Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0171

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
144453 - KG ZA 08-158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslissing van de school om leerling definitief te verwijderen van school in strijd met het proportionaliteits- en gelijkheidsbeginsel. De aanwezigheid van de leerling in de nabijheid van een andere leerling, die als hoofddader van een ernstig incident (het afsteken van een fakkel in de school) wordt beschouwd, duidt eerder op een poging van de hoofddader om deze leerling zoveel mogelijk bij zijn daad te betrekken dan dat deze leerling samen met de hoofddader het plan heeft bedacht en actief uitgevoerd. De school heeft onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan de betrokkenheid van de leerling bij het incident gelijkgesteld kan worden aan het aandeel van de hoofddader, die eveneens van de school is verwijderd. De onduidelijkheid die is blijven bestaan over de precieze rol van de leerling bij het incident, mede in aanmerking genomen de ingrijpendheid van een maatregel tot verwijdering van school en het belang van de leerling om zijn HAVO-opleiding aan de school te kunnen voltooien, kan in dit geval niet ten nadele van de leerling worden gebracht. De school had kunnen volstaan met een schorsing van een week, zoals opgelegd aan de andere bij het incident betrokken leerlingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2008/39

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 144453 / KG ZA 08-158

Vonnis in kort geding van 16 april 2008

in de zaak van

1. [Eiser],

wonende te Volendam,

2. [Eiseres],

wonende te Volendam,

eisers,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. W. Lindeboom te 's-Gravenhage,

tegen

1. de stichting

STICHTING KATHOLIEK ONDERWIJS VOLENDAM,

gevestigd te Volendam,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Alkmaar,

gedaagden,

advocaat mr. W.M.A. der Weduwe te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] of de ouders, of eiser onder 2 afzonderlijk [eiseres], en SKOV, of gedaagde onder 2 afzonderlijk [gedaagde 2], genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van SKOV

- de brief van [eiser] van 1 april 2008 met productie

- de brief van SKOV van 2 april 2008 met productie

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [eiseres] zijn de ouders van [A], geboren op […] 1991, en treden in dit geding mede op als wettelijk vertegenwoordiger van [A].

2.2. [A] is ingeschreven als leerling van de 4 HAVO-klas aan het Don Bosco College te Volendam (hierna: de school), dat onder het gezag van de SKOV valt. [gedaagde 2] is rector van de school.

2.3. Op 20 februari 2008 is in een trappenhuis van de school een bootfakkel of rookbom (hierna: de fakkel) afgestoken. Leerling [B] heeft zich kort na het incident gemeld bij de schoolleiding als degene die de fakkel heeft aangestoken. Naast de naam van [B] heeft de schoolleiding aan de politie de namen doorgegeven van een aantal andere leerlingen die ervan verdacht werden bij het incident betrokken te zijn geweest, waaronder de naam van [A]. [A] is op 20 februari 2008 door de politie aangehouden, in verzekering gesteld en gehoord. Na de nacht thuis te hebben doorgebracht is [A] op 21 februari 2008 opnieuw door de politie gehoord en om 12.30 uur heengezonden.

2.4. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [A] van 20 februari 2008 heeft [A] op die dag tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

[…]

Ik begrijp dat ik verdacht word van brandstichting op het Don Bosco College te Volendam. Ik kan u daar het volgende over verklaren ik heb niets gedaan vandaag. Ik heb gehoord dat er vanmorgen een rookbom in de school [is] gegooid.

Ik had vorige week of deze week al gehoord dat dit zou gebeuren. Ik weet niet meer precies wanneer en van wie ik dat heb gehoord.

Ik weet dat [B] de rookbom heeft gekocht en hem vanmorgen heeft gegooid. Ik weet niet waar hij hem heeft gekocht. Ik wilde niet te maken hebben met het kopen of het gooien. Ik was wel in de buurt toen de bom werd gegooid. Ik wilde even kijken hoeveel rook er uit dat ding zou komen. Ik weet niet waarom [B] hem in de school wilde gooien. We hebben het daar niet over gehad.

