Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0814

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
134193 - HA ZA 07-471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non conformiteit woonhuis (ontbreken fundering onder aanbouw). Beroep op art. 7:23 BW wordt verworpen. Schadevergoeding: 'nieuw voor oud' correctie. Vrijwaringszaak: beroep op art. 6:89 BW slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2008, 69

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 2 april 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 134193 / HA ZA 07-471 van

1. [Eiser],

2. [Eiseres],

beiden wonende te Haarlem,

eisers,

procureur mr. J.W.J. Hijnen,

tegen

1. [Gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2],

beiden wonende te Hilversum,

gedaagden,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. H. Kroon te Hilversum,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 138463 / HA ZA 07-1087 van

1. [Gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2],

beiden wonende te Hilversum,

eisers,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. H. Kroon te Hilversum,

tegen

[Gedaagde in vrijwaring],

wonende te Haarlem,

gedaagde,

procureur mr. P. Wieringa.

Partijen zullen hierna [eisers], [gedaagden] en [gedaagde in vrijwaring] worden genoemd.

1. De procedure

in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 september 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 13 december 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

in de vrijwaringszaak

1.3. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 oktober 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 13 december 2007.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagden] hebben in eigendom gehad het woonhuis met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan […] te […] (hierna: het woonhuis). Tot het woonhuis behoort mede een (niet gefundeerde) aanbouw aan de achterzijde van de woning, bestaande uit drie delen: een keuken, een badkamer en een serre.

2.2. [gedaagden] hebben in 1995 een aannemingsovereenkomst gesloten met [gedaagde in vrijwaring] (aannemer en bewoner van het naastgelegen woonhuis, […]) teneinde de serre (tot slaapkamer) te laten verbouwen. [gedaagde in vrijwaring] heeft de serre daarbij niet gefundeerd en heeft zonder bouwvergunning verbouwd.

2.3. In 1998 heeft (op initiatief van de gemeente Haarlem) in verband met zogenaamde ‘palenpest’ funderingsherstel plaatsgevonden onder de woonhuizen aan […], maar niet onder de aanbouw van [gedaagden]

2.4. Een verslag van “de voorbereidende bouwteamvergadering” d.d. 5 februari 1998 vermeldt onder meer het volgende.

“Er wordt voorgesteld de oude uitbouw van nr. 14 in ieder geval te funderen en de eigenaren de mogelijkheid te bieden de rest van de aanbouw ook te funderen. (…)

[A] neemt hier contact over op.”

2.5. In een verslag van [A] d.d. 1 september 1998 is onder meer het volgende vermeld.

“De aanbouwen achter de panden nr. 2, 8 en 14 worden op verzoek van de eigenaren niet voorzien van een nieuwe fundering.”

2.6. [eisers] hebben het woonhuis bij koopovereenkomst d.d. 7 mei 2002 voor een koopprijs van € 182.500,- van [gedaagden] gekocht.

2.7. In de verkoopadvertentie was onder meer het volgende vermeld.

“In 1998 heeft het FUNDERINGS-CASCO HERSTEL plaatsgevonden. De woning is derhalve zo te betrekken.”

2.8. In de (NVM) koopakte is onder meer het volgende bepaald.

“artikel 5 Staat van de onroerende zaak, gebruik

5.1. De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, zichtbare en onzichtbare gebreken, (…)

5.3. De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Koper is voornemens de onroerende zaak te gebruiken als: woonruimte. (…) Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn, noch voor de afwezigheid van gebreken die dat normale gebruik belemmeren en die aan koper kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst. (…)

artikel 6 Feitelijke levering, overdracht aanspraken

(…)

6.4. In deze koopovereenkomst is voor zover mogelijk begrepen de overdracht van alle aanspraken die verkoper ten aanzien van de onroerende zaak kan of zal kunnen doen gelden tegenover derden, waaronder begrepen de bouwer(s), (onder)aannemer(s), (…) zoals wegens verrichte werkzaamheden of ter zake van aan de onroerende zaak toegebrachte schade, zonder dat verkoper tot vrijwaring verplicht is. (…)

Artikel 17 Ouderdomsclausule

Koper verklaart ermee bekend te zijn dat deze woning meer dan 60 jaar oud is, wat betekent dat de eisen die aan bouwkwaliteit gesteld mogen worden aanzienlijk lager liggen dan bij nieuwe woningen. Tenzij verkoper de kwaliteit daarvan heeft gegarandeerd staat hij niet in voor onder andere de fundering, de bouwkundige constructie, (…) Bouwkundige kwaliteitsgebreken worden geacht niet belemmerend te werken op het in artikel 5.3 van de NVM koopakte, omschreven woongebruik.

