Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0827

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
138484-07-2921
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nihilstelling partnerbijdrage m.i.v. 1 januari 2007 met als grondslag een volkomen niet toerekenbare en onvoorziene wanverhouding tussen de alimentatieverplichting en actuele draagkracht van de man. Echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek met convenant met niet-wijzigingsbeding. Van belang is of zich in casu een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden voordoet, als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden. Dit is het geval wanneer er een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Zie onder meer HR 8 september 2006, NJ 2006, 491.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2008, 59

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 138484/07-2921

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 8 april 2008

in de zaak van:

[naam man]

wonende te Landsmeer,

hierna mede te noemen: de man,

procureur: mr. L. Laus,

tegen

[naam vrouw]

wonende te Purmerend,

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur: mr. G. Martin.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 3 september 2007, ingekomen op dezelfde datum;

- het verweerschrift van de vrouw van 29 oktober 2007;

- de brief, met bijlagen, van de procureur van de man van 10 september 2007

- het aanvullend verzoekschrift, met bijlagen van de man van 29 november 2007;

- de brieven met bijlagen, van de procureur van de man van 17 en 24 december 2007.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 januari 2008 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. Laus en de vrouw door mr. Martin.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1980 met elkaar gehuwd, welk huwelijk is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] 2001.

2.2 Bij de hiervoor genoemde beschikking is in de overwegingen bepaald dat het echtscheidingsconvenant dat partijen hebben gesloten, deel uitmaakt van de beschikking. Volgens dit convenant en zoals afzonderlijk in de beschikking bepaald moet de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van f 10.000 (€ 4.537,80) per maand voldoen.

2.3 Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2008 € 5.364,85 per maand.

3 Verzoek

Met als grondslag dat er een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen de alimentatieverplichting en actuele draagkracht van de man welke wanverhouding hem niet toerekenbaar is en voortvloeit uit een omstandigheid welke niet voorzienbaar was voor partijen, heeft de man verzocht de partnerbijdrage te bepalen op nihil met ingang van 1 januari 2007.

4 Verweer

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5 Beoordeling

5.1 Ter zitting hebben partijen hun bereidheid uitgesproken om hun geschil in der minne te regelen. Aan de procureurs is verzocht de rechtbank te berichten omtrent de uitkomst van de onderhandelingen. De rechtbank heeft geen bericht van de procureurs ontvangen. Uit telefonische navraag is echter gebleken dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen, zodat de rechtbank over zal gaan tot de beoordeling van het verzoek.

5.2 Partijen zijn op gemeenschappelijk verzoek gescheiden en hebben in dat kader een echtscheidingsconvenant gesloten. Ingevolge artikel 1.1 van het convenant, dient de man aan de vrouw een bruto-uitkering tot haar levensonderhoud van f 10.000 per maand te voldoen, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk tot 29 november 2018.

Artikel 1.4 van het convenant bevat het volgende niet-wijzigingsbeding:

“Het in artikel 1.1 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheid, dat de partij die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals bepaald in artikel 1:159 lid 3 BW.”

5.3 Van belang is of zich in casu een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden voordoet, als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden. Dit is het geval wanneer er een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan.

Zie onder meer HR 8 september 2006, NJ 2006, 491.

5.4 De man stelt dat partijen zich met de mogelijkheid dat een dergelijke omstandigheid zich zou voordoen in het geheel geen rekening hebben gehouden dan wel konden houden. Hij heeft aangevoerd dat de alimentatie indertijd is vastgesteld op basis van zijn gemiddelde inkomen over de jaren 1998 tot en met 2000, in welke periode de man als directeur in loondienst van het [B.V.]. werkzaam was en een inkomen genoot van gemiddeld f 1.200.000 per jaar. In april 2004 is [B.V.] overgenomen door [naam]. Deze partij wenste de directie en 13 personeelsleden niet te handhaven, hetgeen het einde van het dienstverband van de man per 31 maart 2004 betekende. De door hem ontvangen schadeloosstelling van € 1.008.861 heeft hij in een stamrecht bv gestort. De man stelt dat slechts onder voorwaarden kan worden opgenomen uit deze bv, omdat anders de bij oprichting van de bv uitgestelde belastingheffing en mogelijk zelfs liquidatie dreigt. Om hem moverende redenen heeft hij zo lang mogelijk de alimentatie doorbetaald, hetgeen, naar hij stelt, heeft geleid tot een niet toegestaan oplopen van de rekening-courant schuld van de man ten opzichte van de bv. Hij heeft ook af en toe nog wel arbeid verricht, maar is daar in verband met diverse lichamelijke klachten (heupoperatie, nekhernia) op dit moment vrijwel mee gestopt. De man en zijn echtgenote leven nu van opnames uit de stamrecht bv en een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De vrouw bestwist dat de man niet meer in staat zou zijn een hoger inkomen te generen.