[…]

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [A] van 21 februari 2008 heeft [A] op die dag tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

[…]

Op woensdag 20 februari 2008, omstreeks 10.45, werd ik aangesproken door [B]. [B] zei dat hij de rookbom had en dat hij het deze straks zou laten afgaan. Ik wist waar hij het over had, omdat het algemeen bekend was in de school dat [B] dit zou gaan doen. [B] zelf heeft mij ook over zijn plan verteld. […]

Toen [B] mij vertelde dat hij “het” zou gaan doen, geloofde ik hem niet. Ik wist wel dat [B] veel durfde, maar ik dacht niet dat hij het echt zou doen. Om deze reden ben ik met hem meegelopen. Achterin de school zei [B] dat dit de plaats was waar hij de rookbom zou afsteken. Ik zag [B] vervolgens de trap oplopen. Ik stond op dit moment nog wel in de omgeving van [B], maar aan de onderzijde van de trap. Vervolgens hoorde ik het brandalarm afgaan. Ik wist dat het [B] gelukt was. Ik ben meteen met [B] de toiletten ingegaan omdat ik schrok. Het toilet ligt op 5 meter afstand van [de] rookbom. Wij hadden niet afgesproken dat wij samen het toilet in zouden vluchten, dit was toeval. Binnen een minuut nadat het alarm was afgegaan heb ik het toilet verlaten. […]

U vraagt mij of ik op de uitkijk stond. Ik stond niet op de uitkijk.

[…]

2.5. Blijkens het proces-verbaal van verhoor heeft [B] op 20 februari 2008 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

[…]

Afgelopen weekend hadden [A] en ik afgesproken om een rookbom in onze school te gooien. Wij wilden op deze manier de rookmelders laten afgaan.

[…]

Vandaag op woensdag 20 februari 2008, omstreeks 10.45 uur, ben ik samen met [A] gaan kijken naar een geschikte plaats om de rookbom af te steken. In het trappenhuis, gelegen aan de achterzijde, wilden wij de rookbom ontsteken. [A] is vervolgens op de wacht gaan staan en ik heb de rookbom ontstoken. […].

Ik zag dat de vlam ongeveer 5 centimeter groot was. Omdat ik hiervan schrok, zijn [A] en ik gaan rennen. Wij hebben ons vervolgens verstopt in de toiletten. Later zijn wij naar de aula gegaan. […].

Blijkens het proces-verbaal van verhoor heeft [B] op 21 februari 2008 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

[…]

U vraagt mij naar het aandeel van [A]. Ik kan u vertellen dat ik het plan in het weekend verzonnen heb. Ik heb dit toen tegen [A] gezegd. [A] zei dat hij hieraan mee wilde doen. Als ik het plannetje zou uitvoeren, moest ik [A] smsen, zodat hij erbij zou zijn. Op de dag zelf vertelde ik tegen [A] dat ik de rookbom mee had. Ik hoorde [A] zeggen: “Kom mee dan!”. Wij hebben vervolgens een plek gezocht in het gebouw. Achterin de school vroeg ik aan [A] of ik de rookbom hier moest gooien. Ik hoorde [A] zeggen: “Hier kan het”. Vervolgens ben ik de trap opgelopen en [A] is onderaan blijven staan. Vanaf boven vroeg ik aan [A] of het kon. Ik bedoelde hiermee, of de kust veilig was. Ik zag [A] om zich heen kijken en ik hoorde hem zeggen “Ja het kan”. Ik heb hierop de rookbom ontstoken.

Verbalisant:

[A] zegt dat hij er niets mee te maken heeft en dat hij alleen met jou is meegelopen.

Antwoord:

Dat is zeker niet waar. Zoals ik al eerder zei, [A] wilde mee doen aan het plan. [A] zou mij achteraf geld voor de rookbom geven. Dit zou 5,- euro zijn. [A] wist wat ik wilde gaan doen. Ik geef toe dat ik het bedacht heb en dat ik de rookbom heb ontstoken. Maar [A] is hier ook bij betrokken geweest en hij heeft op de uitkijk gestaan.

