Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0185

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
05/5259
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De schade in de vorm van ziektekosten die belanghebbende heeft geleden als gevolg van de door de Belastingdienst gedane correcties, welke bij uitspraken van de rechtbank 1 juni 2007 onjuist zijn bevonden, kan niet aan de Belastingdienst worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/881
FutD 2008-0953

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5259 tot en met 05/5265

Uitspraakdatum: 7 april 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Voor de loop van dit geding tot de uitspraken in deze zaken op 1 juni 2007 verwijst de rechtbank naar onderdeel 1 van deze uitspraken.

1.2 Bij deze uitspraken van 1 juni 2007, verzonden aan partijen op 5 juni 2007, heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de beroepen van eiser gegrond verklaard, en de (navorderings)aanslagen IB/PVV, WAZ en premie ziekenfondswet voor de jaren 2000 t/m 2002 verminderd. De rechtbank heeft daarbij het onderzoek heropend voor wat betreft de omvang van de aan eiser te vergoeden kosten en schade en eiser in de gelegenheid gesteld een schriftelijke conclusie in te dienen binnen een maand na de verzenddatum van de uitspraken.

1.3 Eiser heeft bij brief van 28 juni 2007 een schriftelijke conclusie ingediend met daarbij gevoegd 10 bijlagen. Verweerder heeft daarop gereageerd bij brief van 6 september 2007.

1.4 Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2008.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door A en B. Namens verweerder is verschenen C. Eisers gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Tussen partijen vaststaande feiten

2.1 Voor de feiten verwijst de rechtbank naar onderdeel 2 van haar uitspraken van 1 juni 2007, met als kenmerk 05/5259 tot en met 05/5265. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.

2.2 Eiser was tot en met 2004 verzekerd voor de Ziekenfondswet (ZFW). Hij stond ingeschreven bij ziektekostenverzekeraar E.

2.3 Ingevolge het derde, vierde en negende lid van artikel 3d van de Ziekenfondswet juncto de artikelen 1, aanhef en onder d, en 2, eerste lid, van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen (de Regeling) wordt ter bepaling van het inkomen voor het jaar 2005 in aanmerking genomen het gemiddelde van de per 1 oktober 2004 vastgestelde belastbare/verzamelinkomens over de jaren 2000, 2001 en 2002. Indien over enig jaar het inkomen op 1 oktober nog niet definitief is vastgesteld, wordt het voorlopig vastgestelde inkomen in aanmerking genomen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de op 1 oktober bij verweerder bekende gegevens.

2.4 Voor het jaar 2005 was derhalve de situatie op 1 oktober 2004 bepalend. Als gevolg van de correcties over de jaren 2000, 2001 en 2002 op grond van het boekenonderzoek en de daaruit voortvloeiende aanslagen voldeed eiser op 1 oktober 2004 niet langer aan de inkomensgrens ZFW. Daarom is aan eiser een zogenoemde negatieve verklaring afgegeven. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op grond hiervan heeft E de inschrijving van eiser per 1 januari 2005 omgezet in een voorlopige inschrijving in afwachting van de beslissing op bezwaar. Blijkens een brief van E aan eiser van 4 augustus 2005 kon de voorlopige inschrijving niet worden voortgezet na 1 juli 2005 en is een vervangende premie van per saldo € 369,84 aan eiser in rekening gebracht voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005. De brief vermeldt voorts dat de Ziekenfondsverzekering per 1 juli 2005 wordt beëindigd. Op 5 augustus 2005 heeft eiser voorts bericht van E gekregen waarin staat dat de ziekenfondsverzekering per 1 juli 2005 werd beëindigd vanwege overschrijding van de inkomensgrens voor kleine zelfstandigen en dat vanaf die datum geen medische kosten meer worden vergoed.

2.5 Eiser heeft zich daarna niet elders verzekerd bij een particuliere verzekeringsmaatschap-pij. Eerst per 1 januari 2006 heeft eiser voor zijn ziektekosten een basisverzekering afgesloten.

2.6 Eiser heeft de volgende nota’s ontvangen gedurende de periode dat hij niet verzekerd was voor ziektekosten:

- nota F-ziekenhuis ten bedrage van € 5.202,91 d.d. 21 december 2005 (en een herinnering d.d. 26 januari 2006) ziet op behandeling 17 september 2005 tot en met 30 november 2005 en houdt verband met een acute blindedarmoperatie welke eiser moest ondergaan;

- nota huisarts van € 13,40; factuurdatum 2 september 2005, datum recept 4 juli 2005.

- nota F-ziekenhuis d.d. 19 oktober 2005 ten bedrage van € 172,93, ziet op behandeldatum 17 september 2005

- factuur huisartsenpost d.d. 21 september 2005 ten bedrage van € 75,80, ziet op consult d.d. 17 september 2005;

- kwitantie apotheek d.d. 21 september 2005 ten bedrage van € 18,96

- kwitantie arts d.d. 22 juni 2005 ten bedrage van € 240 voor orthomanuele geneeskundige behandeling d.d. 1, 8, 15 en 22 juni 2005.

