Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0627

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
28-04-2008
Zaaknummer
07/712
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling. De omstandigheid dat eiser zich heeft teruggetrokken uit de bedrijfsvoering en hij daardoor onvoldoende zicht had op de activiteiten van zijn medevennoten ontslaat hem niet van de veranwoordelijkheid die hij bij het aangaan van de Vennootschap als bestuurder op zich heeft genomen en van de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor eventuele belastingschulden van de Vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 932
FutD 2008-0957
V-N 2008/40.25

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/712

Uitspraakdatum: 22 april 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking, gedagtekend 16 december 2002, heeft verweerder eiser aansprakelijk gesteld voor de niet (volledig) betaalde naheffingsaanslagen omzetbelasting ten name van de vennootschap onder firma A (hierna: de Vennootschap) over de tijdvakken 1999 en 2000.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 december 2006 de aansprakelijkstelling gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 8 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 9 januari 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008 te Haarlem.

Namens eiser en de Vennootschap is daar verschenen B. Tevens is daar verschenen de gemachtigde van de Vennootschap, C. Namens verweerder zijn verschenen D en E. Tevens waren namens de inspecteur van de Belastingdienst P aanwezig F, tot bijstand vergezeld van G en H van de Belastingdienst/FIOD-ECD. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met procedurenummers 06/9182 tot en met 06/9184 van de Vennootschap.

1.7. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De Vennootschap werd, blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 16 juni 2000, gevormd door de volgende personen:

- eiser,

- eisers echtgenote: Y, en

- eisers kinderen: I, J en K.

2.2. De bedrijfsactiviteiten van de Vennootschap bestaan uit de import van en groothandel in schoenen en de export van computers en aanverwante artikelen. De activiteiten met betrekking tot computers werden volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel ook verricht onder de naam L. Op 31 december 2000 werd de vennootschap ontbonden.

2.3. Aan de Vennootschap is op 14 maart 2000 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het jaar 1999 op grond van een aantal bevindingen van verweerder met betrekking tot door de Vennootschap aangegeven intracommunautaire leveringen. Na namens de Vennootschap daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur van de Belastingdienst P (verder: de Inspecteur) de Vennootschap hierover bij brief van 13 december 2000 als volgt bericht:

“U diende namens [de Vennootschap] en (…) bezwaarschriften in tegen de naheffingsaanslagen die op 14 maart 2000 aan uw cliënten zijn opgelegd onder de nummers 000.00.000.F00.0000 (…).

Volgens de administratie van uw cliënten en de bescheiden die zij hebben overgelegd, zijn de goederen waarvoor de onderhavige aanslagen zijn opgelegd, vervoerd naar Italië en geleverd aan daar gevestigde ondernemers.

Ik heb op dit moment geen gegevens waaruit anders blijkt. Ik zal daarom de naheffingsaanslagen vernietigen.

Ik behoud mij echter het recht voor om nieuwe naheffingsaanslagen op te leggen indien mocht blijken dat de door uw cliënten geschetste feiten niet juist mochten blijken te zijn.

(…)”

2.4. Vervolgens heeft de Inspecteur bij de Vennootschap over het jaar 2000 een controle-onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek hebben de Inspecteur aanleiding gegeven te veronderstellen dat de Vennootschap heeft deelgenomen aan een zogeheten carrouselfraude. In dit kader heeft de Inspecteur vragen gesteld aan de belastingdiensten in Frankrijk en Italië. Het rapport van het onderzoek is afgerond op 18 november 2005.

2.5. De Inspecteur heeft op 1 november 2002 naheffingsaanslagen omzetbelasting met aanslagnummers 0000.00.000.F.00.0000 en 0000.00.000.F.00.0000 over respectievelijk de jaren 1999 en 2000 opgelegd ten bedrage van € 371.001 respectievelijk € 1.037.133. Deze aanslagen zijn onbetaald gebleven.