[…]

2.6. Naast [A] en [B] zijn de leerlingen [C], [D], [E], [F] en [G] door de politie gehoord. Blijkens het proces-verbaal van verhoor heeft [D] op 21 februari 2008 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

U vraagt mij of [A] hier ook bij betrokken is geweest. Ik kan u zeggen dat ik gehoord heb dat dit het geval is. Dit was kort na dat het gebeurd was. Tevens heb ik ze met z’n tweeën zien lopen kort voor dat het brandalarm afging. Ik zag ze ter hoogte van trap 3. Terwijl het brandalarm afging zag ik [B] terug komen lopen. [A] heb ik toen niet gezien.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [E] heeft laatsgenoemde op 21 februari 2008 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

Ik wil u vertellen wat ik weet. Ik weet dat ze geld aan het inzamelen waren voor de rookbom. Ze waren:

-[B].

Ik wil dit eigenlijk niet vertellen omdat ik dan mijn vrienden verlink. Ik wil geen matennaaier worden of zijn. [A] heeft volgens mij niet het geld ingezameld. Hij kwam er pas later bij. [B] is een goede vriend van mij vandaar dat ik het niet graag vertel.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor heeft [G] op diezelfde datum tegenover de politie onder meer verklaard als volgt:

Na het derde uur hebben we altijd een korte pauze. We zitten dan met een groep altijd bij elkaar in de aula. […]. Even later hoorde ik het brandalarm afgaan. Ik wist toen genoeg. Ik wist toen dat [B] de bom had laten afgaan. Net na het afgaan van het alarm, zag ik [B] en [A] bij ons kwamen zitten. Die zitten anders nooit bij ons aan tafel. Ik zag dat [A] er vrij relaxed bij zat, maar ik zag aan [B] dat hij schichtig om zich heen keek. Ik zag ook dat hij trilde.

[…]

Ik heb toen tegen [conrector] verteld dat ik wist dat [B] het wel durfde zo’n fakkel/bom te gooien. […]. Ik heb hem verteld dat ik wel het idee zou hebben dat [B] het gedaan zou kunnen hebben en ik zei ook dat hij daartoe in staat was. Ik heb hen toen niet verteld dat [C] erbij geweest zou kunnen zijn om de fakkel te kopen. Ook heb ik hen niet verteld dat [A] erbij betrokken was.

Ik heb dat niet verteld omdat ik het niet zeker wist of die jongens er wel bij betrokken waren.

2.7. De coördinator veiligheid van de school, [veiligheidscoördinator], heeft op 21 februari 2008 namens de school aangifte gedaan van brandstichting. In het proces-verbaal van aangifte van de Politie Zaanstreek-Waterland is onder meer het volgende opgenomen:

[…]

Gisteren woensdag 20 februari 2008 omstreeks 10.40 uur ging het brandalarm af. Ik ben door de rector gebeld en hij kon mij vertellen dat er […] een fakkel is gebruikt om brand en rook te veroorzaken op school.

[…]

Omstreeks 11.40 uur kwam ik op school aan en ben naar de 1e verdieping gelopen om te kijken hoeveel schade er is ontstaan. Op school aangekomen ben ik direct doorgelopen naar de directiekamer om te vragen wat er gebeurd was. Ik hoorde daar dat het vermoeden bestond dat er twee jongens bij betrokken waren. [A] en [B] Klouwer waren direct in beeld.

[…]

Van een getuige hebben wij vernomen dat zij al gehoord had dat er gisteren een fakkel zou worden gebruikt om veel rook in school te veroorzaken zodat de school ontruimd zou worden. Uit een klein onderzoek op school zijn diverse namen naar voren gekomen van jongeren die van het hele plan op de hoogte waren.

[D] […] heeft 5 euro meebetaald om de fakkel te kunnen kopen […] en is ook een van de bedenkers van het plan.

[C] […] heeft 2 euro meebetaald.

[F] […] heeft volgens zeggen niets betaald. [B] heeft aan [F] gevraagd of [F] mee wou betalen.

[G] […] wist wat er ging gebeuren en is ook gevraagd om te betalen. Hij heeft naar eigen zeggen niets betaald.

[E] […] hebben wij nog niet gesproken.

[…]

[B] verklaarde dat hij samen met [A] het plan heeft bedacht en in de pauze door school hebben gelopen om te kijken waar ze deze fakkel het beste konden afsteken.