Deze nota’s zijn niet vergoed door een ziektekostenverzekeraar.

Geschil

3.1 In geschil is de hoogte van het bedrag van de schade dat op de voet van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb aan eiser dient te worden vergoed.

3.2 Eiser stelt schade te hebben geleden nu hij als gevolg van de door verweerder aangebrachte correcties op zijn inkomen onverzekerd was voor de Ziekenfondswet en dat dientengevolge in die periode gemaakte ziektekosten voor zijn rekening zijn gekomen. Het was voor eiser vanwege zijn slechte financiële situatie niet mogelijk om na beëindiging van de ziekenfondsverzekering een particuliere ziektekostenverzekering af te sluiten. Eiser heeft verweerder hiervan tijdig op de hoogte gesteld. Verweerder was er bovendien mee bekend dat eiser als gevolg van een verkeersongeval niet kon werken en daardoor geen inkomsten had. Eiser begroot zijn schade op € 6.093,84 bestaande uit ontvangen facturen ziektekosten. Voorts claimt eiser een bedrag van € 921.88 in verband met de invorderingskosten van de ziektekostenfacturen.

3.3 Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoek, behoudens tot een bedrag van per saldo € 100, zijnde het verschil tussen de premie die eiser verschuldigd zou zijn geweest voor een vervangende particuliere ziektekostenverzekering, welke premie door verweerder is bepaald op € 369,84 en de normaliter door eiser verschuldigde ZFW-premie.

Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 8:73, eerste lid van de Awb bepaalt het volgende:

“Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.”

Een dergelijk verzoek wordt beoordeeld door aansluiting te zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.

4.2 Niet in geschil is dat eiser schade heeft geleden als gevolg van de onderhavige – bij uitspraken van 1 juni 2007 onjuist bevonden – correcties. In geschil is echter de vraag of en in hoeverre de schade aan verweerder kan worden toegerekend.

In dit verband is van belang artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek dat luidt als volgt:

“Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend”.

4.3 Bij de beantwoording van bovenvermelde vraag stelt de rechtbank voorop dat eiser op 4 en 5 augustus 2005 van zijn ziektekostenverzekeraar bericht heeft gekregen dat de ziektekostenverzekering per 1 juli 2005 werd beëindigd, dat eiser zich in dat jaar desalniettemin niet elders heeft verzekerd voor ziektekosten en dat de voorliggende ziektekostennota’s en de daaruit blijkende (ziekenhuis)behandelingen dateren van op of na 17 september 2005. Eiser stelt dat hij zich wegens geldgebrek niet elders heeft kunnen verzekeren.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan het geldgebrek van eiser niet aan verweerder worden toegerekend. Naar de rechtbank begrijpt is dit geldgebrek het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden die niets te maken hebben met de onderhavige correcties op het inkomen. Zoals verweerder naar voren heeft gebracht, heeft tot en met het jaar 2005 geen invordering van de als gevolg van genoemde correcties opgelegde aanslagen plaatsgevonden. Naar de rechtbank het betoog van eiser begrijpt is de slechte financiële situatie waarin hij is geraakt mede veroorzaakt door het auto-ongeluk dat hem op 9 mei 2003 is overkomen en heeft hij om die reden lange tijd niet kunnen werken en geen inkomsten gehad. Voorts was eiser in 2003 nog verwikkeld in een juridische procedure waaraan verweerder part noch deel had. Eiser heeft die gerechtelijke procedure geschikt door

€ 126.000 aan de tegenpartij te betalen. Ter zitting is gebleken dat eiser door deze procedure zelfs genoodzaakt was zijn woning te verkopen. De omstandigheid dat eiser zich niet tijdig elders heeft verzekerd voor zijn ziektekosten kan, gelet op het voorgaande, niet voor rekening van verweerder komen. De stelling van eiser dat verweerder reeds bij brief van 2 augustus 2004 ervoor is gewaarschuwd dat mogelijke schade, welke zou ontstaan wegens de onderhavige correcties, voor rekening van verweerder zou komen, kan in dit oordeel geen verandering brengen nu genoemde omstandigheden geheel buiten de invloedssfeer van verweerder lagen.

4.5 Gelet op het voorgaande kan de schade met betrekking tot gemaakte ziektekosten niet aan verweerder worden toegerekend. Deze schade komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de hieruit voortvloeiende invorderingskosten van de ziektekostenfacturen.

4.6 Nu verweerder heeft erkend dat eiser de meerkosten voor een vervangende ziektekostenverzekering van per saldo € 100 niet verschuldigd was geweest als hij ziekenfondsverzekerde was gebleven, heeft verweerder zich bereid verklaard dit bedrag aan eiser te vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken en zal dienovereenkomstig beslissen.

Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep na partiële heropening redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden schade tot een beloop van € 100 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 322, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gedaan op 7 april 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.