Artikel 18 Fundering

Koper verklaart bekend te zijn met de inhoud van het telefaxbericht welke met betrekking tot het onderhavige pand is afgegeven door de gemeente Haarlem (d.d. 17-04-2002). Elke aansprakelijkheid van verkoper met betrekking tot eventuele funderingsproblemen is uitgesloten.”

2.9. In de fax van 17 april 2002 van de gemeente Haarlem waarnaar verwezen wordt in artikel 18 van de koopakte is onder meer het volgende vermeld.

“De fundering is hersteld.”

2.10. [gedaagden] hebben [eisers] vóór of ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet meegedeeld dat een fundering onder de aanbouw ontbrak.

2.11. Het woonhuis is bij notariële akte van 2 juli 2002 aan [eisers] geleverd.

2.12. Eind 2005 is ernstige kiervorming ontstaan aan de kozijnen en onder de (achter)deur van de aanbouw (serre). Voorts zijn scheuren ontstaan in de muren en in het plafond.

2.13. In februari/maart 2006 heeft een door [eisers] ingeschakelde aannemer vastgesteld dat de scheuren het gevolg zijn van het ontbreken van een fundering onder de aanbouw.

2.14. [eisers] hebben [gedaagden] bij brieven van 28 maart, 28 april en

11 september 2006 aansprakelijk gesteld voor de herstelkosten.

2.15. [gedaagde in vrijwaring] heeft bij brief van 15 november 2006 onder meer het volgende aan de gemachtigde van [eisers] meegedeeld.

“Voorafgaand aan de realiseren van de uitbouw over de gehele breedte van de Tweede Vooruitgangstraat 14 hebben wij toen die tijd de bewoners/ opdrachtgevers op de hoogte gesteld dat het beter is om de uitbouw te funderen.

Uit kosten besparende overweging hebben de opdrachtgevers besloten om niet te funderen.”

2.16. Bij brief van november 2006 heeft [A] aan [eisers] onder meer het volgende meegedeeld.

“De minimale, door de Gemeente verplichte, deelname aan het funderingsherstel betreft de hoofdbebouwing, van voorgevel tot originele achtergevel en eventuele nog aanwezige originele aanbouwen.(keukens)

Advies van de constructeur is echter om in alle gevallen funderingsherstel toe te passen. (dus ook de aansluitende uitbouwen zoals bij nr. 14.)

(…)

De keus voor deze extra investering ligt dus altijd bij de opdrachtgever.

In dit geval is door de opdrachtgever gekozen voor het min. vereiste funderingsherstel (tot de originele achtergevel).”

3. Het geschil

in de hoofdzaak

3.1. [eisers] vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 25.709,45;

- subsidiair gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst, in die zin dat de door

[eisers] aan [gedaagden] betaalde koopprijs wordt verminderd met een bedrag gelijk aan de door [eisers] geleden schade van € 25.709,45, en hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van dit bedrag;

- meer subsidiair wijziging van de gevolgen van de koopovereenkomst, in die zin dat de door [eisers] betaalde koopprijs wordt verminderd met een bedrag gelijk aan de door [eisers] geleden schade van € 25.709,45, en hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van dit bedrag;

- primair en (meer) subsidiair hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van € 25.709,45 vanaf het moment dat [gedaagden] met hun betalingsverplichting in verzuim zijn tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling van € 1.670,10 aan buitengerechtelijke incassokosten, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2. [eisers] beroepen zich primair op non-conformiteit van het geleverde (een toerekenbare tekortkoming), subsidiair op een niet-toerekenbare tekortkoming en meer subsidiair op dwaling.

3.3. [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

3.4. [gedaagden] vorderen dat [gedaagde in vrijwaring] bij vonnis wordt veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagden] jegens [eisers] in de hoofdzaak mochten worden veroordeeld, met veroordeling van [gedaagde in vrijwaring] in de kosten van de hoofdzaak.