2.7. Per brief van 22 februari 2008 heeft [gedaagde 2] aan [eiser] onder meer het volgende bericht:

Hierbij delen wij u mede dat wij hebben besloten uw zoon voor onbepaalde tijd de toegang tot de school te ontzeggen, ingaande 21 februari 2008. We hebben het bestuur van de Stichting Katholiek Onderwijs Volendam en de Inspectie op de hoogte gesteld van deze voorlopig tijdelijke maatregel, conform het reglement van schorsing en verwijdering. We refereren hierbij aan het telefoongesprek van donderdag met de plaatsvervangend rector, [plv rector], waarin gesproken is over de directe betrokkenheid van uw zoon bij een ernstig incident.

[…].

2.8. Op 3 maart 2008 hebben onder anderen [gedaagde 2] en [veiligheidscoördinator] verklaringen opgenomen van de leerlingen [B], [D], [H] en [I]:

Leerling [B] heeft op maandag 3 maart het volgende verklaard ten overstaan van [gedaagde 2], rector,. [conrector], conrector en [veiligheidscoördinator], coördinator Veiligheid:

- [A] was aanwezig op een feestje zaterdag ll. waarop gesproken is over de aankoop van een fakkel met als doel om het brandalarm op school af te laten gaan. Op dat feestje waren behalve [A], in totaal drie leerlingen van het D.B.C. aanwezig en ze waren vanaf dat moment op de hoogte van het voornemen om deze daad te plegen;

- [A] heeft voorafgaande aan de aankoop van de bootfakkel € 5,-- betaald om de aanschaf van een dergelijk voorwerp te kunnen bekostigen;

- [A] was op de hoogte van het tijdstip waarop de daad gepleegd zou worden;

- [A] is meegelopen om de daad te plegen en heeft daartoe op de uitkijk gestaan bij het bewuste trappenhuis en is na afloop van de daad naar een WC-blok gevlucht;

- Behalve [A] hebben nog 3 leerlingen meebetaald aan de aanschaf van de bootfakkel.

Leerling [D] heeft op woensdag 20 februari het volgende verklaard ten overstaan van [plv rector], plaatsvervangend rector, [conrector], conrector en [afdelingsleider], afdelingsleider lj 2.

- [A] was aanwezig op een feestje zaterdag ll. waarop gesproken is over de aankoop van een fakkel met als doel om het brandalarm op school af te laten gaan. Op dat feestje waren behalve [A], in totaal drie leerlingen van het D.B.C. aanwezig en ze waren vanaf dat moment op de hoogte van het voornemen om deze daad te plegen;

Twee leerlingen [H] en [I], hebben op woensdag 20 februari het volgende verklaard ten overstaan van [afdelingsleider], afdelingsleider en [veiligheidscoördinator], veiligheidscoördinator:

- [A] is onmiddellijk na het afgaan van het brandalarm samen met [B] gesignaliseerd in een toiletgroep.

Leerling [B] heeft op woensdag 20 februari het volgende verklaard ten overstaan van [conrector], conrector en mevr. E. Bond, afdelingsleider bovenbouw havo/atheneum.

- [A] is meegelopen om de daad te plegen en stond in het trappenhuis toen de bootfakkel werd afgestoken.

Tenslotte,

[A] is die dag niet door ondergetekenden zelf ondervraagd aangezien hij vrij direct na de zaak is vertrokken voor een excursie buiten school. Er is door de veiligheidscoördinator aangifte gedaan over de vermoedelijke betrokkenheid van [A] en de dag erop – 21 januari – is [A] niet op school verschenen daar hij gehoord werd door de politie.

2.9. Op 13 maart 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de school, waaronder [gedaagde 2], [bestuurslid], afgevaardigde van het bestuur van de SKOV, de ouders en mr. Lindeboom. In het verslag van dat gesprek (notulist: [bestuurslid]) is onder meer het volgende opgenomen:

[gedaagde 2] deelt mee dat het besprokene aan het bestuur zal worden voorgelegd, dat alle ingebrachte informatie zal worden meegewogen in een definitieve beslissing. Het is aan het dagelijks bestuur van de SKOV om alle zaken te wegen en op korte termijn een beslissing te nemen.

