Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0869

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
25-09-2008
Zaaknummer
08-3049
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster ontving sinds 1993 een vergoeding voor huishoudelijke hulp, op grond van het principe van uitruil; de noodzakelijke persoonlijke verzorging werd verricht door de inwonende zoon. Per 1 januari 2008 wordt de vergoeding voor huishoudelijke hulp door de gemeente geweigerd. Uitruil is niet meer mogelijk door invoering van de WMO. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af, maar merkt in de uitspraak wel op dat de weigering voor verzoekster niet was te voorzien, en de gemeente in het kader van de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar daarmee rekening dient te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3049 WMO

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2008

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. S. van Thoor, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Velsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2008 heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden op grond van de wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 28 maart 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van 28 maart 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 april 2008, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A. Wentzel, werkzaam bij de gemeente Velsen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Verweerder heeft het besluit gebaseerd op het standpunt dat verzoekster deel uitmaakt van een leefeenheid waarbij het dagelijks huishouden kan worden overgenomen door de huisgenoot, haar zoon.

2.3 Verzoekster heeft aangevoerd dat zij alleen en zelfstandig woont. Weliswaar staat haar zoon op haar adres ingeschreven, maar hij woont bij zijn vriendin. Het spoedeisend belang van verzoekster is erin gelegen dat zij niet in staat is de noodzakelijke huishoudelijke hulp te betalen.

2.4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Verzoekster ontving sinds 1993 een vergoeding voor huishoudelijke hulp. Bij besluit van 16 december 2004 heeft het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) een indicatie voor huishoudelijke verzorging gesteld (klasse 3, 4 tot 6,9 uur per week). Dit indicatiebesluit is geldig van 1 januari 2005 tot 1 januari 2010. Uit dit besluit blijkt dat de zoon van verzoekster inwonend is en van hem kan worden verwacht dat hij een belangrijke bijdrage aan het huishoudelijk werk levert. Nu hij verzoekster echter behulpzaam is bij haar persoonlijke verzorging wordt toch een indicatie wordt gegeven voor huishoudelijke verzorging (uitruil).

2.6 Op 1 januari 2007 is de Wmo in werking getreden. Op grond van artikel 41, derde lid, WMO bleven de rechten en verplichtingen die golden op 1 januari 2007 gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van de WMO, gelden. Hieruit volgt dat de WMO per 1 januari 2008 op verzoekster van toepassing is.

2.7 Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6o, Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke ondersteuning: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

2.8 Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder h, Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder huishoudelijke verzorging: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.

2.9 Artikel 4, eerste lid, onder a, Wmo bepaalt - voor zover hier van belang - dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6o, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning treft die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

2.10 Ingevolge artikel 5, eerste lid, Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

2.11 Artikel 8 Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Velsen 2007 luidt als volgt:

"De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden;

b. hulp bij het huishouden in natura;

c. een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden."

2.12 Artikel 10 Verordening bepaalt dat, in afwijking van het gestelde in artikel 8, een persoon niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden komt als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Volgens artikel 1, onder r, Verordening is een huisgenoot iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont (met uitzondering van kostgangers, kamerhuurders en mensen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres wonen).

2.13 Op grond van artikel 37 Verordening kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

2.14 Naar voorlopig oordeel heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de zoon van verzoekster als haar huisgenoot moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat de zoon van verzoekster, ook voordat hij de huidige woning voor zijn moeder kocht, bij verzoekster woonde en is meeverhuisd naar de huidige woning. Verder staat de zoon ingeschreven op dit adres. Uit hetgeen ter zitting is verklaard kan weliswaar worden opgemaakt dat de woonsituatie van de zoon enigszins gewijzigd is sinds hij een relatie heeft, maar niet is gebleken dat hij niet meer bij verzoekster woont.

2.15 Hieruit vloeit voort dat van de zoon van verzoekster de gebruikelijke zorg voor het huishouden kan worden verlangd. Van omstandigheden op grond waarvan de zoon deze zorg niet zou kunnen bieden is vooralsnog niet gebleken.

2.16 De voorzieningenrechter stelt vast dat de overheveling van de huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de WMO tot gevolg heeft dat een uitruil tussen (niet gebruikelijke) persoonlijke verzorging (AWBZ) en (gebruikelijke) huishoudelijke zorg (WMO) niet meer tot de mogelijkheden behoort. Bij de behandeling van het wetsvoorstel WMO is dit punt ook onderwerp van de beraadslagingen in de Tweede en Eerste Kamer geweest, maar de op dit punt voorziene problemen hebben niet geleid tot een aanpassing van de wet (zie onder meer de brief van de staatssecretaris over de voortgang van de implementatie van de Wmo van 18 oktober 2006, Kamerstuk 2006-2007, 30131, nr. 111, Tweede Kamer). Van een onvoorzien effect van invoering van de WMO is dan ook geen sprake.

2.17 De omstandigheid dat de zoon wel de persoonlijke verzorging aan zijn moeder wil blijven bieden betekent derhalve niet dat verweerder gehouden is in ruil daarvoor huishoudelijke hulp toe te kennen.

2.18 De voorzieningenrechter merkt echter met betrekking tot het door verweerder te nemen besluit op het bezwaar nog wel het volgende op. Eiseres is eerst op 18 februari 2008 in kennis gesteld van de weigering haar met ingang van 1 januari 2008 een vergoeding voor huishoudelijke hulp te verstrekken. Nu noch de gezondheidssituatie van verzoekster, noch haar leefsituatie gewijzigd is en uitsluitend de hiervoor beschreven wijziging van wetgeving heeft geleid tot het afwijzende besluit heeft verzoekster in redelijkheid geen rekening kunnen houden met de afwijzing. Weliswaar is door verweerder gewezen op de mogelijkheid een (pgb voor) verzorging op grond van de AWBZ aan te vragen, daarvan staat allerminst vast dat een toekenning met terugwerkende kracht zal kunnen plaatsvinden. Verzoekster kan aldus met aanzienlijke kosten worden geconfronteerd, die niet voor vergoeding in aanmerking komen, terwijl zij daarop niet heeft kunnen anticiperen.

2.19 Nu een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen dient te vergaren (artikel 3:2 Awb) en vervolgens de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen dient af te wegen (artikel 3:4 Awb) zal verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter de hiervoor geschetste omstandigheden uitdrukkelijk dienen te betrekken in de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar.

2.20 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en op 24 april 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.