2.6. De voorzieningenrechter heeft op 29 oktober 2002 verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag door de ontvanger op de woning van eiser te Q.

2.7. Op 16 december 2002 heeft verweerder eiser aansprakelijk gesteld, primair op grond van artikel 33, eerste lid, letter a, Invorderingswet (hierna: IW) en subsidiair op grond van artikel 18, Wetboek van Koophandel (hierna: WvK), voor de belastingbedragen die zijn begrepen in bovengenoemde belastingaanslagen van de Vennootschap, te weten voor de omzetbelasting over het jaar 1999 ten bedrage van € 273.306 en de omzetbelasting over het jaar 2000 ten bedrage van € 968.190. Eiser is niet aansprakelijk gesteld voor boete en/of heffingsrente.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser aansprakelijk is voor de aanslagen omzetbelasting 1999 en 2000. Meer specifiek is in geschil of eiser zich kan disculperen als bedoeld in artikel 33, vierde lid, IW.

3.2. Eiser beklaagt zich erover dat verweerder niet alle, voor het geschil van belang zijnde, stukken heeft overgelegd of ter inzage heeft gelegd.

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij zich kan disculperen, omdat hij zich in de jaren 1999 en 2000 niet met de bedrijfsvoering van de Vennootschap heeft bemoeid. Voorts betwist eiser de naheffingsaanslagen inhoudelijk en stelt zich op het standpunt dat deze vernietigd dienen te worden. Verder heeft eiser een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich niet kan disculperen, omdat hij niet heeft bewezen dat het niet aan hem te wijten is dat de belasting niet is voldaan. Voorts stelt verweerder dat de naheffingsaanslagen terecht en voor een juist bedrag zijn opgelegd en verwerpt verweerder het beroep op het vertrouwensbeginsel.

4. Beoordeling van het geschil

a. De gang van zaken in bezwaar en beroep

4.1. Eiser heeft zich erover beklaagd te weinig inzage in stukken te hebben gekregen dan wel gesteld dat stukken zijn achtergehouden die wel tot onderbouwing van de bestreden beslissing zijn gebruikt. Verweerder heeft hiertegenover aangegeven het gehele dossier van de belastingdienst aan eiser ter beschikking te hebben gesteld, en daarbij eiser de gelegenheid te hebben gegeven kopieën te maken van de relevante stukken. De rechtbank heeft geen reden om aan deze weergave van verweerder te twijfelen. Hetgeen eiser overigens in dit kader heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om te concluderen dat verweerder in strijd met de goede procesorde dan wel in strijd met de Awb heeft gehandeld.

b. De aansprakelijkheid op grond van de IW

4.2. Op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onder a van de IW - kort weergegeven en voor zover hier van toepassing - is van een lichaam als de Vennootschap ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de door de Vennootschap verschuldigde rijksbelastingen.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de periode waarover de naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn opgelegd, de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2000, formeel bestuurder van de Vennootschap was. Eiser bestrijdt dat hij feitelijk als bestuurder optrad, en doet daarmee een beroep op de disculpatiemogelijkheid als omschreven in artikel 33, vierde lid, IW. Op grond van deze bepaling is degene die op grond van het eerste lid van artikel 33 IW aansprakelijk wordt gehouden, niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan.

4.4. Eiser heeft op dit punt aangevoerd dat hij op enig moment wilde stoppen met de handel in schoenen. Zijn kinderen wilden graag beginnen met een handel in computers en onderdelen daarvan, eveneens gericht op Italië. Met betrekking tot de financiering daarvan zou, volgens eiser, de bank als voorwaarde hebben gesteld dat eiser als vennoot aan de Vennootschap verbonden bleef. Eiser bleef daardoor formeel bestuurder van de Vennootschap, maar hij heeft zich in de jaren 1999 en 2000 niet met de bedrijfsvoering bemoeid.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat eiser, nu hij er om hem moverende redenen voor heeft gekozen om bestuurder te blijven van de Vennootschap, zich ook rekenschap had behoren te geven van de fiscale verplichtingen van de Vennootschap. De omstandigheid dat eiser zich heeft teruggetrokken uit de bedrijfsvoering en hij daardoor onvoldoende zicht had op de activiteiten van zijn medevennoten ontslaat hem niet van de verantwoordelijkheid die hij bij het aangaan van de Vennootschap als bestuurder op zich heeft genomen en van de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor eventuele belastingschulden van de Vennootschap.