2.10. Per brief van 13 maart 2008 heeft [gedaagde 2] aan [eiser] bericht als volgt:

Langs deze weg geef ik u aan hoe uw zoon [A] vanaf maandag 17 maart 2008 in staat wordt gesteld het lesprogramma op afstand te volgen.

[…]

Deze situatie zal worden gecontinueerd zolang er nog geen plaats op een andere school is gerealiseerd. Op dit moment loopt die procedure al en kan er op korte termijn een intakegesprek worden verwacht. De school zal zich inspannen om de overgang naar de andere school zo goed mogelijk te laten verlopen.

2.11. Op 14 maart 2008 heeft de school aan de hand van een standaard vragenlijst

schriftelijke en ondertekende verklaringen opgenomen van de leerlingen [B], [C] en [D]

2.12. Per brief van 17 maart 2008 heeft [voorzitter], voorzitter van het dagelijks bestuur van de SKOV, aan [eiser] bericht als volgt:

Het Dagelijks Bestuur van de Stichting Katholiek Onderwijs Volendam heeft besloten, na u op 13 maart 2008 te hebben gehoord, dat uw zoon [A] uit klas H4[…] per 18 maart van school zal worden verwijderd.

Feitelijk houdt dit in dat hij de reguliere lessen niet meer mag bezoeken of zich zonder geldige reden niet meer mag ophouden in en voor de school.

Wij zijn voor uw zoon een andere school aan het zoeken. Zo lang dat nog niet is gerealiseerd, continueren wij het programma zoals beschreven in de brief van 13 maart 2008.

Binnen 6 weken na dagtekening van deze brief kunt u schriftelijk verzoeken om het bestuursbesluit te herzien.

[…]

2.13. Op 26 maart 2008 heeft [C] een verklaring ondertekend waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Ik heb bij de politie aangegeven dat [A], zover ik weet, niet bij de voorbereiding, het bedenken van de actie, het kopen en het betalen van de fakkel betrokken is geweest.

[…]

Volgens mij heeft [A] niet meebetaald aan de fakkel. Ik heb ook niet gezien dat [A] betaald heeft. Dit heb ik wederom gehoord van medescholieren.

[…]

[A] is pas later op de hoogte gekomen van de plannen om het alarm op school te laten afgaan.

[…]

2.14. Ter zitting hebben de SKOV en [gedaagde 2] meegedeeld dat op 28 maart 2008 een school te Puremerend bereid is gevonden [A] als leerling over te nemen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, na vermindering van de eis ter zitting, primair:

gedaagden ieder afzonderlijk en/of gezamenlijk te veroordelen om [A] met ingang van maandag 17 maart 2008, althans met ingang van door de voorzieningenrechter te bepalen moment, weer toe te laten tot de lessen op het Don Bosco College en tot alle overige voorzieningen waar [A] op grond van zijn inschrijving als leerling aanspraak op maakt en dat gedaagden hem toegelaten houden totdat hij het HAVO-examen met goed gevolg heeft afgelegd, voor zover de wet dat toelaat, op straffe van een dwangsom van EUR 500,- voor iedere dag dat gedaagden in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen,

en subsidiair:

Gedaagden ieder en afzonderlijk en/of gezamenlijk te veroordelen om ten behoeve van [A] met ingang van 17 maart 2008, althans met ingang van een door de voorzieningenrechter te bepalen moment zodanig voorzieningen te treffen dat hij het HAVO-examen met goed gevolg kan afleggen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,- voor iedere dag dat gedaagden in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen,

en primair en subsidiair gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. SKOV voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft ter zitting naar voren gebracht voornemens te zijn bezwaar in te dienen tegen de schriftelijke beslissing van de SKOV van 17 maart 2008 tot definitieve verwijdering van [A] van de school. Tussen partijen is niet in geschil dat daarom thans sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., op grond waarvan het bevoegd gezag een leerling gedurende de behandeling van het bezwaar tegen een besluit tot definitieve verwijdering de toegang tot de school kan ontzeggen. In dit geding staat derhalve thans ter beoordeling of aan het bezwaar van [eiser] tegen het besluit tot verwijdering van [A] van de school een redelijke kans van slagen kan worden toegekend. Indien daarvan sprake is, bestaat grond vooruitlopend op de beslissing van de SKOV, gedaagden bij wijze van voorlopige voorziening te veroordelen [A] reeds toe te laten tot de school, zoals gevorderd.

