uitbreiding van de omgangsregeling hangende het onderzoek naar moeders problematiek onwenselijk is. Bij de kinderen is bij voornoemde uitspraak in hoger beroep Pediatric Condition Falsification (PCF) vastgesteld, als onderdeel van het Münchhausen-by-proxy syndroom. Het onderzoek van de moeder moet uitwijzen in hoeverre deze conditie door een eventuele persoonlijkheidsstoornis of problematiek van moeder wordt veroorzaakt. De onderzoeksconclusie zal volgens de Stichting bepalend zijn voor de verdere toekomstperspectief van de kinderen. Het onderzoek zelf gaat voornamelijk over de mogelijkheid van thuisplaatsing, maar zijn uitkomst kan van belang zijn voor de frequentie van de omgangsregeling.

2.8 De Stichting heeft aangegeven dat een wijziging van de omgangsregeling verder afhankelijk is van de evaluatie van het contactenverloop. De gezinsvoogd heeft ter zitting een voorlopig verslag van Spirit overgelegd. Hieruit blijkt dat de omgangsregeling positief verloopt wat betreft nakoming van afspraken door de moeder, maar zorgelijk blijft met betrekking tot de overbezorgdheid van moeder. De focus van deze overbezorgdheid lijkt van lichamelijke naar psychische klachten te zijn verschoven. Spirit adviseert behoud van de huidige omgangsregeling. Een uitbreiding zou problemen in het pleeggezin kunnen opleveren en voor veel onrust bij de kinderen zorgen. De conclusie van het verslag luidt dat de huidige omgangsregeling voldoende ruimte aan de moeder en kinderen geeft en dat een contact eventueel van twee naar drie uur kan worden uitgebreid.

2.9 Om bovengenoemde redenen persisteert de Stichting in haar standpunt en ziet geen aanleiding om de omgangsregeling uit te breiden.

3 Beoordeling

3.1 De kinderrechter constateert dat de diagnose PCF bij de kinderen bij de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 19 december 2007 is vastgesteld en dat het hof een deskundigenonderzoek naar moeders persoonlijkheid noodzakelijk acht, voorafgaand aan de bepaling van het toekomstperspectief van de kinderen.

3.2 Gelet op de ernst van de PCF-problematiek, die een vorm van kindermishandeling is, is de kinderrechter van oordeel dat een onbegeleid contact niet in het belang van de kinderen is, zolang de conclusie van het onderzoek van moeder niet bekend is. De gezinsvoogd stelt dat moeder haar instemming met dit onderzoek nog niet heeft verleend. De moeder heeft zich ter zitting bereid verklaard om aan dit onderzoek volledig mee te werken. De kinderrechter merkt op dat een spoedige start van het onderzoek en moeders proactieve houding ten opzichte daarvan in het belang van de kinderen is, te weten voor bepaling van hun toekomstperspectief.

3.3 De kinderrechter volgt het oordeel van Spirit dat een uitbreiding van de omgangsregeling op dit moment niet wenselijk is. Het contact met de moeder heeft een groot effect op de kinderen en zorgt voor veel onrust. Een hogere contactfrequentie zou tevens tot loyaliteits- en praktische problemen in het pleeggezin kunnen leiden. Zolang er onvoldoende duidelijkheid is over de eventuele problematiek van moeder en zolang het toekomstperspectief van de kinderen niet vaststaat, acht de kinderrechter een uitbreiding niet in het belang van de kinderen. Dit geldt eveneens voor het telefonisch contact tussen moeder en kinderen. De kinderrechter is aannemelijk geworden dat een uitbreiding van de bestaande regeling belastend zou zijn voor de kinderen.

3.4 Er zijn echter termen aanwezig voor een uitbreiding van de huidige omgangsregeling van twee naar drie uur begeleid contact per drie weken.

4 Beslissing

De kinderrechter:

4.1 Verklaart het beroep van de moeder gegrond.

4.2 Stelt de volgende regeling inzake de omgangsregeling vast waarbij

dat de moeder en de minderjarigen gerechtigd zijn omgang met elkaar de hebben:

- eenmaal per drie weken drie uur begeleid contact;

- twee keer per week telefonisch contact met [kind 1] en [kind 2] voor de duur van maximaal twintig minuten per keer;

- eenmaal per week telefonisch contact met [kind 3] voor de duur van maximaal twintig minuten per keer.

4.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. van Zutphen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van A. Hausenblasová, griffier, op 10 april 2008.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.