3.5. [gedaagden] stellen dat [gedaagde in vrijwaring] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen gesloten overeenkomst tot aanneming van werk.

3.6. [gedaagde in vrijwaring] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in de hoofdzaak

4.1. [eisers] stellen primair dat [gedaagden] niet hebben geleverd hetgeen

[eisers] op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten, omdat het ontbreken van een fundering onder de aanbouw en de gebreken die het gevolg daarvan zijn, het normaal gebruik van in ieder geval de aanbouw belemmeren. [gedaagden], die op de hoogte waren van het ontbreken van een fundering, hebben volgens [eisers] de indruk gewekt dat de fundering onder het gehele woonhuis hersteld zou zijn en hebben dus een op hen rustende mededelingsplicht geschonden. [gedaagden] zouden zowel bij de verbouwing van de aanbouw door [gedaagde in vrijwaring], als ten tijde van het funderingsherstel in 1998, uitdrukkelijk zijn geadviseerd om de aanbouw van een fundering te voorzien.

4.2. [gedaagden] hebben als verweer het volgende aangevoerd. Zij hebben met de uitvoering van de verbouwing geen bemoeienis gehad. Zij hebben erop vertrouwd dat dit op een juiste wijze door [gedaagde in vrijwaring] zou worden gedaan. Volgens [gedaagde in vrijwaring] kon de serre vanwege de lichte constructie worden vervangen zonder plaatsing van een fundering en was een bouwvergunning niet nodig omdat het om de vervanging van een reeds bestaande aanbouw ging. Ook in de periode dat [gedaagden] de fundering van het woonhuis hebben laten herstellen, is hen niet meegedeeld dat ook de aanbouw gefundeerd moest worden.

De gemeente heeft hen wel de mogelijkheid daartoe geboden, doch geadviseerd om daarvoor geen kosten te maken omdat dit niet noodzakelijk was. [gedaagden] hebben aldus geen mededelingsplicht geschonden, nu zij zich er ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst niet van bewust waren dat het ontbreken van een fundering onder de aanbouw een gebrek vormde. [gedaagden] wisten niet, en hoefden ook niet te begrijpen, dat dit gebrek in de toekomst tot verzakking zou leiden. [eisers] hebben juist hun onderzoeksplicht geschonden. Bovendien is het woonhuis geschikt voor normaal gebruik, nu er slechts sprake is van een esthetisch bezwaar.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:17 lid 1 BW dient een afgeleverde zaak aan de overeenkomst te beantwoorden. In het tweede lid van dat artikel is voorts bepaald dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn (gelijk artikel 5.3 van de koopakte) en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.

4.4. Het onderhavige woonhuis heeft naar het oordeel van de rechtbank niet de eigenschappen die [eisers] op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten, nu een fundering onder de aanbouw ontbreekt. De afgeleverde zaak beantwoordt derhalve niet aan die koopovereenkomst. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat het woonhuis, althans een gedeelte daarvan, niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn, omdat na de verzakking in ieder geval de aanbouw niet als woonruimte kon worden gebruikt. De stelling van [gedaagden] dat er slechts sprake is van een “esthetisch bezwaar” is, tegenover hetgeen [eisers] in dit verband naar voren hebben gebracht, onvoldoende onderbouwd. Het beroep van [gedaagden] op artikel 5.1 juncto 5.3 van de koopakte faalt derhalve.