4.2. [eiser] heeft in dit verband – samengevat – het volgende betoogd. In de brief van

[gedaagde 2] aan [eiser] van 22 februari 2008 wordt niet vermeld welke betrokkenheid [A] precies heeft gehad bij het afschieten van de fakkel. Dit is ook niet telefonisch of mondeling aan [A] en/of de ouders medegedeeld. In de beslissing van de SKOV tot verwijdering van 17 maart 2008 is geen reden voor de verwijdering opgenomen. Evenmin is verwezen naar hetgeen is besproken op de bijeenkomst van 13 maart 2008.

[A] heeft de fakkel niet zelf afgestoken of in handen gehad voordat deze werd afgestoken. [A] is ook niet betrokken geweest bij de voorbereiding en de aanschaf van de fakkel. [A] stond bij het afsteken van de fakkel niet in de nabijheid van de dader, maar een etage lager, samen met een groep meisjes en een etage lager dan de dader. Wel raakte [A] na verloop van tijd op de hoogte van de aanschaf van de fakkel en wat daarmee werd beoogd. Dat gold echter ook voor veel andere leerlingen.

Aan [A] kan niet meer worden verweten dan het verwijt dat aan de twee andere leerlingen zijn gemaakt die het incident samen met de dader hebben beraamd en die de fakkel mede hebben gefinancierd. Tegen hen is geen verwijderingsprocedure gestart. Zij zijn tijdelijk geschorst en inmiddels weer toegelaten tot de school.

Volgens [eiser] is de ten aanzien van [A] getroffen maatregel in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

4.3. SKOV heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing tot verwijdering van [A] van de school op grond van het reglement ‘schorsing en verwijdering’ is gerechtvaardigd omdat sprake is van ernstig crimineel gedrag, waarbij de goede gang van zaken en de veiligheid op school ernstig in gevaar is gebracht. Nadat de schoolleiding op de dag van het incident verschillende leerling tegelijkertijd had gehoord, werden [A] en [B] aangewezen als degenen die het plan hebben beraamd en uitgevoerd. [D] en [C] werden genoemd als personen die hadden meebetaald aan de fakkel en op de hoogte waren. Deze tweedeling heeft de schoolleiding consequent doorgevoerd: de twee die – alleen maar – hadden meebetaald zijn een week geschorst. [A] is evenals [B] – degene die de fakkel uiteindelijk heeft afgestoken – geschorst in afwachting van een verwijdering.

4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een beslissing van de schoolleiding tot verwijdering van een leerling van de school in voorkomend geval als het enige dan wel laatste middel kan worden beschouwd om een nijpende situatie het hoofd te bieden of om ernstig crimineel gedrag te bestraffen. Verwijdering is een zodanig ingrijpend middel dat hiertoe slechts in zeer uitzonderlijke gevallen dient te worden overgegaan, waarbij, afgezien van de vereisten van artikel 14 en 15 van het Inrichtingsbesluit W.V.O., de belangen van de leerling, ouders en school terdege in overweging dienen te worden genomen.

4.5. Partijen verschillen niet van mening over de constatering dat het incident dat op 20 februari 2008 in de school heeft plaatsgevonden een zeer ernstig feit betreft, op grond waarvan de schoolleiding terecht direct maatregelen heeft getroffen ten aanzien van de leerlingen die daarbij waren betrokken. Partijen zijn het er tevens over eens dat de schoolleiding ten aanzien van de hoofddader – [B] – terecht de beslissing tot verwijdering van de school heeft genomen. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het aandeel van [A] bij het incident gelijkgesteld kan worden aan het aandeel van [B], en dus of ook ten aanzien van [A] de meest vergaande maatregel tot verwijdering kon worden genomen, of dat het aandeel van [A] eerder gelijkgesteld moet worden aan het aandeel van de andere twee leerlingen – [D] en [C] – die voor een week zijn geschorst.