4.6. Eisers stelling dat er sprake zou zijn van eenzelfde situatie als in het arrest van de Hoge Raad van 3 november 2000 (NJ 2001/3) waarin wel disculpatie is aangenomen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat in dat arrest van doorslaggevende betekenis is dat, gelet op de grote mate van onduidelijkheid omtrent de vraag of omzet- dan wel kansspelbelasting verschuldigd was, de bestuurder er niet zonder meer rekening mee behoefde te houden dat kansspelbelasting verschuldigd zou kunnen zijn. In de brief van 13 december 2000 heeft de Inspecteur de aanvankelijk opgelegde naheffingsaanslagen weliswaar vernietigd, maar zich tevens het recht voorbehouden om nieuwe naheffingsaanslagen op te leggen indien mocht blijken dat de door de Vennootschap geschetste feiten niet juist mochten blijken te zijn.

4.7. Het voorgaande houdt derhalve in dat het niet betalen van de naheffingsaanslagen omzetbelasting van de Vennootschap eiser, als bestuurder, kan worden toegerekend nu hij erop bedacht moest zijn dat de omzetbelasting verschuldigd was.

4.8. Eiser heeft zich voorts inhoudelijk beklaagd over de naheffingsaanslagen omzetbelasting, en in dat kader verwezen naar de door de Vennootschap geïnitieerde bezwaar- en beroepsprocedure tegen de (hoogte van) de naheffingsaanslagen. De rechtbank volstaat in deze met de verwijzing naar hetgeen zij in die zaken heeft beslist, zaaknummers AWB 06/9182, 06/9183 en 06/9184.

4.9. De rechtbank is voorts van oordeel met betrekking tot eerdergenoemde brief van 13 december 2000, dat daaraan, anders dan eiser stelt, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden ontleend dat er in het geheel geen omzetbelasting meer verschuldigd zou zijn. De brief moet worden gelezen in het licht van de omstandigheid dat de Vennootschap zelf had aangedrongen op het doen van uitspraak op bezwaar hangende het onderzoek. Noch de brief van 13 december 2000, noch een andere handeling vormt dan ook een belemmering voor het opleggen van de in geding zijnde naheffingsaanslagen aan de Vennootschap.

4.10. Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder ten onrechte alleen hem en niet de andere vennoten van de Vennootschap aansprakelijk heeft gesteld voor de onderhavige belastingschulden overweegt de rechtbank het volgende. Vooropgesteld moet worden dat verweerder in beginsel vrij is in zijn keuze wie van de bestuurders wordt aangesproken. Artikel 33 IW bepaalt immers dat ieder der bestuurders hoofdelijk aansprakelijk is. Wel is verweerder daarbij gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.11. In het onderhavige geval heeft verweerder afgezien van de aansprakelijkstelling van de overige vennoten, omdat er ten aanzien van die vennoten aan verweerder in Nederland geen verhaalsmogelijkheden bekend waren.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat in overeenstemming met de hoofdelijke aansprakelijkheid de in dit geval uiteenlopende verhaalsmogelijkheden rechtvaardigen dat verweerder niet bij alle bestuurders tot daadwerkelijke invordering van de belastingschuld waarop de aansprakelijkstelling ziet is overgegaan. In dit licht bezien kan dan ook niet geoordeeld worden dat verweerder door ten aanzien van de overige vennoten (vooralsnog) geen verdere actie te ondernemen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, voorzitter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.L. Bruinsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W. Kuik, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.