4.5. [eisers] behoefden de aanwezigheid van een fundering onder de aanbouw niet te betwijfelen, zodat hen niet kan worden tegengeworpen dat zij geen nader onderzoek daarnaar hebben gedaan. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat in de verkoop-advertentie is vermeld dat in 1998 funderingsherstel heeft plaatsgevonden en dat de woning zo te betrekken is. Voorts is in de fax van de gemeente Haarlem d.d. 17 april 2002, waarnaar uitdrukkelijk is verwezen in artikel 18 van de koopakte, slechts vermeld dat de fundering is hersteld. [gedaagden] hebben aldus de indruk laten bestaan dat het gehele woonhuis gefundeerd was, terwijl zij wisten dat dit niet juist was. Het verweer van [gedaagden] dat zij geen noodzaak zagen hier een mededeling over te doen omdat zij het niet als een gebrek zagen, wordt gepasseerd. Tegenover de door [eisers] in het geding gebrachte producties, deels geciteerd onder 2.4., 2.5. en 2.16., hebben [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd betwist dat de gemeente Haarlem hen in 1998 heeft geadviseerd om ook de aanbouw te laten funderen, welk advies zij, in tegenstelling tot diverse andere bewoners van de Tweede Vooruitgangstraat 2 t/m 14, niet hebben gevolgd. [gedaagden] hebben derhalve begrepen, althans hadden moeten begrijpen, dat zij het ontbreken van een fundering onder de aanbouw niet onvermeld mochten laten bij het aangaan van de koopovereenkomst.

4.6. [gedaagden] beroepen zich voorts op de exoneratieclausules, zoals die zijn neergelegd in de artikelen 17 en 18 van de koopakte. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen [gedaagden] zich niet op de “ouderdomsclausule” van artikel 17 beroepen, omdat uit de strekking van deze bepaling volgt dat die betrekking heeft op gebreken die samenhangen met de ouderdom van het woonhuis, waar het in deze zaak niet om dergelijke gebreken gaat. Ten aanzien van artikel 18 van de koopakte is van belang dat de daar geregelde uitsluiting van aansprakelijkheid verbonden is aan de inhoud van de fax van de gemeente Haarlem d.d. 17 april 2002, waarvan [eisers] terecht stellen dat daarin slechts is vermeld dat “de fundering is hersteld”. Nu [eisers] uit dit bericht niet hebben kunnen begrijpen dat een fundering onder de aanbouw ontbrak, kunnen [gedaagden] niet met succes een beroep op deze bepaling doen.

4.7. Volgens [gedaagden] had het op de weg van [eisers] gelegen om in plaats van [gedaagden] [gedaagde in vrijwaring] aan te spreken, gelet op het bepaalde in artikel 6.4 van de koopakte. De rechtbank verwerpt ook dit verweer, omdat uit deze bepaling niet volgt dat het [eisers] niet vrij staat om [gedaagden] aan te spreken wegens non-conformiteit van het geleverde.

4.8. [gedaagden] beroepen zich ten slotte op artikel 7:23 BW. Zij stellen dat [eisers] niet tijdig mededeling van de scheurvorming aan hen hebben gedaan. Ook dit verweer slaagt niet, nu [gedaagden] niet hebben weersproken dat [eisers] pas in februari/maart 2006 hebben ontdekt dat de problemen het gevolg zijn van het ontbreken van een fundering onder de aanbouw. Pas op dat moment hebben [eisers] ontdekt dat hetgeen door [gedaagden] is geleverd niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. [eisers] hebben [gedaagden] vervolgens reeds bij brief van 28 maart 2006, en dus binnen bekwame tijd na de ontdekking, kennis gegeven van de gebreken. Er zijn voorts geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat [eisers] op een eerder moment redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat het geleverde niet aan de koopovereen-komst beantwoordt.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] jegens [eisers] toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen door niet te leveren hetgeen [eisers] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst mochten verwachten. [gedaagden] zijn dan ook aansprakelijk voor de dientengevolge door [eisers] geleden schade.

4.10. [gedaagden] voeren als verweer ten aanzien van de omvang van de schade aan dat [eisers] hen hebben meegedeeld dat de schade niet meer dan € 10.000,- zou bedragen. [gedaagden] betwisten de vordering voor zover die de voor herstel van de serre noodzakelijkerwijs te maken kosten overstijgt (maximaal € 10.000,-), nu de keuken en de badkamer geen gebreken vertonen.