4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de SKOV onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan de betrokkenheid van [A] bij het incident gelijkgesteld kan worden aan het aandeel van [B]. Uit de gegevens waarover de school heeft beschikt, met name de eigen verhoren van verschillende leerlingen, en uit de door [eiser] aangedragen gegevens, met name de verhoren zoals die blijken uit het politiedossier, komt veeleer het beeld naar voren dat [A], gelijk [D] en [C], op de hoogte was van het plan van [B] om een fakkel in de school af te steken en dat hij de uitvoering van dit plan in beperkte mate heeft gefaciliteerd, dan dat hij het plan samen met [B] heeft voorbereid en uitgevoerd.

4.7. De SKOV heeft haar beslissing hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaringen van [B], die heeft verklaard dat [A] aanwezig was op het feestje waar het plan zou zijn beraamd om een rookbom in de school af te steken, dat [A] heeft meebetaald aan de fakkel, dat [A] met [B] is meegelopen om een geschikte plek te zoeken om de fakkel af te steken, dat [A] wist wanneer de fakkel zou worden aangestoken, dat [A] op de uitkijk heeft gestaan en dat zij zich beiden na het afgaan van het brandalarm hebben verstopt in de toiletten. De verklaringen van [B] tegenover de schoolleiding komen grotendeels overeen met de verklaringen zoals hij deze op 20 en 21 februari 2008 tegenover de politie heeft afgelegd.

4.8. [A] heeft erkend dat hij op de hoogte was van het plan om een rookbom of een fakkel in de school af te steken, dat hij met [B] is meegelopen op het moment dat hij de fakkel wilde gaan afsteken en dat hij na het afgaan van het brandalarm de toiletgroep is ingerend. [A] heeft ontkend dat hij heeft meebetaald aan de fakkel, dat hij samen met [B] heeft gezocht naar een geschikte plek om de fakkel af te steken en dat hij op de uitkijk heeft gestaan op het moment dat [B] de fakkel heeft afgestoken. Volgens [A] is hij voorts niet op afspraak samen met [B] de toiletgroep ingevlucht, maar kwam [B] (toevallig) ook de meest dichtbij zijnde toiletgroep ingerend nadat [A] daar naar binnen was gerend.

4.9. Ter zitting heeft de SKOV erkend dat niet is komen vast te staan dat [A] heeft meebetaald aan de fakkel, althans dat daaromtrent onduidelijkheid is gerezen nu [A] dat steeds heeft ontkend en [C] inmiddels zijn positieve verklaring daarover heeft herzien.

4.10. De verklaringen van [B] dat [A] samen met hem de plek heeft uitgezocht waar de fakkel kon worden afgestoken en dat [A] op de uitkijk heeft gestaan op het moment dat [B] de fakkel heeft afgestoken, vinden geen steun in de verklaringen van de overige leerlingen. In de vragenlijst die op 14 maart 2008, naast [B], aan [C] en [D] zijn voorgelegd, is expliciet gevraagd wie de plaats op school heeft of hebben uitgezocht om de fakkel tot ontbranding te brengen. [C] heeft op die vraag geantwoord: zou het niet weten. [D] heeft op die vraag geantwoord: [B], voor de rest weet ik het niet. Wel staat vast dat [A] met [B] is meegelopen op het moment dat [B] de fakkel wilde gaan afsteken, volgens de eigen verklaring van [A] omdat hij wilde zien of [B] het ook echt durfde. Een grotere betrokkenheid dan ‘meelopen’ kan hieruit niet worden geconcludeerd.

Daarnaast heeft geen van de andere leerlingen verklaard, noch tegenover de schoolleiding noch tegenover de politie, dat [A] op de uitkijk heeft gestaan op het moment dat [B] de fakkel heeft afgestoken. Wel hebben verschillende leerlingen verklaard dat [A] – hetgeen overeenstemt met zijn eigen verklaring – in de buurt was (een verdieping lager) op het moment dat de fakkel werd afgestoken. Dat rechtvaardigt echter niet zonder meer de conclusie dat hij ook op de uitkijk heeft gestaan.