5.5 Uit de stukken en de verklaringen van partijen ter zitting leidt de rechtbank af:

- dat bij het aangaan van het convenant fluctuaties (goede en minder goede jaren) op de beurs werden ingecalculeerd;

- dat de omstandigheden dat het dienstverband van de man beëindigd zou kunnen worden en dat de man nadien bij lange na niet in staat zou zijn om zich een inkomen te verwerven op het niveau dat tijdens het huwelijk tussen partijen gebruikelijk was, niet te voorzien waren en ook geen rol hebben gespeeld bij de vaststelling van de alimentatie bij convenant;

- dat de vrouw er, blijkens haar verklaring, ook zonder meer van uitging dat de financiële situatie van de man goed zou blijven;

- dat bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden de hoogte van de alimentatie geen bijzondere rol heeft gespeeld, in die zin dat de vrouw in ruil voor een hogere alimentatie een andere verdeling zou hebben geaccepteerd. Ook heeft de vrouw geen afstand gedaan van haar aanspraken op verrekening van de pensioenrechten van de man.

5.6 In dit geval acht de rechtbank de alimentatieregeling niet meer in overeenstemming met de uitgangspunten ten tijde van het vaststellen daarvan. De financiële en fysieke situatie van de man is zodanig ingrijpend gewijzigd ten opzichte van de situatie op het moment van het tot stand komen van het beding en overigens door partijen niet in het convenant voorzien, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

5.7 Daarmee komt de vraag in beeld of de inkomensachteruitgang een wijziging van de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw rechtvaardigt. De man heeft aangevoerd dat zijn inkomen, gelet op zijn lasten en gezinssituatie, volstrekt ontoereikend is om de alimentatie te voldoen.

5.8 Bij de berekening van de draagkracht van de man is het inkomen en de verdiencapaciteit van de man van belang. De man geniet op dit moment een jaarinkomen van € 51.553, de fiscaal toegestane stamrechtuitkering. Hij heeft gemotiveerd en deels onderbouwd gesteld dat hij, gezien de specifieke branche waarin hij vanaf zijn achttiende werkzaam is geweest en zijn specialistische ervaring, vanwege zijn leeftijd – 54 jaar – en zijn lichamelijke klachten geen arbeidspositie in de effectenbranche meer kan innemen. Voor zover de vrouw dit betwist, is deze betwisting onvoldoende gemotiveerd, zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat de man niet meer in staat is zijn oorspronkelijke inkomen te verwerven, dan wel een hoger inkomen dan hij nu geniet.

Gebleken is dat de echtgenote van de man tot voor kort inkomsten uit arbeid genoot en op dit moment in verband met arbeidsongeschiktheid een uitkering ontvangt. Zij kan dan ook op dit moment in staat worden geacht in haar eigen onderhoud te voorzien. De rechtbank zal de partner van de man bij de draagkrachtberekening van de man dan ook geheel buiten beschouwing laten.

Nu de man met zijn partner wel een kind heeft, zal de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht rekenen met een gemiddelde van de alleenstaande en de alleenstaande oudernorm en ook het draagkrachtpercentage middelen.

De man heeft verder aangevoerd dat met de volgende woonlasten rekening moet worden gehouden: zijn hypotheekrente van € 3.106 per maand, de premie levensverzekering € 89 per maand, het forfait overige eigenaarslasten € 95 per maand en het eigenwoningforfait van € 2.135 per jaar. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat deze woonlasten gelet op het huidige inkomen van de man onredelijk hoog zijn. De rechtbank zal hiermee dan ook in zoverre rekening houden, dat ervan wordt uitgegaan dat de echtgenote van de man hier voor een gedeelte van € 650 in bijdraagt en dat op de alsdan resterende woonlast een korting van € 449 wegens een onredelijke woonlast wordt toegepast, waardoor de netto in aanmerking te nemen woonlast rond een derde van het besteedbaar inkomen van de man komt te liggen.

Bij het bepalen van de draagkracht van de man wordt ten slotte uitgegaan van de volgende niet betwiste gegevens:

- op hem zijn de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de combinatiekorting van toepassing;

- de premie ziektekostenverzekering bedraagt € 120 per maand; ook wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage van € 112 per maand, een eigen risico van € 13 per maand en een in de bijstandsnorm begrepen nominale premie van € 54 per maand.

5.9 Op grond van voormelde gegevens, hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met de fiscale effecten, acht de rechtbank de man tot betaling van een partnerbijdrage van € 748 per maand in staat. De rechtbank zal in die zin beslissen.

5.10 De rechtbank acht het, alle omstandigheden in aanmerking nemende, redelijk om de gewijzigde partnerbijdrage te doen ingaan met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 3 september 2007, omdat de vrouw in ieder geval vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een mogelijke wijziging.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van [datum] 2001 dat de man aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 748 per maand, met ingang van 3 september 2007.

6.2 Wijst er – ten overvloede – op dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Roelvink-Verhoeff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. Geschiere, griffier, op 8 april 2008.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.