4.11. [gedaagden] hebben de door [eisers] gestelde schade, voor zover deze ziet op “bouwtechnische kosten”, niet (tot een bedrag van € 10.000,-), althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De vordering van [eisers] is derhalve in zoverre toewijsbaar, met dien verstande dat een ‘nieuw voor oud correctie’ op zijn plaats is ten aanzien van de herstelkosten voor de vloer, het kozijn en de buitenmuur van de aanbouw. Door het herstel van deze reeds ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst aanwezige onderdelen,

is de staat – en daarmee de waarde – van het woonhuis positief beïnvloed. De rechtbank acht het redelijk om 70% van het in dit verband gevorderde bedrag (€ 17.427,55 inclusief BTW), dus € 12.199,29, toe te wijzen. Daarbij opgeteld de kosten die [eisers] hebben gemaakt voor het funderen van de aanbouw, alsmede voor het verwijderen en het herplaatsen van de keuken en de badkamer (€ 3.855,60 inclusief BTW), komt het ter zake van de “bouwtechnische kosten” toe te wijzen bedrag op € 16.054,89.

4.12. Het door [eisers] gevorderde bedrag van € 1.926,30 ter zake van kosten voor “vergunningen” wordt noch aan de hand van stellingen, noch met behulp van producties onderbouwd. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

[eisers] hebben ook de door hen gestelde schade ter zake van “vervangende woonruimte” onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] in dit verband daadwerkelijk kosten hebben gemaakt, zodat ook het ter zake gevorderde bedrag van € 1.000,- zal worden afgewezen. Het gevorderde bedrag van € 1.500,- aan “tegemoetkoming juridische kosten” is evenmin toewijsbaar, omdat moet worden aangenomen dat het gevorderde aan buitengerechtelijke incassokosten op dezelfde kosten ziet.

4.13 Nu [eisers] niet hebben toegelicht vanaf welke datum [gedaagden] in verzuim zijn, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding.

4.14. Het primair gevorderde aan buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.670,10) zal worden toegewezen, nu [gedaagden] hiertegen geen verweer hebben gevoerd.

4.15. [gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 84,31

- vast recht 600,-

- salaris procureur 1.158,- (2,0 punten × tarief € 579,-)

Totaal € 1.842,31

in de vrijwaringszaak

4.16. [gedaagden] stellen dat [gedaagde in vrijwaring] in of omstreeks 1995 expliciet aan hen heeft meegedeeld dat de serre kon worden vervangen zonder aanpassing van de fundering. [gedaagde in vrijwaring] zou aldus toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen gesloten overeenkomst tot aanneming van werk.

4.17. [gedaagde in vrijwaring] beroept zich primair op verjaring van de vordering (in 2003).

De rechtbank passeert dit verweer, nu de in dit verband relevante wettelijke verjaringstermijnen van rechtsvorderingen (artikelen 3:310 lid 1 BW en 7:761 lid 1 BW), niet zijn verstreken.

4.18. [gedaagde in vrijwaring] beroept zich subsidiair op artikel 6:89 BW. Volgens [gedaagde in vrijwaring] is er geen sprake van een tijdig protest nadat [gedaagden] het gestelde gebrek ontdekten of redelijkerwijs hadden kunnen ontdekken. Dit verweer slaagt. [gedaagden] zijn onder meer bij brief van 28 maart 2006 door [eisers] aansprakelijk gesteld voor de schade die het gevolg is van het ontbreken van een fundering onder de aanbouw. In ieder geval op dat moment hebben [gedaagden] het gestelde gebrek in de prestatie van [gedaagde in vrijwaring] ontdekt, althans hadden zij dat redelijkerwijs moeten ontdekken. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] eerder dan bij dagvaarding in vrijwaring van 28 augustus 2007 bij [gedaagde in vrijwaring] hebben geprotesteerd ter zake van het vermeende gebrek. [gedaagden] hebben dus niet binnen bekwame tijd geprotesteerd, zodat zij thans geen beroep meer kunnen doen op het vermeende gebrek in de door [gedaagde in vrijwaring] geleverde prestatie. De rechtbank zal de vordering van [gedaagden] reeds daarom afwijzen.

4.19. [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proces-kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in vrijwaring] worden begroot op:

- vast recht € 600,-

- salaris procureur 1.158,- (2,0 punten × tarief € 579,-)

Totaal € 1.758,-

5. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 17.724,99,

te vermeerderen met wettelijke rente over een bedrag van € 16.054,89 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.842,31,

5.3. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de vrijwaringszaak

5.5. wijst de vordering af,

5.6. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in vrijwaring] tot op heden begroot op € 1.758,-,

5.7. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.?