4.11. Wel staat vast dat [A] na het afgaan van het brandalarm de toiletgroep is ingerend, naar eigen zeggen omdat hij schrok nadat [B] de fakkel had afgestoken, en samen met [B] daaruit weer naar buiten kwam. Het heeft er alle schijn van dat het juist die omstandigheid is geweest die [A] vanaf het eerste begin verdacht heeft gemaakt en de indruk heeft gewekt dat hij direct bij (de uitvoering van) het plan betrokken is geweest. Die schijn heeft echter geen bevestiging gevonden in de overige aan het licht gekomen omstandigheden.

4.12. Nu de verklaringen van [B] over de verdergaande betrokkenheid van [A] geen steun vinden in de verklaringen van de overige leerlingen, kan aan die verklaringen van [B] niet de betekenis worden toegekend zoals de SKOV heeft gedaan. Te meer niet nu [B] – zoals door [eiser] terecht naar voren gebracht – als hoofddader er alle belang bij kan hebben gehad ook anderen medeverantwoordelijk te maken voor zijn daad.

4.13. Het voorgaande doet er niet aan af dat vast is komen te staan dat ook [A] op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het incident en dat daarom voor de SKOV aanleiding heeft kunnen bestaan om tegen hem passende maatregelen te treffen. De voorzieningenrechter concludeert uit het voorgaande echter tevens dat de maatregel tot definitieve verwijdering die de SKOV ten aanzien van de hoofddader [B] heeft toegepast in het geval van [A] te verstrekkend is. De betrokkenheid van [A] bij het incident valt veeleer op een lijn te stellen met het aandeel van de leerlingen [C] en [D], aan wie de schoolleiding de maatregel tot schorsing van (in totaal) een week heeft opgelegd. De betrokkenheid van beide voornoemde leerlingen bestond er immers met name uit dat zij op de hoogte waren van het plan van [B] om een rookbom of fakkel in de school af te steken en dat zij hebben meebetaald aan de fakkel. Ook ten aanzien van [A] staat vast dat hij op de hoogte was van het plan, terwijl hij niet heeft meebetaald aan de fakkel. De aanwezigheid van [A] in de nabijheid van [B] rond het moment van het afsteken van de fakkel, duidt eerder op een poging van [B] hem zoveel mogelijk bij zijn daad te betrekken dan dat [A] samen met [B] het plan heeft bedacht en actief uitgevoerd. In elk geval kan de onduidelijkheid die is blijven bestaan over de precieze rol van [A] bij het incident, mede in aanmerking genomen de ingrijpendheid van een maatregel tot verwijdering van school en het belang van [A] om zijn HAVO-opleiding aan het Don Bosco College te kunnen voltooien, in dit geval niet ten nadele van [A] worden gebracht.

4.14. Gelet op het al het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de SKOV de beslissing om [A] definitief van de school te verwijderen in haar beslissing op het door [eiser] in te dienen bezwaarschrift niet zal kunnen handhaven. De SKOV had kunnen volstaan met een schorsing van een (op grond van artikel 14, eerste lid, Inrichtingsbesluit W.V.O. maximaal toegestane) termijn van een week. Nu [A] reeds langer dan die termijn thuis is, zal de voorzieningenrechter vooruitlopend op de beslissing op het bezwaar de vordering van [eiser] om [A] weer toe te laten tot de school toewijzen als volgt. Aangezien ervan mag worden uitgegaan dat het de SKOV als uitvoerder van een publieke taak zich naar een rechterlijke veroordeling zal richten, komt het niet noodzakelijk voor aan de veroordeling een dwangsom te verbinden.

4.15. De SKOV als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- vast recht 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.155,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt de SKOV [A] met ingang van donderdag 17 april 2008 toe te laten tot de lessen op het Don Bosco College en tot alle overige voorzieningen waar [A] op grond van zijn inschrijving als leerling aanspraak op maakt en hem toegelaten houden totdat hij het HAVO-examen met goed gevolg heeft afgelegd, voor zover de wet dat toelaat,

5.2. veroordeelt de SKOV in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.155,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2008.?